Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

PAS na Luxemburg uitsluitsel – Afdeling stelt prejudiciële vragen aan Hof van Justitie

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259 en ECLI:NL:RVS:2017:1260

 

Relevantie 

  • De juridische houdbaarheid van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) blijft onduidelijk zolang het Hof van Justitie (Hof) de prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) nog niet heeft beantwoord en de Afdeling nog geen einduitspraak heeft gedaan.
  • Uitsluitsel zal waarschijnlijk niet voor medio 2018 verkregen worden. In de tussentijd houdt de Afdeling alle zaken over het PAS aan.
  • De Afdeling zelf is positief gestemd over de verenigbaarheid van het PAS met de Habitatrichtlijn en motiveert dat uitvoerig.
  • De Afdeling heeft geen voorlopige voorziening getroffen; de verleende toestemmingen blijven in afwachting van de uitspraak gelden. Nieuwe meldingen en toestemmingen zijn mogelijk, maar net als voor de bestaande is de juridische houdbaarheid ervan onduidelijk totdat de Afdeling einduitspraak heeft gedaan.

Uitspraken PAS: neerslag van jarenlange strijd

Op 17 mei 2017 heeft de Afdeling twee belangrijke uitspraken gedaan over het PAS. De komst van deze uitspraken werd door de Afdeling vorig jaar al aangekondigd. In dit nieuwsbericht volsta ik met een signalering van de belangrijkste elementen van de twee uitspraken.

Voor een beschrijving van het PAS verwijs ik naar een artikel verschenen in Bouwrecht dat ik daarover samen met Annemarie Drahmann schreef.

Depositieruimte

De Afdeling oordeelt zelf alvast dat de onderbouwing van het PAS wat betreft de beschikbare depositieruimte en de verdeling daarvan onvoldoende is. Dit is echter geen reden tot het opleggen van een voorlopige maatregel: de Afdeling acht het aannemelijk dat het PAS in principe gebruikt kan worden, mogelijk met minder depositieruimte. De beschikbare depositieruimte in het PAS is verdeeld in twee blokken van drie jaar. Voor zover er minder depositieruimte beschikbaar is dan aanvankelijk gedacht, ziet de Afdeling ruimte om deze ruimte ‘af te snoepen’ van de depositieruimte die aanvankelijk beschikbaar zou zijn in het tweede blok, vanaf 1 juli 2018.

Daarom treft de Afdeling geen voorlopige maatregel hangende beantwoording van de vragen door het Hof dan wel totdat een goede onderbouwing voor de beschikbare depositieruimte en de verdeling daarvan is gegeven. Door de buffer in het tweede blok van de PAS-periode, zal de uitvoering van het PAS volgens de Afdeling geen onomkeerbare gevolgen hebben.

Prejudiciële vragen

De Afdeling legt in haar twee uitspraken in totaal dertien vragen voor aan het Hof, waarvan ik vanwege de omvang alleen de kernvragen bespreek. 

In het systeem van het PAS geldt voor projecten en handelingen onder de drempelwaarde (0,05 mol per hectare per jaar) geen vergunningplicht. Hieraan ligt de passende beoordeling van het PAS ten grondslag. Deze passende beoordeling maakt dat geen individuele passende beoordelingen hoeven te worden gemaakt. De gevolgen van alle projecten en andere handelingen tezamen die gebruik kunnen maken van het PAS zijn wel beoordeeld.

De eerste prejudiciële vraag ziet op dit onderdeel van het PAS. De Afdeling vraagt het Hof of dit zich verdraagt met de Habitatrichtlijn, die per project een passende beoordeling vraagt wanneer significante effecten niet zijn uitgesloten. De Afdeling acht zelf aannemelijk, en motiveert dit ook uitvoerig, dat deze systematiek in overeenstemming is met de Habitatrichtlijn. Het Hof moet aangeven of dat juist is.

De tweede vraag ligt in het verlengde met de eerste vraag, namelijk of voor projecten en handelingen boven de drempelwaarde, waarvoor een vergunningplicht geldt, een beroep kan worden gedaan op de passende beoordeling van het PAS. Ook deze vraag beantwoordt de Afdeling na een uitgebreide motivering positief. Blijkbaar ziet de Afdeling toch ruimte voor twijfel; het Hof dient uitsluitsel te geven.

De derde en vierde vraag houden verband met de inhoud van de passende beoordeling bij het PAS. De Afdeling vraagt zich af of in de passende beoordeling de positieve gevolgen van instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen voor bestaande arealen van habitattypen en leefgebieden kunnen worden betrokken, die worden getroffen in verband met de verplichtingen die voortvloeien uit de Habitatrichtlijn.

Wanneer deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, wil de Afdeling weten of de positieve gevolgen van de instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen in de passende beoordeling mogen worden betrokken als deze ten tijde van de passende beoordeling nog niet zijn uitgevoerd en het positieve effect daarvan nog niet is verwezenlijkt.

Een andere vraag is of de positieve gevolgen van de autonome daling van stikstofdepositie die zich zal manifesteren in de periode waarin het PAS geldt, in de passende beoordeling mogen worden betrokken. De Afdeling vindt van wel maar wil weten of dat terecht is.

De laatste belangrijke vraag is of de herstelmaatregelen die in het PAS worden genoemd, kwalificeren als mitigerende maatregelen, die in dat geval in de passende beoordeling kunnen worden betrokken. De Afdeling beantwoordt ook deze vraag positief en geeft daarbij een belangrijk inzicht in haar visie over het onderscheid tussen de begrippen mitigatie en compensatie.

Urgentie

De Afdeling heeft over het PAS zo’n 200 procedures lopen. Het gaat daarbij om natuurvergunningen, omgevingsvergunningen, bestemmingsplannen en handhavingsbesluiten voor onder meer veehouderijen, woningbouwprojecten en de aanleg van wegen. Er is dan ook een groot economisch én natuurbelang bij spoedige duidelijkheid over de juridische houdbaarheid van het PAS. De Afdeling heeft het Hof daarom verzocht de vragen met voorrang te beantwoorden en uiterlijk op 1 juli 2018 uitspraak te doen.

Heb je vragen of opmerkingen over dit stuk? Neem gerust contact op met Derek Sietses.