Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

SCHADE AAN IN BODEM LIGGENDE LEIDINGEN BIJ BAGGERWERKZAAMHEDEN; LOKALISERINGSPLICHT BAGGERAAR EN OPDRACHTGEVER STAAT VOOROP  

Gerechtshof Amsterdam d.d. 29-08-2017, datum publicatie 14-11-2017, zaaknummer 200.188.130/01

RELEVANTIE:

  • Schadevergoeding in verband met vertragingsschade door raken riolering bij baggerwerkzaamheden. 
  • Lokaliseringsplicht baggeraar en opdrachtgever betreffende leidingen is op grond van artikel 2 van de WION uitgangspunt. Zij moeten een behoorlijk en gedegen onderzoek doen naar de feitelijke ligging van de leiding in het invloedsgebied van de baggerwerkzaamheden. Dit is nagelaten.

GESCHIL

Deze uitspraak betreft een geschil in hoger beroep tussen enerzijds Waterschap Amstel, Gooi en Vecht en anderzijds de gemeente Weesp, de gemeente Gooise Meren en Antea Realisatie BV. Het hoger beroep was ingesteld door het Waterschap tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam. 

FEITEN

De gemeente Weesp achtte het nodig om een rioolvoorziening voor de in haar gemeente gelegen woonboten en woningen in en nabij de Vecht aan te leggen. In verband hiermee heeft Weesp in 2005-2007 met Oranjewoud (de rechtsvoorganger van Antea) onderhandeld, waarbij Oranjewoud heeft geoffreerd een zgn. WiKrO-leiding in de bodem van de Vecht aan te leggen (hierna: de Wikro-leiding). Dit betreft een eigen systeem van Oranjewoud, waarbij een dunne rioolleiding in de waterbodem wordt gedrukt. Daardoor zijn geen graafwerkzaamheden nodig.
 
Ten behoeve van de aanleg van de Wikro-leiding heeft het Waterschap in september 2007 aan Weesp een keurontheffing verleend. Daarin is bepaald dat minimale diepten van NAP – 4,70 m (Vechtbodem) resp. 5,70 m (vaargeul) met een minimale gronddekking van 1,00 m moesten worden aangehouden. In dit verband heeft het Waterschap o.m. overwogen dat de eis van een minimale gronddekking van 1,0 m ook geldt nadat de waterbodemkwaliteitsanering van de Vecht heeft plaatsgevonden. Aan de gemeente Gooise Meren (destijds gemeente Muiden) is in februari 2008 een gelijkluidende keurontheffing verleend ten behoeve van de aanleg van de Wikro-leiding in haar gemeente.

AANNEMINGSOVEREENKOMST

Beide gemeenten hebben in oktober 2007 ieder een gelijkluidende aannemingsovereenkomst met Oranjewoud gesloten. In 2008 is de Wikro-leiding door Oranjewoud aangelegd. Namens het Waterschap is door Waternet (een zelfstandig uitvoerende organisatie van het Waterschap en de gemeente Amsterdam) in december 2010 aan aannemer FectioPlus de opdracht gegeven om de bodem van de Vecht te saneren, door vervuilde bagger van de bodem te scheppen.   

FectioPlus is in maart 2011 begonnen met de baggerwerkzaamheden. Daarvoor was de Vecht opgedeeld in vlakken met een lengte van enkele kilometers. Per vlak schepte FectioPlus met een grote kraan vanaf een ponton het slib van de bodem en loste dit slib in een beunbak. Na deze (bulkslag-)werkzaamheden volgde het precisiewerk (de opschoonslag). Voorafgaand aan de baggerwerkzaamheden heeft FectioPlus een KLIC-melding gedaan met betrekking tot de ligging van de Wikro-leiding. In reactie daarop hebben de gemeenten in medio maart 2011 revisietekeningen van de Wikro-leiding aan FectioPlus verstrekt.

SCHADE AAN LEIDING

Op 19 april 2011 heeft FectioPlus tijdens de baggerwerkzaamheden de Wikro-leiding geraakt. Naar aanleiding van dit incident heeft op 27 april 2011 overleg plaatsgevonden tussen Weesp en Oranjewoud, waarna Oranjewoud op dezelfde dag aan FectioPlus nadere documenten betreffende de ligging van de Wikro-leiding heeft toegezonden.
 
Op 9 en 12 mei 2011 werd de Wikro-leiding wederom (in totaal: 3 keer) geraakt. Naar aanleiding daarvan heeft op 25 mei 2011 een overleg tussen Waternet, de Gemeenten en Oranjewoud plaatsgevonden. Daarin heeft Waternet kenbaar gemaakt dat bestudering van diverse gegevens door  een onafhankelijke surveydeskundige bij haar de mening heeft doen vormen dat de ligging van de Wikro-leiding niet (geheel) overeenkomt met de informatie verkregen uit de Klic-melding en dat de Wikro-leiding niet op de diepte ligt die volgens de aanlegvergunning vereist is (NAP -4,70 m).
 
Vervolgens heeft onderzoeksbureau Deep B.V. op 23 en 24 juni 2011 (in opdracht van Weesp) alsook medio juli 2011 (in opdracht van Waternet) op (in totaal) 60 punten de diepteligging van de Wikro-leiding in het te baggeren gebied gemeten. Uit de meting kwam naar voren dat de leiding nergens op een diepte van – 4,70 m NAP lag, maar veelal op een diepte van -3,0 m en – 4,0 m NAP en slechts op vier punten de gronddekking op de Wikro-leiding meer dan één meter was.
 
In opdracht van Waternet heeft Hussem Consultancy de door Oranjewoud opgegeven horizontale liggingsgegevens van de Wikro-leiding vergeleken met de resultaten van Deep. Volgens Hussem volgde uit de vergelijking dat de Wikro-leiding grotendeels niet lag op de door Oranjewoud opgegeven route, met een gemiddelde afwijking van meer dan 2,4 meter tussen de opgave en de actuele meting. De minimale horizontale afwijking bedroeg 0,2 meter, de maximale afwijking 7,1 meter.

AANSPRAKELIJKSTELLINGEN

Het Waterschap heeft begin augustus 2011 de Gemeenten aansprakelijk gesteld voor alle vertragingsschade en andere schade die het Waterschap bij de uitvoering van het baggerproject lijdt, doordat de feitelijke ligging van de Wikro-leiding aanzienlijk afwijkt van de informatie die in het kader van de Klic-melding door de Gemeenten is verstrekt.

Weesp heeft op haar beurt in augustus 2011 Oranjewoud aansprakelijk gesteld voor alle door de gemeente en het Waterschap geleden en nog te lijden schade. Oranjewoud heeft eind augustus 2011 aansprakelijkheid van de hand gewezen. Oranjewoud heeft uiteindelijk de Wikro-leiding verwijderd en na voltooiing van de baggerwerkzaamheden vervangen door een reguliere drukpersleiding.

VORDERINGEN

Inzet van het geschil in hoger beroep waren de door rechtbank afgewezen vorderingen van het Waterschap, (m.n.) inhoudende:

  • te verklaren voor recht dat de Gemeenten en Oranjewoud hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens het Waterschap voor alle schade die het heeft geleden ten gevolge van het niet conform de keurontheffingen liggen van de Wikro-leiding c.q. het niet naleven van die keurontheffingen;
  • de Gemeenten en Oranjewoud hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 923.751,-, vermeerderd met btw en rente.

GRONDSLAG

Het Waterschap heeft zijn vorderingen gegrond op aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (art. 6:162 BW).

Gemeenten

In dit verband heeft het Waterschap ten aanzien van de Gemeenten gesteld, dat zij onrechtmatig hebben gehandeld door de keurontheffingen niet na te leven. Dat volgt uit het onderzoek van Deep dat heeft geconcludeerd dat niet is voldaan aan de voorwaarde om de Wikro-leiding op een diepte van NAP -4,70m aan te leggen en te houden en een minimale gronddekking van één meter aan te houden. Het Waterschap is hierdoor in zijn belangen getroffen. Duidelijk was immers dat deze bepalingen doelbewust waren opgenomen met het oog op de uit te voeren baggerwerkzaamheden. Doordat de Wikro-leiding niet op de vereiste diepte lag, kon het baggertraject niet, zoals de bedoeling was, ongehinderd doorgang vinden. Hierdoor heeft het project vertraging opgelopen en heeft FectioPlus haar werkwijze moeten aanpassen, met meerwerk tot gevolg, aldus het Waterschap.

Oranjewoud (thans: Antea)

Met betrekking tot de aansprakelijkheid van Oranjewoud heeft het Waterschap aangevoerd dat zij van aanvang aan bij het vergunningstraject was betrokken en zodoende eveneens ervan op de hoogte was dat het voor het Waterschap van belang was dat de Wikro-leiding op de genoemde diepte zou liggen, omdat zij dan niet in de weg zou liggen bij de toekomstige baggerwerkzaamheden. Oranjewoud heeft destijds nog schriftelijk bevestigd dat dit mogelijk was. Oranjewoud heeft zich echter niet aan deze vergunningsvoorwaarde gehouden; de door haar ontworpen en aangelegde Wikro-leiding bleek niet op de juiste diepte te liggen, met vertraging en meerkosten tot gevolg. Aldus heeft ook Oranjewoud volgens het Waterschap onzorgvuldig en onrechtmatig tegenover hem gehandeld.

OORDEEL GERECHTSHOF

De rechtbank had de vorderingen van het Waterschap afgewezen. Belangrijkste reden daarvoor was dat volgens de rechtbank FectioPlus (de baggeraar) haar eigen onderzoeksplicht heeft geschonden. Verder achtte de rechtbank ook geen causaal verband aanwezig tussen de veronderstelde onrechtmatige daad en de vertragingsschade.

Voor wat betreft het causaliteitsvraagstuk heeft het hof een deskundigenonderzoek gelast; eerst na kennisname daarvan zal het hof daarover nader kunnen oordelen. Dit onderzoek richt zich op de vraag of de Wikro-leiding nooit conform de voorschriften uit de keurontheffing is aangelegd, dan wel dat wel is gebeurd, maar de ligging van de leiding nadien is gewijzigd door een of meer oorzaken.     

Onderzoeksplicht

Voor wat betreft de onderzoeksplicht is door het Waterschap aangevoerd dat op zijn opdrachtnemer FectioPlus geen onderzoeksplicht rustte, die inhield dat zij de Wikro-leiding voorafgaand aan de baggerwerkzaamheden feitelijk diende te lokaliseren, omdat zij mocht afgaan op de gegevens die door de Gemeenten en Oranjewoud waren verstrekt en op de gegevens in de Keurontheffing, waaruit volgde dat de Wikro-leiding buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden lag, want op een diepte van -4,70m NAP met minimaal één meter gronddekking. Ook is door het Waterschap betwist dat het voor FectioPlus redelijkerwijs mogelijk was de leiding voorafgaand aan de werkzaamheden op te sporen.

Evenals bij de rechtbank heeft het Waterschap op dit onderdeel ook van het hof ongelijk gekregen. Daartoe is m.n. het volgende redengevend geacht.

Artikel 2 van de WION (Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten) legt in eerste instantie bij de opdrachtgever (in dit geval: het Waterschap) en de grondroerder (in dit geval baggeraar: FectioPlus) de verantwoordelijkheid dat de graafwerkzaamheden op zorgvuldige wijze worden verricht. FectioPlus diende daartoe op grond van dat artikel een onderzoek te verrichten naar de precieze ligging van de leiding, bij welk onderzoek de op basis van de Klic-melding aan haar door de beheerder verstrekte liggingsgegevens van de leiding uitgangspunt zijn. Volgens het hof is dit wettelijke uitgangspunt ook in de contractuele verhouding tussen het Waterschap en FectioPlus tot uitdrukking gebracht (besteksbepaling, citaat in rechtsoverweging 2.9.).

In de Richtlijn zorgvuldig graafproces en de aanvulling daarop die betrekking heeft op werkzaamheden in en rond een water of waterkering (de CROW-richtlijnen), hebben marktpartijen voormeld uitgangspunt en die verplichting als volgt verder uitgewerkt. Uitgangspunt is dat de bij het graven betrokken partijen, voordat met het graven wordt begonnen, nagaan of er leidingen liggen, vast moeten stellen wat er aan leidingen ligt en moeten opzoeken waar deze liggen. Pas als daarover duidelijkheid is kan er zorgvuldig gegraven worden. Op twee momenten in het proces moeten leidingen gelokaliseerd worden. Om te beginnen in de ontwerpfase, als de opdrachtgever zijn plannen afstemt op de werkelijke situatie en de contractsvoorwaarden bepaalt en vervolgens tijdens de uitvoering, als de baggeraar de precieze ligging van de netten vaststelt. Omdat rond wateren leidingen moeilijker waarneembaar zijn is sprake van extra veiligheids-en planningsrisico’s bij de uitvoering van de werkzaamheden. Indien de leiding niet waarneembaar is wordt vooraf met de beheerder overlegd volgens welke methode de ligging wordt vastgesteld. In de onderzoeksfase moet onder meer aan de orde komen wat de nauwkeurigheid van de gegevens is, wat de invloed van de bodemgegevens is en wat het invloedsgebied van de voorgenomen werkzaamheden is. Daarbij wordt benadrukt dat de bodem van het water niet altijd hetzelfde is gedefinieerd en dat dit kan leiden tot een verschil in interpretatie van de gronddekking op een leiding, reden waarom hier nadrukkelijk aandacht aan moet worden geschonken en navraag over moet worden gedaan bij de beheerder. Met de beheerder wordt dan onder meer besproken wat het invloedsgebied van de werkzaamheden is en welke leidingen worden gelokaliseerd.

In de ontwerpfase is het controleren van de werkelijke ligging van de kabels en leidingen de eerste stap. Daartoe worden leidingen gelokaliseerd en wordt het profiel van het water op de betreffende locatie gecontroleerd. Als een kabel of leiding niet wordt gelokaliseerd wordt dit teruggekoppeld met onder meer de beheerder. Pas als er voldoende inzicht is in de werkelijke ligging wordt een definitief ontwerp opgesteld. Ook in de contractsfase moet rekening gehouden worden met de ligging van leidingen en met het onderzoek dat nadien naar die ligging moet worden uitgevoerd.

In de voorbereidingsfase moet de grondroerder (i) een graaf(Klic)melding doen bij het Kadaster, (ii) de melding controleren met het contract en de bijbehorende tekeningen, (iii) bepalen wat het invloedsgebied van de werkzaamheden is, (iv) controleren of de leiding binnen het invloedsgebied van de werkzaamheden ligt en (v) contact opnemen met de beheerder om resultaten uit de controle te bespreken en afspraken te maken over de uitvoering, waaronder het lokaliseren. In die fase moet de grondroerder de precieze ligging van de leiding controleren en tijdens de uitvoering op locatie de ligging van de leidingen monitoren. Lokaliseren geschiedt conform de contractsafspraken en als er kabels binnen het invloedsgebied van de werkzaamheden liggen. De omvang van het invloedsgebied is afhankelijk van velerlei factoren die tot maak- en meettoleranties leiden en daarmee invloed uitoefenen op de werkzaamheden. Het lokaliseren van leidingen gebeurt bij voorkeur visueel en anders met behulp van diverse daarvoor beschikbare technieken, zoals het aftasten met een spuitlans, akoestische detectie, radar en dergelijke. De vastlegging van de aangetroffen gegevens betreft in ieder geval de x, y en z coördinaten (horizontale en verticale ligging).

Op basis van de hiervoor weergegeven wettelijke regelgeving en de daarop gebaseerde richtlijnen heeft het hof geoordeeld dat zowel op het Waterschap als op FectioPlus een eigen zelfstandige plicht rustte, los van de ontvangen gegevens op basis van de graafmelding, een behoorlijk en gedegen onderzoek te doen naar de feitelijke ligging van de leiding in het invloedsgebied van de baggerwerkzaamheden, en in overleg de resultaten zo nodig terug te koppelen met de beheerder, alvorens met de baggerwerkzaamheden te beginnen, met als doel schade door het baggeren te voorkomen.

Geen feitelijk onderzoek door Waterschap of FectioPlus

Volgens het hof is van enig feitelijk onderzoek door het Waterschap op dit punt niet gebleken. Ook het onderzoek door FectioPlus is volgens het hof onder de maat gebleven en heeft zich beperkt tot het uitvoeren van steekproeven. FectioPlus heeft vooral gevaren op de papieren werkelijkheid, te weten de keurontheffing en de door Oranjewoud en de Gemeenten aangeleverde gegevens. De verplichting tot feitelijk onderzoek gold temeer toen de leiding op 19 april 2011 werd geraakt en ondubbelzinnig bleek dat deze binnen het invloedsgebied van de werkzaamheden lag, maar ook daarna is feitelijk onderzoek achterwege gebleven.
 
In dit geval mocht FectioPlus volgens het hof niet zonder meer afgaan op de gegevens in de keurontheffing dat de leiding op -4,7 meter NAP zou liggen met minimaal één meter gronddekking. Dit zijn namelijk geen gegevens die haar op basis van de graafmelding waren verstrekt. Bovendien bieden dergelijke gegevens geen garantie dat de leiding jaren na aanleg daadwerkelijk (nog) conform de vastgelegde voorschriften ligt. Niet uitgesloten is immers dat de leiding niet geheel conform die voorschriften is aangelegd of dat de leiding door bodem- en/of waterwerking of een andere oorzaak van ligging is veranderd, waarbij nog wordt aangetekend dat de CROW-richtlijnen inhouden dat de bodem van het water niet altijd eenduidig is gedefinieerd, wat kan leiden tot een verschil in interpretatie van de gronddekking op een leiding, zodat ook dat tot nader onderzoek noopte.

FectioPlus mocht ook niet zonder meer van de op basis van de graafmelding door de Gemeenten verschafte gegevens uitgaan. Onbetwist is dat deze gegevens alleen de coördinaten van de horizontale ligging van de leiding bevatten en niet die van de verticale ligging. Afgezien van wat in de keurontheffing was vermeld, had FectioPlus over die verticale ligging geen enkel betrouwbaar gegeven. Zij heeft weliswaar steekproefsgewijs met een spuitlans getracht de leiding te lokaliseren, maar heeft de leiding niet aangetroffen. FectioPlus had onder die omstandigheden niet met de baggerwerkzaamheden mogen aanvangen, maar nader onderzoek moeten doen om de leiding daadwerkelijk te lokaliseren en/of met de beheerder in overleg moeten gaan over vervolgstappen.

Het Waterschap heeft onvoldoende gemotiveerd dat dit feitelijk onderzoek niet mogelijk of te belastend zou zijn, nu uit de CROW-richtlijnen volgt dat daarvoor diverse technische mogelijkheden bestaan die in zodanig geval aangewend kunnen worden en ook uit het onderzoek van Deep volgt dat hiervoor voldoende mogelijkheid bestond.

Relativiteitsvereiste

Het Waterschap had ook gesteld dat het relativiteitsvereiste eraan in de weg staat de WION in te roepen, maar ook dat verweer heeft het hof verworpen. Bij het aanleggen van de Wikro-leiding moesten de Gemeenten en Oranjewoud weliswaar rekening houden met de in het vooruitzicht gestelde sanering van de rivierbodem, maar zij mochten daarbij ervan uitgaan dat bij het baggeren de verplichtingen op grond van de WION in acht zouden worden genomen.

Heb je vragen of opmerkingen, neem dan contact op met Jan Veldhuis