Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

INFORMATIEVERZOEK OF WOB-VERZOEK: HOUD HET JUISTE SPOOR

ABRvS 8 juni 2016, zaaknummer 201508926/1/A3

Relevantie:

  • Vat het bestuursorgaan een ‘gewoon’ verzoek om informatie ten onrechte op als een verzoek om openbaarmaking in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob), dan kan dat leiden tot (onnodige) procedures.

Wob-verzoek of informatieverzoek?

Het gebeurt met enige regelmaat dat het bestuursorgaan en/of de burger een ‘gewoon’ informatieverzoek ten onrechte aanmerkt als Wob-verzoek, met (onnodige) procedures tot gevolg. Wordt louter om informatie wordt verzocht, zónder verstrekking van documenten, dan is volgens de Afdeling geen sprake van een Wob-verzoek. Het antwoord van het bestuursorgaan op zulke informatieve vragen is dan geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daar staat dus ook geen publiekrechtelijke rechtsbescherming tegen open. Van een Wob-verzoek is wél sprake, aldus de Afdeling, wanneer de verzoeker een uitdrukkelijk beroep op de Wob doet én openbaarmaking van de documenten beoogt.

Ingewikkelder wordt het wanneer de verzoeker vermeldt dat hij bepaalde documenten alleen maar wil inzien, maar vervolgens, in een herhaald verzoek om inzage, aangeeft dat zijn verzoek een “Wob-verzoek” betreft. Dat schept verwarring. (Ook) de Wob staat immers toe dat de informatie kan worden verstrekt door de verzoeker – die dat wenst – in de gelegenheid te stellen om (alleen maar) kennis te nemen van de desbetreffende documenten, dus: zonder kopieën te verschaffen. Is er in zo’n geval, waarbij het verzoek op twee gedachten lijkt te hinken, nou sprake van een ‘gewoon’ informatieverzoek of van een Wob-verzoek? En is het antwoord van het bestuursorgaan op zo’n verzoek een (aan beslistermijnen gebonden) besluit? Over die vragen heeft de Afdeling zich onlangs gebogen. De feiten waren als volgt.

Een verkeerd gekozen ‘vertrekpunt’ doet de zaak ontsporen

Een inwoner van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant) vroeg het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum (hierna: het dagelijks bestuur), bij brief van 10 september 2012, om hem te laten weten of in het gemeentearchief stukken aanwezig waren met betrekking tot de verbreding van de spoorweg tussen het Centraal Station en station Sloterdijk in de periode 1990 – 1994. Zo ja, dan wilde hij graag weten of hij deze stukken kon inzien.

Het dagelijks bestuur antwoordde ongeveer anderhalve maand later: er was een dossier in het archief gevonden, dat appellant kon komen inzien. Daarbij vermeldde het dagelijks bestuur dat het verzoek van appellant werd gezien als een verzoek in het kader van de Wob.

Het dossier bleek echter betrekking te hebben op een ándere periode. Om die reden heeft appellant (bij brief van 30 oktober 2012) zijn eerdere verzoek om inzage in het dossier van vóór 1994 herhaald. In zijn brief vermeldde hij ditmaal expliciet dat zijn verzoek een “Wob verzoek spoorverbreding” betrof. Nadat er vier weken waren verstreken (de beslistermijn van artikel 6, eerste lid van de Wob) stelde appellant het dagelijks bestuur in gebreke wegens het niet tijdig nemen van een beschikking op een aanvraag (als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, van de Awb).

Het dagelijks bestuur heeft vervolgens (bij brief van 10 januari 2013) aan appellant meegedeeld welke stukken in het dossier van vóór 1994 beschikbaar waren en dat appellant deze stukken op afspraak kon komen inzien. Ook heeft het dagelijks bestuur, bij besluit van 27 februari 2013, aan appellant een dwangsom toegekend van € 640, gerekend tót 10 januari 2013. Appellant, die meende recht te hebben op het maximum aan dwangsommen omdat inzage pas plaatsvond op 25 januari 2013, ging daartegen in bezwaar en vervolgens in beroep.

Dat leidde, voor zover van belang, tot gegrondverklaring van zijn beroep en vernietiging van de beslissing op bezwaar. De rechtbank liet de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar echter in stand, zodat appellant per saldo niets opschoot met zijn beroep. Hij ging daarom in hoger beroep, maar overspeelde daarmee zijn hand…

Ambtshalve toetsing met als resultaat: geen dwangsom verbeurd

De Afdeling oordeelde namelijk ambtshalve dat de brief van 10 januari 2013, waarin het dagelijks bestuur aan appellant meedeelde dat hij de stukken kon komen inzien, géén beschikking is op een Wob-verzoek. Dat oordeel berust op de navolgende overwegingen.

Het eerste verzoek van appellant is géén Wob-verzoek, maar (slechts) een verzoek om stukken in de gemeentelijke archieven te mogen inzien:

(i) de Wob is in dat verzoek immers niet genoemd en;
(ii) het verzoek had, zoals appellant ter zitting heeft bevestigd, ook niet de strekking documenten voor een ieder openbaar te maken.

In zijn tweede brief heeft appellant de Wob wèl expliciet genoemd, maar deze brief is alleen maar een herhaling van het eerste informatieverzoek. Bovendien, zo overweegt de Afdeling, lijkt appellant de desbetreffende tekst (“Betreft: Wob verzoek spoorverbreding”) slechts te hebben opgenomen, omdat in de brief van het dagelijks bestuur (per abuis) is aangegeven dat het verzoek van appellant is opgevat als een Wob-verzoek. Ook de tweede brief is dus geen Wob-verzoek, maar (slechts) een herhaald verzoek om stukken te mogen inzien, aldus de Afdeling.

Dat brengt vervolgens mee dat de in de Wob genoemde beslistermijn niet van toepassing is. En: omdat het verzoek ook geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb is, zijn de beslistermijnen uit de Awb evenmin van toepassing. De conclusie van de Afdeling luidt dan ook dat van het niet tijdig nemen van een beschikking op een aanvraag geen sprake was. Dat betekent volgens de Afdeling óók dat het algemeen bestuur in het geheel geen dwangsom aan appellant verschuldigd was en dat het die dwangsom desgewenst zelfs kan terugvorderen.

Praktijkles

Van een Wob-verzoek is, blijkens de jurisprudentie, – in ieder geval – sprake als:

(i) de gevraagde informatie betrekking heeft op een bestuurlijke aangelegenheid;
(ii) de gevraagde informatie is neergelegd in documenten;
(iii) het verzoek de strekking heeft de documenten voor een ieder openbaar te maken en;
(iv) de Wob wordt genoemd.

Het verzoek is zeer waarschijnlijk een ‘gewoon’ verzoek om informatie, indien aan (een of meer van) deze criteria niet wordt voldaan. Zeker wanneer het onduidelijk is of de verzoeker daadwerkelijk openbaarheid ‘voor een ieder’ beoogt, is het raadzaam dat vroegtijdig na te gaan. Is openbaarheid voor een ieder het doel, dan zullen er beslistermijnen zijn gaan lopen en staan er tegen de uiteindelijke beslissing rechtsmiddelen open. Beoogt de verzoeker daarentegen géén openbaarheid, dan moeten, bij de beantwoording van het verzoek, misverstanden over de aard van zowel het verzoek als het antwoord zoveel mogelijk worden voorkomen.

Voor vragen of opmerkingen: Meriam Bauman