Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

Invordering dwangsommen: wees op tijd, maar niet te vroeg …

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 26 april 2016, nr. 201502142

Kern:

  • Verjaring is een spelbreker bij het kunnen innen van dwangsommen.
  • Tijdig stuiten van verjaring is lastiger dan je denkt.
  • Een invorderingsbeschikking stuit niet, een aanmaning wel.
  • De bewoording daarvan steekt krap.
  • De combinatie van invorderingsbeschikking en aanmaning is riskant; niet doen dus.

Inleiding

Innen van verbeurde dwangsommen is een kunst apart. Wanneer een bedrijf niet voldoet aan een last onder dwangsom, wordt de dwangsom van rechtswege verbeurd (artikel 5:33 en 5:31d, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dan is het voor de overheid zaak om die dwangsommen tijdig te innen. Dwangsommen kennen een bijzondere, korte verjaringstermijn van één jaar. Het bedrijf heeft zes weken de tijd om de verbeurde dwangsom te betalen (artikel 5:33 van de Awb). De verjaring loopt dan al zes weken (en begint dus niet pas daarna).

€150.000 verbeurd: het innen kan beginnen

Tijdig innen is de leus, maar je kunt ook té tijdig innen. Daar ging het over in genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Een bedrijf verrichtte zonder omgevingsvergunning bouwwerkzaamheden aan een loods. Het college van B&W van Druten legde lasten onder dwangsom op, voor in totaal € 150.000. Die werden ook verbeurd. Vervolgens nam de gemeente invorderingsbeschikkingen; daarin was vermeld dat “bij het niet voldoen aan de invordering, een invordering bij dwangbevel volgt, dat op uw kosten per deurwaardersexploot aan u zal worden betekend.”

Klare taal, dacht de gemeente. Het bedrijf betaalde echter niet.

“Wij verzoeken u vriendelijk dit bedrag over te maken…”

Daarop stuurde de gemeente een aanmaning, met als aanhef:  “herinnering”. In de aanmaning werd het bedrijf vriendelijk verzocht € 150.000 binnen de aangegeven termijn over te maken.

Tussen het verbeuren van de dwangsommen en de aanmaning zat ongeveer drie maanden. Een aanmaning stuit de verjaring (zie de artikelen 4:106 en 4:112 van de Awb). Zoals gesteld verjaart een dwangsom na een jaar nadat deze is verbeurd; de gemeente had dus ruim op tijd de verjaring gestuit, zo dacht zij.

Dwangsom is verjaard, aldus rechtbank en Afdeling

Ook na de aanmaning betaalde het bedrijf niet. Het was inmiddels in bezwaar en beroep gegaan tegen het dwangsombesluit. Tot verbijstering van de gemeente oordeelde de rechtbank dat de dwangsommen inmiddels waren verjaard; de gemeente kon dus niet meer invorderen. In hoger beroep onderschrijft de Afdeling dat sprake was van verjaring: de “aanmaning” had de verjaring niet gestuit, omdat het geen aanmaning was in de zin van artikel 4:112 van de Awb.

Onmiskenbare waarschuwing dat dwanginvordering zal volgen

Een échte aanmaning, met stuitende werking, moet de voor de aangeschrevene onmiskenbare waarschuwing bevatten dat als hij niet tijdig betaalt, na afloop van de daarin vermelde betalingstermijn, dwanginvordering zal volgen. In de woorden van artikel 4:112 van de Awb, dat “…bij niet tijdige betaling deze kan worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar uit te voeren invorderingsmaatregelen” en dat betekent een dwangbevel en tenuitvoerlegging daarvan door de deurwaarder.

De “aanmaning” van de gemeente was niet veel meer dan een betalingsherinnering – en dat is te weinig. De rechtszekerheid vergt dat het bedrijf precies weet wat het te wachten staat als het niet tijdig betaalt. Aan die eis was niet voldaan, vond de rechter (zie ook ABRvS 22 juli 2015, nr. 201406677, AB 2015/302).

Tijdig aanmanen kan ook té tijdig zijn…

Maar hoe zat het dan met de hiervoor genoemde invorderingsbeschikkingen? Daarin was toch met zoveel woorden opgenomen dat bij niet-tijdige betaling, een invordering bij dwangbevel volgt, dat op kosten van het bedrijf per deurwaardersexploot aan hem zal worden betekend? De gemeente had in de procedures aangevoerd dat dat een aanmaning was die voldeed aan artikel 4:112 van de Awb.

De Afdeling doet dit eenvoudig af met de overweging dat dit géén aanmaning in de zin van dat artikel was: de invorderingsbeschikkingen waren binnen een paar weken na het van rechtswege verbeuren van de dwangsommen genomen, maar toen was de hiervoor genoemde wettelijke betalingstermijn van zes weken na verbeuren van de dwangsommen, nog niet verstreken (zie artikel 5:33 van de Awb). De aanmaning was dus veel te vroeg; het bedrijf was nog niet “in verzuim” (zie artikel 4:97 van de Awb) en er kan pas worden aangemaand als daarvan wèl sprake is (zie artikel 4:112 van de Awb).

Tip: apart aanmanen, na invorderingsbeschikking

De vraag is of de overheid sowieso al in een invorderingsbeschikking een aanmaning mag opnemen. Dat zou voor de praktijk erg praktisch zijn: anders dan vaak wordt gedacht, stuit een invorderingsbeschikking de verjaring niet. Een aanmaning doet dat wel. Als de aanmaning in de invorderingsbeschikking kan worden opgenomen, dan zal er veel minder vaak sprake zijn van verjaring, zo is de verwachting. Maar: de Afdeling heeft die combinatie niet expliciet aanvaard – en zolang dat niet is gebeurd, doet de overheid er goed aan ná de invorderingsbeschikking, voor zover nodig, apart een aanmaning te sturen.  

Bewoording aanmaning luistert nauw

Dat de bewoording van een aanmaning nauw luistert, bleek ook al eerder dit jaar, uit een uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2016 (nr. 201407597; AB 2016/209). De gemeente Reusel-De Mierden had in haar aanmaning vermeld dat indien het desbetreffende bedrijf niet binnen twee weken na verzenddatum betaalt, een gerechtsdeurwaarder wordt ingeschakeld. De desbetreffende kosten zullen naast het dwangsombedrag, de kosten van de aanmaning en de opgelopen wettelijke rente op het bedrijf worden verhaald.

De gemeente besloot met de mededeling dat zij echter vertrouwde op vrijwillige betaling binnen de gestelde termijn.

En dat bleek een fatale zin…

De Afdeling vond dat de gemeente met deze “aanmaning”, het bedrijf in de gelegenheid had gesteld vrijwillig te betalen, waaruit het bedrijf heeft kunnen afleiden dat de gemeente eerst ná die termijn daadwerkelijk een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 van de Awb zou sturen. De gemeente had dus geen echte aanmaning verstuurd maar niet meer dan een betalingsherinnering. Dat is onvoldoende voor stuiting van de verjaring en het is onvoldoende als basis voor een daarop volgend dwangbevel.

Conclusie

Invorderen vergt grote nauwkeurigheid; de rechter toetst heel precies. En terecht: het gaat immers om dwangmiddelen met mogelijk grote financiële gevolgen. Het komt er in de invorderingspraktijk dan ook op aan, zorgvuldig de benodigde stappen te nemen en de juiste formuleringen te gebruiken. De jurisprudentie laat zien dat dat nog wel eens mis gaat…

Voor vragen of opmerkingen: mr. Hans van Ophem