Kunstmatige Intelligentie: Europese Commissie trekt teugels aan

Kunstmatige Intelligentie: Europese Commissie trekt teugels aan

 

Op 21 april 2021 heeft de Europese Commissie een nieuw plan (een ontwerpverordening) op tafel gelegd ter harmonisering van regels op het gebied van kunstmatige of artificiële intelligentie (“AI”). Dit alles met het idee om van Europa een goed georganiseerd geheel te maken wat betreft AI.

 

De Europese Commissie liep al langer met het idee om AI te reguleren en nu is dan daadwerkelijk de kop eraf. Maar hoe zit deze ontwerpverordening in elkaar en welke stappen moeten nog worden genomen totdat de regelgeving bindend wordt?

 

Hoofdlijnen ontwerpverordening

De ontwerpverordening is gebaseerd op een risico-afhankelijke aanpak van AI-systemen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in vier categorieën van risico’s. Afhankelijk van de grootte van het risico van een bepaald AI-systeem zullen strenge(re) eisen worden gesteld waaraan de systemen moeten voldoen.

 

Bepaalde systemen zullen zelfs in hun geheel niet mogen worden gebruikt. Dit laatste is bijvoorbeeld het geval bij systemen die gebruikt worden door kwetsbare groepen in de samenleving. Een goed voorbeeld betreft pratend speelgoed voor kinderen. Pratend speelgoed an sich is uiteraard niet verboden. Het technische onderdeel dat het speelgoed laat praten, mag echter niet zodanig ontwikkeld zijn dat het zich op basis van het gedrag van een kind en/of zijn omgeving kan aanpassen. Het speelgoed zou bijvoorbeeld slechts enkele, vooraf geprogrammeerde standaardzinnen mogen uitdrukken. Deze zinnen mogen de kinderen niet in hun doen en laten beïnvloeden.

 

Een voorbeeld van een AI-systeem dat wel is toegestaan maar onderhevig is aan strenge eisen, is een systeem dat door verzekeraars zou kunnen worden gebruikt om te bepalen welke burgers al dan niet verzekerd kunnen worden. AI-systemen kunnen in deze context namelijk risico’s opleveren voor de veiligheid of grondrechten van personen doordat het systeem discriminerende criteria kan ontwikkelen. Een mogelijk gevolg van zo’n AI-systeem zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat een burger in een woonwijk waar vaker incidenten voorkomen niet bij de desbetreffende verzekeraar mag aansluiten, terwijl een burger een paar straten verderop geen problemen ondervindt. Dit moet worden voorkomen door te voldoen aan de strenge vereisten uit de verordening.

 

Toepassing ontwerpverordening

Lidstaten zullen eigen toezichthoudende autoriteiten moeten oprichten ten behoeve van een goede handhaving van de vereisten in de (ontwerp)verordening. Bij het niet-naleven van de vereisten bij het gebruik van een systeem van AI kunnen (bestuurlijke) boetes van maximaal €30 miljoen worden opgelegd of een boete van maximaal 6% van de jaarlijkse wereldwijde omzet in het vorige boekjaar, afhankelijk van welk bedrag hoger is.

 

Verder is het relevant dat de regelgeving een breed toepassingsbereik zal kennen. Hierdoor kunnen ook aanbieders van buiten de EU onderhevig zijn aan de strenge eisen voor AI-systemen. De ontwerpverordening geeft daarnaast een dusdanig brede definitie van het begrip ‘AI-systeem’ dat weinig sectoren in de maatschappij de dans zullen ontspringen.

 

Conclusie

De stap tot het opstellen van een Europese verordening tot harmonisatie van regelgeving op het gebied van kunstmatige intelligentie heeft lang op zich laten wachten. Systemen van kunstmatige intelligentie zullen in de nabije toekomst aan strenge eisen moeten voldoen. Het aanpassingsproces zal, net als ten tijde van de invoering van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), grote gevolgen met zich meebrengen. Maar voor het zover is, zal de Europese wetgevingsprocedure nog moeten worden doorlopen, waardoor de verordening op haar vroegst in 2024 werking zou kunnen krijgen.

 

Wilt u weten welke concrete gevolgen de (ontwerp)verordening voor u kan hebben? Of wilt u meer informatie over kunstmatige intelligentie? Neemt u dan contact op met Hester Ellemers.

Bedrijfspand transformeren naar woonruimte? Vraag tijdig een WOZ-beschikking aan!

Een bedrijfspand transformeren naar woonruimte? Vraag dan tijdig een WOZ-beschikking aan!

 

De uitspraak

De kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland heeft in een uitspraak van 4 november 2020 (WR 2021/61) beslist, dat het ontbreken van een juiste WOZ-beschikking bij aanvang van een huurovereenkomst voor rekening van de verhuurder komt. Dat heeft verstrekkende financiële gevolgen voor het vaststellen c.q. beoordelen van de juiste aanvangshuurprijs.

 

De casus

Een verhuurder verbouwde een bedrijfspand uit 1885 om tot zes appartementen. Een appartement werd met ingang van 1 juni 2017 verhuurd tegen een geliberaliseerde huurprijs van € 1.250,- per maand. De huurder verzocht de Huurcommissie de redelijkheid van deze huurprijs te beoordelen. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van het Woning Waardering Stelsel (WWS) waarbij de WOZ-waarde van groot belang is. De verhuurder beschikte over een WOZ-beschikking d.d. 1-1-2017 voor het hele pand ad € 575.00,-. Tijdens de procedure bij de Huurcommissie en later bij de kantonrechter bracht de verhuurder in het geding een WOZ-beschikking d.d. 1-1-2018 van een ander vergelijkbaar appartement in het complex (€ 220.000,-) en de WOZ-beschikking d.d. 1-1-2019 van het gehuurde (€ 230.000,-) als ook taxaties en getuigenverklaringen ter onderbouwing van zijn standpunt dat een WOZ-waarde van het gehuurde per 1-6-2017 van € 220.000,- a € 230.000,- realistisch en dus redelijk zou zijn bij het toekennen van punten overeenkomstig het WWS. Echter tevergeefs. De kantonrechter sloot zich aan bij de beoordeling van het puntenaantal door de Huurcommissie, die als uitgangspunt had genomen het wettelijke vastgestelde minimum van de WOZ-waarde, jaarlijks te indexeren als bedoeld in het Besluit huurprijzen woonruimte (Bhw), resulterende in een bedrag van € 41.816,- waardoor de contractueel bedongen huurprijs werd verlaagd tot € 624,96 per maand, derhalve een vermindering tot 50% van de overeengekomen prijs!

 

Eigen schuld dikke bult

De verhuurder beriep zich op onwetendheid met de ingewikkelde wetgeving en de derogerende werking van de goede trouw. De kantonrechter ging hier echter niet in mee. De verhuurder had op grond van art. 17 lid 4 wet WOZ een WOZ-beschikking kunnen verkrijgen voor het gehuurde op basis van de geobjectiveerde stichtingskosten van het appartement. Weliswaar mag de kantonrechter in uitzonderlijke gevallen op grond van de wet (art. 5 lid 2 Bhw) afwijken van het WWS echter in dit geval bestond daartoe geen aanleiding aldus de kantonrechter: “Wie zich met de verhuur van woonruimte bezig houdt, dient zich te verdiepen in de regels die daarbij horen.” Als de verhuurder zich beter had laten adviseren, kon hij weten dat hij bij aanvang van de huurovereenkomst diende te beschikken over een WOZ-beschikking. Dat hij een dergelijke beschikking had kunnen verkrijgen, ook voor een pand in aanbouw staat vast. Daarnaast had de verhuurder verzuimd de kantonrechter andere objectieve gegevens te verschaffen waaruit de minimale WOZ-waarde van het gehuurde op de ingangsdatum kon worden afgeleid.

 

Conclusie: foutje bedankt

Verhuurders laat u goed adviseren bij het verhuren van woonruimte! De wetgeving is gecompliceerd en aan voortdurende wijzigingen onderhevig. Fouten in de contractvorming worden genadeloos afgestraft ook indien zij niet bewust maar uit onwetendheid zijn gemaakt en geen feitelijk nadeel opleveren voor de huurder. Op basis van de waarde van het appartement had deze verhuurder immers een redelijke marktconforme huurprijs bedongen voor een geheel gerenoveerd appartement te Haarlem. De huurder kreeg dit appartement door een omissie aan de zijde van de verhuurder voor de prijs van een sociale huurwoning in de schoot geworpen.

Heeft u vragen over deze uitspraak of andere gerelateerde vragen, neem dan contact op met mr. Birgit Gruppen.

Afdeling geeft voorlopige oplossing voor belanghebbende-problematiek na Varkens in Nood-arrest

Afdeling geeft voorlopige oplossing voor belanghebbende-problematiek na Varkens in Nood-arrest

Afbeelding: Raad van State

Het zal u niet zijn ontgaan: in het ‘Varkens in nood’-arrest van het Hof van Justitie is bepaald dat ‘leden van het publiek’ toegang tot de rechter moeten kunnen krijgen als zij eerder gebruik hebben gemaakt van ruimere inspraakrechten bij besluiten over milieuaangelegenheden. Het gaat dan om besluiten die binnen de werkingssfeer van artikel 6 van het Verdrag van Aarhus vallen. Het arrest maakte nogal wat los, want in onze Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat beroep alleen openstaat voor belanghebbenden. De afgelopen maanden is er daarom veel geschreven over de vraag wanneer een persoon of organisatie nu wel of niet toegang heeft tot de bestuursrechter en of ons systeem wellicht op de schop moet.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 4 mei 2021 een uitspraak gedaan waarin antwoorden worden gegeven en een – voorlopige – oplossing wordt geboden. Allereerst wordt in de uitspraak onomwonden bepaald dat de Awb aangepast moet worden: “Anders dan is bepaald in artikel 8:1 van de Awb leidt het arrest van het Hof ertoe, dat een niet-belanghebbende die op grond van een wettelijke bepaling op het terrein van het milieurecht een zienswijze naar voren heeft gebracht over een ontwerpbesluit, gelet op artikel 9, derde lid, van het verdrag niet kan worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, als hij vervolgens tegen het besluit beroep instelt. Dit behoeft aanpassing door de wetgever.” (r.o. 4.6)

 

Aanbevelingen

Vervolgens wordt een voorlopige werkwijze bepaald: “Zolang zo’n wijziging van de wet er niet is, ligt het op de weg van de bestuursrechter die de bevoegde rechter is om over deze besluiten te oordelen te voorzien in een oplossing. Aan degene die bij een besluit geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, maar die tegen het ontwerpbesluit op basis van de hem in het nationale omgevingsrecht gegeven mogelijkheid wel een zienswijze heeft ingediend, zal in beroep niet worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is. Ook de niet-belanghebbende die verschoonbaar geen of te laat zienswijze heeft ingebracht tegen het ontwerpbesluit zal niet worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is.” (r.o. 4.7)

De Afdeling is de praktijk hierbij behulpzaam en geeft aan dat in ieder geval een uitbreiding van inspraakrechten is opgenomen in:

  • de artikelen 3.8, eerste lid, aanhef en onder d, 3.31, derde lid, aanhef en onder d, 3.33, vierde lid, en 3.35, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening,
  • artikel 3.12, vijfde lid, van de Wabo,
  • artikel 10c, aanhef en onder c, van de Ontgrondingenwet,
  • artikel 11, eerste lid, van de Tracéwet,
  • artikelen 5.6, tweede lid, en 5.9, aanhef en onder c, van de Waterwet,
  • de artikelen 8.48, 8a.48, derde lid, 8a.60 en 10.39, derde lid, van de Wet luchtvaart
  • en de artikelen 31d, tweede lid, 34, zesde lid en 52d, zevende lid, van de Mijnbouwwet.

Daar houdt de nieuwswaarde van deze uitspraak niet mee op, want de Afdeling overweegt vervolgens dat uit het ‘Varkens in Nood-arrest’ niet volgt dat beroepsgronden enkel en alleen over procedurele aspecten van de inspraakprocedure mogen gaan. Naar het oordeel van de Afdeling strookt zo’n enge uitleg niet met de achtergrond van het oordeel van het Hof op dit punt, namelijk de bevordering van de nuttige werking van de inspraakrechten. Daarbij is voor de Afdeling ook van belang dat een onderscheid tussen beroepsgronden over inspraakrechten en in het verlengde daarvan liggende materiële gronden niet altijd eenvoudig is te maken, zodat deze uitleg mede de rechtspraktijk dient.

 

Relativiteitsvereiste

Tot slot wijs ik er nog op dat de Afdeling duidelijk is geweest over het relativiteitsvereiste: dat kan nog wel worden tegengeworpen aan degene die in beroep gaat en die geen belanghebbende is: “Ter voorlichting van de rechtspraktijk voegt de Afdeling hieraan toe dat te voorzien is dat de beroepsgronden van degene die aldus als niet-belanghebbende toegang tot de bestuursrechter verkrijgt, vaak vanwege het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste niet tot vernietiging van het bestreden besluit zullen kunnen leiden.”(r.o. 4.9).

 

In de praktijk

In de praktijk zal men vanaf nu, met deze nieuwe uitgangspunten in het achterhoofd, scherp moeten kijken naar de (slagingskansen van de) personen en organisaties die in beroep zijn gegaan. Het niet meer indienen van een zienswijze is niet langer in alle gevallen fataal. Ik verwijs graag naar het – kraakheldere – stroomschema dat de Afdeling heeft opgesteld en waarvan ik een afbeelding bij dit blog heb gevoegd.

Heeft u vragen over deze uitspraak of andere gerelateerde vragen, neem dan contact op met mr. Unique Pellekaan.

Hoge Raad beantwoordt vragen van de kantonrechter Groningen over positie Huurcommissie

Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen van de kantonrechter Groningen

In een arrest van 23 april jl. heeft de Hoge Raad een aantal vragen beantwoord, die de kantonrechter te Groningen heeft gesteld omtrent de relatie tussen een uitspraak van de Huurcommissie in een huurgeschil en een daarop volgende procedure bij de kantonrechter omtrent dezelfde geschilpunten.

 

Gang naar kantonrechter is geen hoger beroep

De wet bepaalt (art. 7:262 BW) dat als partijen bij een geschil niet binnen 8 weken na de uitspraak van de Huurcommissie een procedure bij de kantonrechter beginnen over dit geschil, zij gebonden zijn aan de uitspraak alsof die uitspraak in de huurovereenkomst zou zijn opgenomen. Gaat één van partijen naar de kantonrechter, dan doet deze in hoogste instantie een uitspraak over het voorliggende geschil. De procedure bij de kantonrechter geldt echter niet als een hoger beroep van de procedure bij de Huurcommissie.

 

Arrest Hoge Raad

De kantonrechter in Groningen vroeg zich onder meer af of een vordering in reconventie van één van beide partijen nog wel ontvankelijk zou zijn, indien deze tegeneis pas na het verstrijken van de 8 weken termijn bij de kantonrechter wordt ingediend. De Hoge Raad beantwoordde deze vraag positief. Ook beantwoordde de Hoge Raad vragen over de mate waarin een uitspraak van de Huurcommissie gedeeltelijk overeind zou kunnen blijven indien partijen niet alle behandelde geschilpunten in de kantongerechtsprocedure zouden aankaarten. De Hoge Raad overwoog enerzijds dat de binding aan de uitspraak van de Huurcommissie geheel vervalt wanneer tijdig een vordering als bedoeld in art. 7:262 BW wordt ingesteld. Om vervolgens dit standpunt als volgt te nuanceren: Wel heeft de wetgever denkbaar geacht dat partijen slechts op een enkel punt een nadere beslissing van de kantonrechter verlangen, in welk geval het voor de hand ligt dat de uitspraak van de huurcommissie voor het overige bindt, aangenomen dat die uitspraak aldus gesplitst kan worden. Echter in een volgend antwoord stelt de Hoge Raad weer: “Uit het voorgaande volgt dat wanneer een van partijen tijdig een vordering als bedoeld in art. 7:262 BW instelt, partijen in het geheel niet meer gebonden zijn aan de uitspraak van de huurcommissie.” Om bij een ander antwoord te overwegen: Indien de kantonrechter ten aanzien van bepaalde geschilpunten niet van bezwaren tegen de beslissing van de huurcommissie is gebleken, mag hij in zijn beslissing met betrekking tot die geschilpunten de uitspraak van de huurcommissie zonder nadere motivering overnemen. Als ook: Indien beide partijen ondubbelzinnig te kennen geven dat zij ten aanzien van bepaalde geschilpunten geen beslissing van de kantonrechter verlangen, dient de kantonrechter de beslissing van de huurcommissie over die geschilpunten te eerbiedigen.

 

Oppassen geblazen

Het blijft dus oppassen geblazen bij het formuleren van een vordering als ook het voeren van verweer in een kantongerechtsprocedure nadat de Huurcommissie uitspraak heeft gedaan. Als procespartij mag je er niet op vertrouwen dat het enkele feit dat er tijdig een procedure bij de kantonrechter aanhangig is gemaakt, de binding aan de uitspraak van de Huurcommissie in zijn geheel is vervallen.

Heeft u vragen over dit arrest of andere huurgerelateerde vragen, neem dan contact op met mr. Birgit Gruppen.