Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

Regeling omgaan met melden vermoeden misstand Trip Advocaten & Notarissen B.V.

Inleiding

Trip Advocaten & Notarissen B.V. hecht grote waarde aan haar integriteit en die van haar medewerkers. Inbreuken hierop zijn niet toelaatbaar. Waar misstanden toch voorkomen, dient adequaat te worden gehandeld, ondermeer om te voorkomen dat de reputatie van Trip in diskrediet wordt gebracht.

In dat kader besluit Trip Advocaten & Notarissen B.V. de navolgende regeling vast te stellen.

Artikel 1 – Begripsbepalingen

  1. In deze regeling wordt verstaan onder:
  • werknemer: degene die krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht voor Trip Advocaten & Notarissen B.V. arbeid verricht of heeft verricht dan wel degene die anders dan uit dienstbetrekking arbeid voor Trip Advocaten & Notarissen B.V. verricht of heeft verricht;
  • werkgever: Trip Advocaten & Notarissen B.V., welke krachtens arbeidsover-eenkomst naar burgerlijk recht arbeid laat verrichten of heeft laten verrichten dan wel anders dan uit dienstbetrekking arbeid laat verrichten of heeft laten verrichten;
  • vermoeden van een misstand: het vermoeden van een werknemer, dat binnen de organisatie waarin hij werkt of heeft gewerkt of bij een andere organisatie, indien hij door zijn werkzaamheden met die organisatie in aanraking is gekomen, sprake is van een misstand voor zover:
    • de (dreigende) schending van een wettelijk voorschrift, waar-onder een (dreigend) strafbaar feit,
    • een (dreigend) gevaar voor de volksgezondheid,
    • een (dreigend) gevaar voor de veiligheid van personen,
    • een (dreigend) gevaar voor de aantasting van het milieu,
    • een (dreigend) gevaar voor het goed functioneren van de organisatie als gevolg van een onbehoorlijke wijze van handelen of nalaten,
    • een (dreigende) schending van andere regels dan een wettelijk voorschrift,
    • een (dreigende) verspilling van overheidsgeld,
    • (een dreiging van) het bewust achterhouden, vernietigen of manipuleren van informatie over de onder i t/m vii hierboven genoemde feiten;
    • het vermoeden gebaseerd is op redelijke gronden, die voortvloeien uit de kennis die de werknemer bij zijn werkgever heeft opgedaan of voortvloeien uit de kennis die de werknemer heeft gekregen door zijn werkzaamheden bij een ander bedrijf of een andere organisatie, en
    • het maatschappelijk belang in het geding is bij:
  • adviseur: een persoon die uit hoofde van zijn functie een geheimhoudings-plicht heeft en die door een werknemer in vertrouwen wordt geraadpleegd over een vermoeden van een misstand;
  • vertrouwenspersoon: degene die is aangewezen om als zodanig voor de organisatie van de werkgever te fungeren; als interne vertrouwenspersoon is mevrouw mr. Birgit M.B. Gruppen aangewezen. Als externe vertrouwens-persoon is aangewezen de heer Hans Hindriks, verbonden aan De Nieuwe Fabriek te Groningen;
  • afdeling advies van het Huis voor Klokkenluiders: de afdeling advies van het Huis, bedoeld in artikel 3a, lid 2, wet Huis voor Klokkenluiders;
  • melding: de melding van een vermoeden van een misstand of onregel-matigheid op grond van deze regeling;
  • melder: de werknemer die een vermoeden van een misstand of onregel-matigheid heeft gemeld op grond van deze regeling;
  • Dagelijks bestuur (hierna te noemen: “DB”): het orgaan of de persoon die de dagelijkse leiding heeft over de organisatie van de werkgever;
  • een vertegenwoordiging van de Algemene vergadering van Aandeel-houders van Trip Advocaten & Notarissen B.V. (hierna te noemen: “AvA”): het orgaan dat binnen de organisatie van de werkgever toezicht houdt op het DB;
  • contactpersoon: degene die door het DB na ontvangst van de melding, in overleg met de melder, is aangewezen, als contactpersoon met het oog op het tegengaan van benadeling.
  • onderzoekers: degenen aan wie het DB het onderzoek naar de misstand opdraagt;
  • externe instantie: de instantie die naar het redelijk oordeel van de melder het meest in aanmerking komt om de externe melding van het vermoeden van een misstand bij te doen;
  • externe derde: iedere organisatie of vertegenwoordiger van een organisatie die naar het redelijk oordeel van de melder in staat mag worden geacht direct of indirect de vermoede misstand te kunnen oplossen of doen oplossen;
  • afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders: de afdeling onderzoek van het Huis, bedoeld in artikel 3a, lid 3, wet Huis voor Klokkenluiders;

2. Daar waar in deze regeling de hij-vorm wordt gebruikt, dient mede de zij-vorm te worden gelezen.

Artikel 2 – Informatie, advies en ondersteuning voor de werknemer

  1. Een werknemer kan een adviseur in vertrouwen raadplegen over een vermoeden van een misstand.

  2. De werknemer kan de vertrouwenspersoon of het adviespunt klokkenluiders (de afdeling advies van het Huis voor de Klokkenluiders) verzoeken om informatie, advies en ondersteuning inzake het vermoeden van een misstand.

Artikel 3 – Interne melding door een werknemer van de werkgever

  1. Een werknemer met een vermoeden van een misstand of onregelmatigheid binnen de organisatie van zijn werkgever kan daarvan melding doen bij iedere leiding-gevende die binnen de organisatie hiërarchisch een hogere positie bekleedt dan hij. Indien de werknemer een redelijk vermoeden heeft dat het DB bij de vermoede misstand of onregelmatigheid betrokken is, kan hij de melding ook bij de AvA doen. In dat geval dient in deze regeling voor “het DB” verder “de AvA” te worden gelezen.

  2. De werknemer kan het vermoeden van een misstand of onregelmatigheid binnen de organisatie van zijn werkgever ook melden via de vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon stuurt de melding, in overleg met de werknemer, door naar een leidinggevende als bedoeld in het vorige lid, respectievelijk de AvA.

Artikel 4 – Interne melding door een werknemer van een andere organisatie

  1. Een werknemer van een andere organisatie die door zijn werkzaamheden met de organisatie van de werkgever in aanraking is gekomen, en een vermoeden heeft van een misstand binnen de organisatie van de werkgever kan daarvan melding doen bij iedere leidinggevende die binnen de organisatie van de werkgever hiërarchisch een gelijke of een hogere positie bekleedt dan hij. Indien de werk-nemer van een andere organisatie een redelijk vermoeden heeft dat het DB bij de vermoede misstand of onregelmatigheid betrokken is, kan hij de melding ook bij de AvA doen. In dat geval dient in deze regeling voor “het DB” verder “de AvA” te worden gelezen.

  2. De werknemer van een andere organisatie als bedoeld in het vorige lid kan het vermoeden van een misstand binnen de organisatie van de werkgever ook melden via de vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon stuurt de melding, in overleg met de werknemer, door naar een leidinggevende als bedoeld in het vorige lid, respectievelijk het DB.

Artikel 5 – Bescherming van de melder tegen benadeling

  1. De werkgever zal de melder niet benadelen in verband met het te goeder trouw en naar behoren melden van een vermoeden van een misstand of onregelmatigheid bij de werkgever, een andere organisatie, of een externe instantie als bedoeld in artikel 14 lid 3.

  2. Onder benadeling als bedoeld in lid 1 wordt in ieder geval verstaan het nemen van een benadelende maatregel, zoals:
    • het verlenen van ontslag, anders dan op eigen verzoek;
    • het tussentijds beëindigen of het niet verlengen van een tijdelijk dienstverband;
    • het niet omzetten van een tijdelijk dienstverband in een vast dienstverband;
    • het treffen van een disciplinaire maatregel;
    • het opleggen van een onderzoeks-, spreek-, werkplek- en/of contactverbod aan de melder of collega’s van de melder,
    • de opgelegde benoeming in een andere functie;
    • het uitbreiden of beperken van de taken van de melder, anders dan op eigen verzoek;
    • het verplaatsen of overplaatsen van de melder, anders dan op eigen verzoek;
    • het weigeren van een verzoek tot het verplaatsen of overplaatsen van de melder;
    • het wijzigen van de werkplek of het weigeren van een verzoek daartoe;
    • het onthouden van salarisverhoging, incidentele beloning, bonus, of toekenning van vergoedingen;
    • het onthouden van promotiekansen;
    • het niet accepteren van een ziekmelding, of het de werknemer als ziek geregistreerd laten.
    • het afwijzen van een verlofaanvraag;
    • het verlenen van verlof, anders dan op eigen verzoek;

  3. Van benadeling als bedoeld in lid 1 is ook sprake als een redelijke grond aanwezig is om de melder aan te spreken op zijn functioneren of een benadelende maatregel als bedoeld in lid 2 jegens hem te nemen, maar de maatregel die de werkgever neemt niet in redelijke verhouding tot staat tot die grond.

  4. Indien de werkgever jegens de melder binnen afzienbare tijd na het doen van een melding overgaat tot het nemen van een benadelende maatregel als bedoeld in lid 2, motiveert hij waarom hij deze maatregel nodig acht en dat deze maatregel geen verband houdt met het te goeder trouw en naar behoren melden van een vermoeden van een misstand of onregelmatigheid.

  5. De werkgever draagt er zorg voor dat leidinggevenden en collega’s van de melder zich onthouden van iedere vorm van benadeling in verband met het te goeder trouw en naar behoren melden van een vermoeden van een misstand of onregelmatigheid, die het professioneel of persoonlijk functioneren van de melder belemmert. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

    – het pesten, negeren en uitsluiten van de melder;
    – het maken van ongefundeerde of buitenproportionele verwijten ten aanzien van het functioneren van de melder;
    – het feitelijk opleggen van een onderzoeks-, spreek-, werkplek- en/of contactverbod aan de melder of collega’s van de melder, op welke wijze dan ook geformuleerd;
    – het intimideren van de melder door te dreigen met bepaalde maatregelen of gedragingen als hij zijn melding doorzet.

  6. De werkgever spreekt werknemers die zich schuldig maken aan benadeling van de melder daarop aan en kan hen een waarschuwing of een disciplinaire maatregel opleggen.

Artikel 6 – Het tegengaan van benadeling van de melder

  1. De op de voet van artikel 9 lid 6 aangewezen contactpersoon bespreekt onverwijld, samen met de melder, welke risico’s op benadeling aanwezig zijn, op welke wijze die risico’s kunnen worden verminderd en wat de werknemer kan doen als hij van mening is dat sprake is van benadeling. De contactpersoon draagt zorg voor een schriftelijke vaststelling hiervan, en legt deze vastlegging ter goedkeuring en ondertekening voor aan de melder. De melder ontvangt hiervan een afschrift.

  2. Indien de melder van mening is dat sprake is van benadeling, kan hij dat onverwijld bespreken met de contactpersoon. De contactpersoon en de melder bespreken ook welke maatregelen genomen kunnen worden om benadeling tegen te gaan. De contactpersoon draagt zorg voor een schriftelijke vaststelling hiervan, en legt deze vastlegging ter goedkeuring en ondertekening voor aan de melder. De contactpersoon stuurt het verslag onverwijld door aan het DB. De melder ontvangt hiervan een afschrift.

  3. Het DB draagt er zorg voor dat maatregelen, die nodig zijn om benadeling tegen te gaan, worden genomen.

Artikel 7 – Bescherming van andere betrokkenen tegen benadeling

  1. De werkgever zal de adviseur, die in dienst is van de werkgever, niet benadelen vanwege het fungeren als adviseur van de melder.

  2. De werkgever zal de vertrouwenspersoon niet benadelen vanwege het uitoefenen van de in deze regeling beschreven taken.

  3. De werkgever zal de contactpersoon niet benadelen vanwege het uitoefenen van de in deze regeling beschreven taken.

  4. De werkgever zal de onderzoekers die in dienst zijn van de werkgever niet benadelen vanwege het uitoefenen van de in deze regeling beschreven taken.

  5. De werkgever zal een werknemer die wordt gehoord door de onderzoekers niet benadelen in verband met het te goeder trouw afleggen van een verklaring.

  6. De werkgever zal een werknemer niet benadelen in verband met het door hem aan de onderzoekers verstrekken van documenten die naar zijn redelijk oordeel van belang zijn voor het onderzoek.

  7. Op benadeling van de in lid 1 t/m 6 bedoelde personen zijn artikel 5 lid 2 t/m 6 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8 – Vertrouwelijke omgang met de melding en de identiteit van de melder

  1. De werkgever draagt er zorg voor dat de informatie over de melding zodanig wordt bewaard dat deze fysiek en digitaal alleen toegankelijk is voor diegenen die bij de behandeling van deze melding betrokken zijn.

  2. Al diegenen die bij de behandeling van een melding betrokken zijn maken de identiteit van de melder niet bekend zonder uitdrukkelijke schriftelijke instemming van de melder en gaan met de informatie over de melding vertrouwelijk om.

  3. Indien het vermoeden van een misstand of onregelmatigheid is gemeld via de vertrouwenspersoon en de melder geen toestemming heeft gegeven zijn identiteit bekend te maken, wordt alle correspondentie over de melding verstuurd aan de vertrouwenspersoon en stuurt de vertrouwenspersoon dit onverwijld door aan de melder.

  4. Al diegenen die bij de behandeling van een melding betrokken zijn maken de identiteit van de adviseur niet bekend zonder uitdrukkelijke schriftelijke instemming van de melder en de adviseur.

Artikel 9 – Vastlegging, doorsturen en ontvangstbevestiging van de interne melding

  1. Indien de werknemer de melding van een vermoeden van een misstand of onregelmatigheid mondeling bij een leidinggevende doet of een schriftelijke melding van een mondelinge toelichting voorziet, draagt deze leidinggevende, in overleg met de melder, zorg voor een schriftelijke vaststelling hiervan, en legt deze vastlegging ter goedkeuring en ondertekening voor aan de melder. De melder ontvangt hiervan een afschrift.

  2. Indien de werknemer de melding van een vermoeden van een misstand of onregel-matigheid mondeling via de vertrouwenspersoon doet of een schriftelijke melding van een mondelinge toelichting voorziet, draagt deze vertrouwenspersoon, in overleg met de melder, zorg voor een schriftelijke vaststelling hiervan, en legt deze vastlegging ter goedkeuring en ondertekening voor aan de melder. De melder ontvangt hiervan een afschrift.

  3. De leidinggevende bij wie de melding is gedaan, stuurt de melding onverwijld door aan het DB.

  4. Indien de melder of de leidinggevende bij wie de melding is gedaan een redelijk vermoeden hebben dat het DB bij de vermoede misstand of onregelmatigheid betrokken is, stuurt de leidinggevende de melding onverwijld door aan de AvA. In dat geval dient in deze regeling voor “het DB” verder “de AvA” te worden gelezen.

  5. Het DB stuurt de melder onverwijld een bevestiging dat de melding is ontvangen. De ontvangstbevestiging bevat in ieder geval een zakelijke beschrijving van de melding, de datum waarop deze is ontvangen en een afschrift van de melding.

  6. Na ontvangst van de melding wijst het DB, in overleg met de melder, onverwijld een contactpersoon aan met het oog op het tegengaan van benadeling.

Artikel 10 – Behandeling van de interne melding door de werkgever

  1. Het DB stelt een onderzoek in naar het gemelde vermoeden van een misstand of onregelmatigheid, tenzij:
    a. het vermoeden niet gebaseerd is op redelijke gronden, of
    b. op voorhand duidelijk is dat het gemelde geen betrekking heeft op een vermoeden van een misstand of onregelmatigheid.

  2. Indien het DB besluit geen onderzoek in te stellen, informeert hij de melder daar binnen twee weken na de interne melding schriftelijk over. Daarbij wordt tevens aangegeven op grond waarvan het DB van oordeel is dat het vermoeden niet gebaseerd is op redelijke gronden, of dat op voorhand duidelijk is dat het gemelde geen betrekking heeft op een vermoeden van een misstand of onregelmatigheid.

  3. Het DB beoordeelt of een externe instantie als bedoeld in artikel 14 lid 3 van de interne melding van een vermoeden van een misstand op de hoogte moet worden gebracht. Indien de werkgever een externe instantie op de hoogte stelt, stuurt het DB de melder hiervan een afschrift, tenzij hiertegen ernstige bezwaren bestaan.

  4. Het DB draagt het onderzoek op aan onderzoekers die onafhankelijk en onpartijdig zijn, en laat het onderzoek in ieder geval niet uitvoeren door personen die mogelijk betrokken zijn of zijn geweest bij de vermoede misstand of onregelmatigheid.

  5. Het DB informeert de melder onverwijld schriftelijk dat een onderzoek is ingesteld en door wie het onderzoek wordt uitgevoerd. Het DB stuurt de melder daarbij een afschrift van de onderzoeksopdracht, tenzij hiertegen ernstige bezwaren bestaan.

  6. Het DB informeert de personen op wie een melding betrekking heeft over de melding en over het op de hoogte brengen van een externe instantie zoals bedoeld in lid 3, tenzij het onderzoeksbelang of het handhavingsbelang daardoor kunnen worden geschaad.

Artikel 11 – De uitvoering van het onderzoek

  1. De onderzoekers stellen de melder in de gelegenheid te worden gehoord. De onderzoekers dragen zorg voor een schriftelijke vaststelling hiervan, en leggen deze vastlegging ter goedkeuring en ondertekening voor aan de melder. De melder ontvangt hiervan een afschrift.

  2. De onderzoekers kunnen ook anderen horen. De onderzoekers dragen zorg voor een schriftelijke vaststelling hiervan, en leggen deze vastlegging ter goedkeuring en ondertekening voor aan degene die gehoord is. Degene die gehoord is ontvangt hiervan een afschrift.

  3. De onderzoekers kunnen binnen de organisatie van de werkgever alle documenten inzien en opvragen die zij voor het doen van het onderzoek redelijkerwijs nodig achten.

  4. Werknemers mogen de onderzoekers alle documenten verstrekken waarvan zij het redelijkerwijs nodig achten dat de onderzoekers daar in het kader van het onderzoek kennis van nemen.

  5. De onderzoekers stellen een concept onderzoeksrapport op en stellen de melder in de gelegenheid daar opmerkingen bij te maken, tenzij hiertegen ernstige bezwaren bestaan.

  6. De onderzoekers stellen vervolgens het onderzoeksrapport vast. Zij sturen de melder hiervan een afschrift, tenzij hiertegen ernstige bezwaren bestaan.

Artikel 12 – Standpunt van de werkgever

  1. Het DB informeert de melder binnen acht weken na de melding schriftelijk over het inhoudelijk standpunt met betrekking tot het gemelde vermoeden van een missstand of onregelmatigheid. Daarbij wordt tevens aangegeven tot welke stappen de melding heeft geleid.

  2. Indien duidelijk wordt dat het standpunt niet binnen acht weken kan worden gegeven, informeert het DB de melder daar schriftelijk over. Daarbij wordt aangegeven binnen welke termijn de melder het standpunt tegemoet kan zien. De verlenging van de termijn mag maximaal vier weken bedragen.

  3. Na afronding van het onderzoek beoordeelt het DB of een externe instantie als bedoeld in artikel 14 lid 3 van de interne melding van een vermoeden van een misstand en van het onderzoeksrapport en het standpunt van de werkgever op de hoogte moet worden gebracht. Indien de werkgever een externe instantie op de hoogte stelt, stuurt hij de melder hiervan een afschrift, tenzij hiertegen ernstige bezwaren bestaan.

  4. De leden 1 t/m 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de personen op wie de melding betrekking heeft, tenzij het onderzoeksbelang of het handhavingsbelang daardoor kunnen worden geschaad.

Artikel 13 – Hoor en wederhoor ten aanzien van onderzoeksrapport en standpunt werkgever

  1. De werkgever stelt de melder in de gelegenheid op het onderzoeksrapport en het standpunt van de werkgever te reageren.

  2. Indien de melder in reactie op het onderzoeksrapport of het standpunt van de werkgever onderbouwd aangeeft dat het vermoeden van een onregelmatigheid of misstand niet daadwerkelijk of niet deugdelijk is onderzocht of dat in het onderzoeksrapport of het standpunt van de werkgever sprake is van wezenlijke onjuistheden, reageert de werkgever hier inhoudelijk op en stelt hij zo nodig een nieuw of aanvullend onderzoek in. Op dit nieuwe of aanvullende onderzoek zijn artikel 10 t/m 13 van overeenkomstige toepassing.

  3. Indien de werkgever een externe instantie als bedoeld in artikel 14 lid 3 op de hoogte brengt of heeft gebracht, stuurt hij ook de hiervoor bedoelde reactie van de melder op het onderzoeksrapport en het standpunt van de werkgever aan die externe instantie toe. De melder ontvangt hiervan een afschrift.

Artikel 14 – Externe melding

  1. Na het doen van een interne melding van een vermoeden van een misstand, kan de melder een externe melding doen indien:
    a. de melder het niet eens is met het standpunt als bedoeld in artikel 12 en van oordeel is dat het vermoeden ten onrechte terzijde is gelegd;
    b.de melder geen standpunt heeft ontvangen binnen de termijn als bedoeld in artikel 12 lid 1 of lid 2.

  2. De melder kan direct een externe melding doen van een vermoeden van een misstand indien het eerst doen van een interne melding in redelijkheid niet van hem kan worden gevraagd. Dat is in ieder geval aan de orde indien dit uit enig wettelijk voorschrift voortvloeit of sprake is van:
    a. acuut gevaar, waarbij een zwaarwegend en spoedeisend maatschappelijk belang onmiddellijke externe melding noodzakelijk maakt;
    b. een redelijk vermoeden dat de hoogste verantwoordelijke binnen de organisatie van de werkgever bij de vermoede misstand betrokken is;
    c. een situatie waarin de melder in redelijkheid kan vrezen voor tegenmaat-regelen in verband met het doen van een interne melding;
    d. een duidelijk aanwijsbare dreiging van verduistering of vernietiging van bewijsmateriaal;
    e. een eerdere melding overeenkomstig de procedure van dezelfde misstand, die de misstand niet heeft weggenomen;
    f. een plicht tot directe externe melding.

  3. De melder kan de externe melding doen bij een externe instantie die daarvoor naar het redelijk oordeel van de melder het meest in aanmerking komt. Onder externe instantie wordt in ieder geval verstaan:
    a. een instantie die is belast met de opsporing van strafbare feiten;
    b. een instantie die is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift;
    c. een andere daartoe bevoegde instantie waar het vermoeden van een misstand kan worden gemeld, waaronder de afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders.

  4. Indien naar het redelijk oordeel van de melder het maatschappelijk belang zwaarder weegt dan het belang van de werkgever bij geheimhouding, kan de melder de externe melding ook doen bij een externe derde die naar zijn redelijk oordeel in staat mag worden geacht direct of indirect de vermoede misstand te kunnen opheffen of doen opheffen.

Artikel 15 – Intern en extern onderzoek naar benadeling van de melder

  1. De melder die meent dat sprake is van benadeling in verband met het doen van een melding van een vermoeden van een misstand, kan de hoogste leiding-gevende verzoeken om onderzoek te doen naar de wijze waarop er binnen de organisatie met hem wordt omgegaan.

  2. De artikelen 10 t/m 13 zijn van overeenkomstige toepassing.

  3. Lid 1 en 2 zijn op de in artikel 7 lid 1 t/m 5 bedoelde personen van overeen-komstige toepassing.

  4. De melder kan ook de afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders verzoeken om een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop de werkgever zich jegens hem heeft gedragen naar aanleiding van de melding van een vermoeden van een misstand.

Artikel 16. Publicatie, rapportage en evaluatie

  1. Het DB draagt er zorg voor dat deze regeling wordt gepubliceerd op TripNet en openbaar wordt gemaakt op de website van de werkgever.

  2. Het DB stelt jaarlijks een rapportage op over het beleid aangaande het omgaan met het melden van vermoedens van misstanden en onregelmatigheden en de uitvoering van deze regeling. Deze rapportage bevat in ieder geval:
    a. informatie over de in het afgelopen jaar gevoerde beleid aangaande het omgaan met het melden van vermoedens van misstanden en onregel-matigheden en het in het komende jaar te voeren beleid op dit vlak;
    b.informatie over het aantal meldingen en een indicatie van de aard van de meldingen, de uitkomsten van de onderzoeken en de standpunten van de werkgever;
    c. algemene informatie over de ervaringen met het tegengaan van benadeling van de melder;
    d. informatie over het aantal verzoeken om onderzoek naar benadeling in verband met het doen van een melding van een vermoeden van een misstand en een indicatie van de uitkomsten van de onderzoeken en de standpunten van de werkgever.

Artikel 17 – Inwerkingtreding regeling en intrekking vigerende regeling

  1. Deze regeling treedt in werking op 1 juli 2016.

  2. Deze regeling wordt aangehaald als “de regeling voor het omgaan met het melden van een vermoeden van een misstand bij Trip Advocaten & Notarissen B.V.” of kortweg “Regeling omgaan met melden vermoeden misstand Trip Advocaten & Notarissen B.V.”.

 

ONZE MENSEN VAN A TOT Z//
  • Is uw organisatie ‘privacyproof?’ NAAR NIEUWS//
  • Geen bemiddelingskosten meer voor particuliere huurder NAAR NIEUWS//
  • Aanzeggen! Hoe zit dat nu ook al weer? NAAR NIEUWS//
  • Centraal aandeelhoudersregister, is dan niets meer privé? NAAR NIEUWS//
  • Incasso debiteuren, regel het goed! NAAR NIEUWS//
  • Is uw organisatie klaar voor de invoering van de Wet Huis voor Klokkenluiders?
  • één maand korter om uw jaarrekening vast te stellen en te publiceren NAAR NIEUWS//
  • Automatisch gezag bij erkenning?
  • Restschuld na crisis; kan ik mijn bank daarvoor verantwoordelijk houden?
  • Geen huwelijkse voorwaarden? Toch blijft privé, wat privé was.
  • Ontslag nemen, lagere alimentatie?
  • Belangrijke termijn voor werknemers bij ontslag op staande voet
  • Dienstverband laten ‘slapen’ om geen transitievergoeding te hoeven betalen, is toegestaan
  • Twaalf jaar partneralimentatie?
  • Van twee naar vier ouders?
  • Overlast door huurders: wat vindt het Gerechtshof daarvan?
  • De failliete huurder: leegstandschade en de bankgarantie
  • Wetsvoorstel UBO-register omvat nieuwe ‘terugmeldingsplicht’ Wwft-instellingen
  • Is uw gedragsverklaring aanbesteden nog geldig?
  • Een werknemer met twee dienstverbanden? Houd rekening met de Arbeidstijdenwet!
  • Strafvervolging voor bestuurder van beboete rechtspersoon
  • Nieuw ROZ-model huurovereenkomst voor woonruimte
  • Het adviesrecht van de ondernemingsraad in geval van faillissement
  • Transitievergoeding ook verschuldigd bij dienstverband van exact 24 maanden
ANNETTE KROON