Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

In de Successiewet is de zogenaamde bedrijfsopvolgingsregeling opgenomen (hierna te noemen: BOR). Onder omstandigheden is een schenking of vererving van ondernemingsvermogen geheel of gedeeltelijk vrijgesteld van heffing van schenk- of erfbelasting. Deze vrijstelling houdt in dat over € 1.006.000,00 van dit ondernemingsvermogen geen belasting hoeft te worden betaald. Over het meerdere is 83% van het ondernemingsvermogen vrijgesteld als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Deze vrijstelling geldt alleen voor degenen die ondernemingsvermogen geschonken krijgen of erven; niet-ondernemingsvermogen (privé-vermogen) wordt in principe volledig belast.

BOR in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod?
In 2012 heeft de rechtbank Breda echter geoordeeld dat de BOR in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod zoals opgenomen in diverse internationale verdragen. De rechtbank vond dat ook verkrijgers van niet-ondernemingsvermogen recht hebben op toepassing van de BOR. De opzienbarende uitspraak van de rechtbank Breda heeft tot veel consternatie geleid. Toekenning van de BOR voor niet-ondernemingsvermogen heeft immers grote budgettaire gevolgen voor de overheid. Ook zijn duizenden bezwaarschriften ingediend tegen opgelegde aanslagen erfbelasting en schenkbelasting. Daarvan zijn vijf gevallen geselecteerd, die voorgelegd zijn aan de Hoge Raad.

Advies Advocaat-Generaal IJzerman

Voorafgaand aan de uitspraak van de Hoge Raad heeft Advocaat-Generaal IJzerman (A-G) de BOR uitvoering geanalyseerd en de Hoge Raad geadviseerd om particulieren tot op bepaalde hoogte te laten delen in vrijstellingen voor de erf- en schenkbelasting bij bedrijfsopvolging. Volgens de A-G is sprake van een gerechtvaardigd onderscheid tussen ondernemingsvermogen en niet-ondernemingsvermogen, voor zover de BOR het ondernemingsvermogen voor maximaal 75% vrijstelt. De rechtvaardiging wordt gevonden in het voorkomen van liquiditeitsproblemen bij vererving van ondernemingsvermogen. Sinds 2010 is de vrijstelling echter verhoogd van 75% tot 100%, waardoor volgens de A-G nu sprake is van een onaanvaardbare ongelijke behandeling tussen ondernemingsvermogen en niet-ondernemingsvermogen. De A-G is van mening dat ook niet-ondernemingsvermogen voor een bepaald gedeelte in aanmerking komt voor een vrijstelling, namelijk voor het gedeelte boven de 75% van de BOR, ongeacht de hoogte van de verkrijging.

Oordeel van de Hoge Raad

Op 22 november 2013 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het door de wetgever gemaakte onderscheid tussen particulier- en ondernemingsvermogen niet discriminerend is. Het internationale gelijkheidsbeginsel verbiedt niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar alleen die waarvoor een redelijke en objectieve rechtvaardiging ontbreekt. Er is slechts sprake van verboden discriminatie indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel. De wetgever heeft hierbij op fiscaal gebied volgens de internationale normen in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid. De keuze van de wetgever moet worden geëerbiedigd, zolang het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon (zoals geslacht, ras en etnische afkomst). De wetgever heeft met de BOR een oplossing willen bieden voor de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij bedrijfsopvolgingen. Voor zover de wetgever zich hierbij heeft gebaseerd op veronderstellingen omtrent de noodzaak en doelmatigheid van de BOR, kan niet worden gezegd dat deze veronderstellingen zo weinig voor de hand liggen dat zij evident onredelijk zijn.

Wellicht roept de uitspraak van de Hoge Raad bij u de nodige vragen op. Mocht u hierover nadere inlichtingen wensen, dan kunt u contact opnemen met uw adviseur bij TRIP Advocaten & Notarissen.