Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

TUSSENUITSPRAKEN ZIJN GEEN TUSSENDOORTJES

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 10 februari 2016, nr. 201402870

De rechter is gebonden aan zijn tussenuitspraak. Hij mag daarvan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen terugkomen in zijn einduitspraak.

Kern:

De rechter is gebonden aan zijn tussenuitspraak. Hij mag daarvan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen terugkomen in zijn einduitspraak:

  • Wanneer de rechter evident ten onrechte heeft geoordeeld dat het desbetreffende  besluit een fout bevat, kan de overheid hem daarop wijzen en kan de rechter daarmee alsnog rekening houden in zijn einduitspraak;
  • De rechter kan op basis van al bestaande maar later bekend geworden feiten terugkomen van (het desbetreffende deel van) de tussenuitspraak.

Een tramlijn met tussenstops

Deze uitspraak betreft de vaststelling van een bestemmingsplan door de gemeenteraad van Maastricht (een tramlijn naar Vlaanderen). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) had in deze procedure al een tussenuitspraak gewezen. Een tussenuitspraak is bedoeld om niet al te omvangrijke gebreken in een besluit, alsnog te laten herstellen door het bestuursorgaan. In de tussenuitspraak werd de raad opgedragen binnen 16 weken bepaalde gebreken in de besluitvorming te herstellen. De raad heeft het bestemmingsplan vervolgens opnieuw vastgesteld. De Afdeling beoordeelt dat nieuwe besluit in deze einduitspraak.

En daar gaat het fout voor de gemeente. Een harde regel is dat de rechter gebonden is aan zijn eigen tussenuitspraak. In dit bijzondere geval oordeelt de Afdeling, bij nader inzien, dat zij haar tussenuitspraak, met de kennis van nu over de feiten van toen, niet had gedaan: de raad had niet de mogelijkheid moeten krijgen voor herstel, omdat aan het bestemmingsplan nog weer andere gebreken bleken te kleven: de uitvoerbaarheid bleek bij nader inzien zeer dubieus – dat wist de raad destijds óók al, maar hij heeft dat niet aan de Afdeling gemeld. In zo’n geval is het niet zo gek dat de rechter zijn eerdere uitspraak terug kan draaien.

“…slechts in zeer uitzonderlijke gevallen…”

Dat terugkomen van een tussenuitspraak moet echter een zeldzaamheid blijven. Dat is vaste jurisprudentie: alleen in “zeer uitzonderlijke gevallen” kan dit aan de orde zijn. Dat is terecht, gezien de functie van de tussenuitspraak (geregeld in de artikelen 8:51a tot en met 8:51d en de artikelen 8:80a en 8:80 b van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze is bedoeld om finale geschilbeslechting te bevorderen. In een tussenuitspraak kan de rechter het bestuurorgaan in staat stellen of (in hoogste aanleg: verplichten) om een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Dat nieuwe besluit wordt dan in de procedure ingebracht, waarna in de einduitspraak wordt beoordeeld of de gebreken afdoende zijn hersteld. Dat voorkomt nodeloos procederen (geen vernietiging waarna het bestuursorgaan alsnog een betere versie van het besluit neemt).

Als “terugkomen van” een tussenuitspraak in ruime mate mogelijk zou zijn, dan zou dat kunnen meebrengen dat partijen na een ongunstige tussenuitspraak bij dezelfde rechter over diens uitspraak gaan doorprocederen, in de hoop op een nieuw oordeel.. Dat zou afbreuk doen aan finale geschilbeslechting en zo werkt het dan ook niet. De rechter oordeelt in de tussenuitspraak definitief; het gaat vervolgens “alleen” nog om de beoordeling van het in de tussenuitspraak aangegeven benodigde herstel van het besluit door het bestuursorgaan. Of dat goed is gebeurd, blijkt dan uit de einduitspraak.

Vandaar dat de rechter alleen “in zeer uitzonderlijke gevallen” terug mag komen van zijn tussenuitspraak. Om soortgelijke redenen is géén apart hoger beroep mogelijk. Dat kan pas tegelijkertijd met een hoger beroep tegen de einduitspraak (artikel 8:104, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb).

Wat zijn dan die gevallen, waarin de rechter van zijn eerdere uitspraak kan afwijken? In de rechtspraak is niet omschreven wanneer precies sprake is van “een zeer uitzonderlijk geval”. In feite gaat het slechts om twee typen gevallen, die hierna worden besproken.

Overduidelijke vergissing

Een voorbeeld uit de jurisprudentie: ten onrechte heeft de rechter geoordeeld dat sprake zou zijn van overschrijding van de maximale bouwhoogte. De desbetreffende omgevingsvergunning had hij in de tussenuitspraak nog vanwege die “overschrijding” als gebrekkig aangemerkt; de gemeente werd daarom in de gelegenheid gesteld het besluit te herstellen. Als dan daarna blijkt dat sprake is van een evidente vergissing (er wás helemaal geen overschrijding; de gemeente wees de rechter daarop), dan mag de rechter, bij uitzondering, van zijn tussenuitspraak afwijken in zijn einduitspraak: hij mag dan alsnog oordelen dat het besluit, bij nader inzien, van begin af aan al in orde was (zie ABRS 21 oktober 2015, nr. 201502907, JB 2015/201).  

Bestaande feiten blijken pas ná tussenuitspraak

De rechter mag ook terugkomen van zijn tussenuitspraak wanneer na de tussenuitspraak, destijds reeds bestaande, maar bij de rechter niet bekende feiten of omstandigheden alsnog bekend worden en deze tot een andere tussenuitspraak hadden geleid als de rechter deze destijds al had gekend. Dat was in de besproken uitspraak het geval: de problemen rond de uitvoerbaarheid van de tramlijn waren al in een conceptrapport beschreven. Had de Afdeling van dat stuk kennis kunnen nemen, dan was er geen tussenuitspraak gekomen maar had zijn het besluit in een einduitspraak vernietigd: dit viel hangende beroep niet te herstellen.

Dat is billijk: de rechter blijkt op een (blijkbaar) cruciaal punt onvoldoende geïnformeerd te zijn. Dat moet de rechter kunnen corrigeren. NB: feiten die eerst ontstaan ná een (tussen)uitspraak, zijn geen reden voor het terugkomen van een tussenuitspraak. Op grond daarvan kan immers niet worden gesteld dat de uitspraak, reeds destijds, anders had moeten luiden.

Tot slot: een tip die veel tijd kan besparen

Een tussenuitspraak is bedoeld voor herstelbare gebreken; als de rechter vindt dat een besluit zodanig gebrekkig is dat er hangende het (hoger) beroep geen reëel uitzicht is op herstel, dan heeft een tussenuitspraak geen zin en zal de rechter het besluit meteen in een einduitspraak vernietigen. Het verdient aanbeveling voor de overheid om voor de zitting na te gaan welke gebreken er eventueel aan het besluit kleven en hoe deze alsnog zouden kunnen worden ondervangen. Zo nodig (als het debat daarover gaat) kan dan worden ‘gestuurd’ naar een tussenuitspraak: wanneer blijkt dat een en ander binnen afzienbare tijd kan worden geheeld, dan zal de rechter wellicht afzien van vernietiging en in plaats daarvan de overheid in een tussenuitspraak in staat stellen een en ander hangende het (hoger) beroep te helen. Dat kan zéér veel tijd schelen; in omvangrijke zaken misschien wel een jaar of meer.

Vragen of opmerkingen? Neem contact op met Hans van Ophem