Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

Hoge raad geeft meer duidelijkheid over (mogelijke) aansprakelijkheid van grondroerders ná de invoering van de WION (wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten) op 1 juli 2008, in het bijzonder over welke zorgvuldigheid van een grondroerder mag worden verlangd

Uitspraak van de Hoge Raad d.d. 25-05-2018, datum publicatie 25-05-2018, zaaknummer 17/00069 (ECLI:NL:HR:2018:772)

Relevantie  

  • Aansprakelijkheid voor graafschade aan ondergrondse kabels en leidingen.

  • Betekenis van nauwkeurigheidseisen, gesteld aan door netbeheerder – op grond van artikel 5 lid 2 Besluit Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (BION) – aan een grondroerder verstrekte tekeningen, in relatie tot de Richtlijn Zorgvuldig Graafproces.

  • Weliswaar legt artikel 5 lid 2 BION op de netbeheerder de verplichting gegevens over de horizontale ligging van kabels en leidingen te baseren op metingen met een nauwkeurigheid van ten minste één meter, maar, in het bijzonder gelet op de doelstelling van de WION om gevallen van schade aan kabels en leidingen te verminderen, mag de grondroerder er niet zonder meer op vertrouwen dat de hem verstrekte tekening aan deze eis voldoet. De werkelijke ligging van het net kan immers door tal van oorzaken van de tekening afwijken.

  • Bij de aansprakelijkheid voor graafschade aan kabels en leidingen gaat het uiteindelijk om een afweging waarbij onder meer de bezwaarlijkheid van door de grondroerder en door de netbeheerder te nemen voorzorgsmaatregelen moet worden bezien, ook in hun onderlinge verhouding, en waarbij deze moet worden afgezet tegen de mogelijke gevolgen van het beschadigen van kabels of leidingen. Bij gebreke van concrete wettelijke normering, komt bij die afweging, en daarmee bij de invulling van de maatschappelijke zorgvuldigheid, groot gewicht toe aan de Richtlijn, die is vastgesteld door een breed samengesteld, technisch geschoold gezelschap waarin zowel opdrachtgevers, (grotere) grondroerders als beheerders vertegenwoordigd waren. Aldus vormt de Richtlijn de weerslag van de binnen de beroepsgroep geldende opvattingen omtrent zorgvuldig handelen. Ook bij de totstandkoming van de WION is gewezen op het belang van door de sector te maken afspraken. Bovendien is het voor de graafpraktijk van belang dat duidelijkheid bestaat over de wijze waarop de bij graafwerkzaamheden betrokkenen hun zorgplicht moeten naleven. De rechter dient daarom bij de invulling van de zorgplicht in beginsel aan te sluiten bij de Richtlijn. Indien hij een daarvan afwijkende invulling van de zorgplicht wil geven, dient hij te motiveren welke omstandigheden rechtvaardigen dat in het concrete geval van de Richtlijn mocht worden afgeweken.

Casus  

Door een aannemer zijn in 2013 grondroerende werkzaamheden uitgevoerd. Dit betrof de renovatie van een grondkerende damwand ten behoeve van een fietsbrug over de Leidsevaart in Bloemendaal die in 1981 was geopend. De renovatie is uitgevoerd door aan de waterzijde een nieuwe damwand tegen de oude te plaatsen. Tijdens de werkzaamheden is schade ontstaan aan een middenspanningskabel waarvan Liander beheerder is. De aannemer heeft voordat hij met de werkzaamheden begon een graafmelding (voorheen: KLIC-melding) gedaan. Hij heeft een tekening ontvangen waarop de kabel was ingetekend. De informatie op deze tekening stamde uit de tijd waarin de kabel is gelegd, in 1956 of 1957. De aannemer heeft twee proefsleuven gegraven, waarbij de kabel beide keren is aangetroffen op de plaats waar deze volgens de tekening liep, namelijk aan de straatzijde van de aan te brengen damwand. Later is echter gebleken dat de kabel voorbij de tweede proefsleuf, anders dan op de tekening was weergegeven, afboog, onder de oude damwand door, naar de waterzijde en vervolgens weer terug naar de straatzijde, waarna de kabel de ingetekende ligging vervolgde. De schade is ontstaan aan de waterzijde van de oude damwand, daar waar de kabel onder de oude damwand door liep. De afwijking tussen de ligging van de kabel op de tekening en de werkelijke ligging bedroeg op het betrokken punt 1,02 dan wel 1,12 meter; de kabel lag daar binnen 1,5 meter van de graaflocatie. Door Liander is van de aannemer betaling van een schadevergoeding van € 4.263,07 gevorderd. De kantonrechter te Haarlem heeft de vordering van Liander afgewezen op de grond dat de aannemer niet onzorgvuldig had gehandeld. Door het gerechtshof te Amsterdam is dit vonnis bekrachtigd. Volgens het hof mocht de aannemer er in de gegeven omstandigheden op vertrouwen dat de kabel ook voorbij de proefsleuven het op de tekening aangegeven verloop had en hij voldoende had gedaan om de locatie van de kabel vast te stellen. Daarom achtte ook het hof de aannemer niet aansprakelijk. Tegen dit oordeel heeft Liander cassatie-beroep ingesteld: volgens Liander had de aannemer zich niet mogen verlaten op een veronderstelling over het verdere verloop van de kabel, maar had de aannemer dat verdere verloop moeten traceren. Inzake dit ingestelde cassatieberoep had de Advocaat-Generaal (prof. mr. T. Hartlief) op 9 februari 2018 aan de Hoge Raad geadviseerd om de beslissing van het gerechtshof te vernietigen. Dit advies volgde uit de algemene overwegingen van de A-G, waarin hij het regime met betrekking tot (mogelijke) aansprakelijkheid van grondroerders, zowel voor als na de invoering van de WION, had beschreven. Vanwege de relevantie voor de dagelijkse praktijk van grondwerkzaamheden werd reeds in onze Elektronische Signalering van maart 2018 op dit advies van de A-G aan de Hoge Raad geattendeerd. Daarbij werd als voorbehoud vermeld dat de Hoge Raad nog over de zaak diende te beslissen. Zeer recent (vrijdag 25 mei 2018) heeft de Hoge Raad dat gedaan. In deze uitspraak heeft de Hoge Raad meer duidelijkheid gegeven over het regime met betrekking tot (mogelijke) aansprakelijkheid van grondroerders ná de invoering (op 1 juli 2008) van de WION (Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten). Samengevat heeft de Hoge Raad als volgt geoordeeld.

Hoge Raad

Relevante regels en richtlijnen

De in deze zaak toepasselijke WION (per 31 maart 2018 opgevolgd door de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken, Stb. 2018, 73), strekt ertoe het aantal gevallen van schade aan kabels en leidingen (hierna ook: “het net”) door grondwerkzaamheden te verminderen door de informatie-uitwisseling over de ligging van het net te regelen. De WION voorziet in een door de Dienst voor het kadaster en de openbare registers (hierna: “de Dienst”) beheerd elektronisch informatiesysteem. De grondroerder dient voorgenomen graafwerkzaamheden aan de Dienst te melden. De Dienst licht daarop iedere betrokken netbeheerder in. Deze verstrekt aan de Dienst de relevante gebiedsinformatie, waaronder de liggingsgegevens van het net.

Volgens art. 5 lid 2 van het op de WION gebaseerde BION (per 31 maart 2018 opgevolgd door het Besluit informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken, Stb. 2018, 92) dienen de gegevens over de horizontale ligging gebaseerd te zijn op metingen met een nauwkeurigheid van ten minste één meter. De Dienst verstrekt de gebiedsinformatie aan degene die de graafmelding heeft gedaan. (art. 8-11 WION).

De grondroerder dient volgens art. 2 lid 2 WION zijn werkzaamheden op zorgvuldige wijze te verrichten. Daartoe dient hij volgens art. 2 lid 3 WION ten minste ervoor te zorgen dat voor aanvang van de werkzaamheden een graafmelding is gedaan, onderzoek is verricht naar de precieze ligging van onderdelen van netten op de graaflocatie, en dat op de graaflocatie de van de Dienst ontvangen gebiedsinformatie aanwezig is.

Volgens de parlementaire geschiedenis (weergegeven in de conclusie van de A-G onder 3.15) brengt de WION geen wijziging in de aansprakelijkheidsregeling van het BW, maar een verduidelijking van verantwoordelijkheden.

Op initiatief van het Kabels en Leidingen Overleg, waarin diverse bij graafwerkzaamheden en netwerken betrokken partijen zijn vertegenwoordigd, is in 2008 de Richtlijn Zorgvuldig Graafproces (CROW 250, hierna: “de Richtlijn”) tot stand gekomen. In de Richtlijn wordt beschreven hoe het graafproces zorgvuldig kan worden uitgevoerd, zodat de kans op schade aan kabels en leidingen tot een minimum wordt beperkt. De Richtlijn bevat voor het graven van proefsleuven een handelingsprotocol. Uitgangspunt daarin is dat proefsleuven moeten worden gegraven als zich volgens de tekening binnen 1,50 meter aan weerszijden van het graafprofiel kabels of leidingen zouden bevinden. Over de plaatsen waar proefsleuven moeten worden gegraven, vermeldt de Richtlijn onder meer (zie rechtsoverweging 3.7.5 van het hof-arrest): “Voor de te kiezen plaatsen voor de proefsleuven en de afstand daartussen zijn geen uniforme regels te geven. (…) Zo moet onder meer rekening worden gehouden met afwijkingen in de theoretische horizontale ligging als gevolg van obstakels (zoals boomwortels), met eerder ter plaatse uitgevoerde graafwerkzaamheden, met lussen in kabels die voor een verbindingslas (mof) kunnen liggen (…). Bijzondere alertheid is geboden wanneer zich wijzigingen in de (terrein)situatie hebben voorgedaan. Als de grondroerder twijfelt (…) wordt dringend aangeraden de hulp van de netbeheerder in te roepen. (…).”

In dit geval heeft de aannemer informatie ingewonnen over de aanwezigheid van kabels en leidingen, en proefsleuven gegraven om de volgens de tekening in de nabijheid van het werk gelegen kabel te lokaliseren. Daarbij heeft de aannemer de kabel op de in de tekening aangegeven plaats aangetroffen. De aansprakelijkheid van de aannemer hangt ervan af of hij mocht volstaan met het graven van de bewuste proefsleuven, of dat hij zich meer inspanningen had moeten getroosten om het verloop van de kabel te bepalen. Het hof heeft geoordeeld dat de aannemer met de gegraven sleuven mocht volstaan. Het hof heeft dat oordeel (in rechtsoverweging 3.8.5) gegrond “op de omstandigheden van het geval”. In cassatie heeft Liander niet alleen deze concrete afweging van het hof bestreden, maar onder meer ook betoogd dat het hof daaraan onjuiste opvattingen ten grondslag heeft gelegd over de betekenis van het BION en van de Richtlijn. Volgens Liander zou daaruit volgen dat op een grondroerder de resultaatsverplichting rust kabels en leidingen binnen een afstand van 1,50 meter van het graafprofiel geheel te lokaliseren. Deze kwesties zijn niet alleen van belang voor het onderhavige geschil, maar betreffen de zorgplicht ter voorkoming van graafschade in het algemeen.

De betekenis van het BION

Het hof heeft (in rechtsoverweging 3.8.2) overwogen dat de grondroerder op grond van art. 5 lid 2 BION mag verwachten dat de aan hem aangeleverde tekening tot op één meter nauwkeurig is, ook al zal de beheerder, zeker bij tekeningen uit 1957, praktisch gesproken niet in staat zijn die nauwkeurigheid te bieden. Het hof heeft daaraan (in rechtsoverweging 3.8.5) ten overvloede toegevoegd dat de invoering van art. 5 lid 2 BION in zoverre het door de wetgever expliciet beoogde gevolg heeft dat grondroerders minder snel aansprakelijk zullen zijn dan voorheen, en dat in de verhouding tussen beheerder en grondroerder niet ter zake doet dat de wetgever het onmogelijke van beheerders vergt.

Volgens de Hoge Raad heeft het hof met deze oordelen een onjuiste betekenis aan art. 5 lid 2 BION toegekend. Het hof heeft miskend dat art. 5 lid 2 BION weliswaar op de netbeheerder de verplichting legt gegevens over de horizontale ligging te baseren op metingen met een nauwkeurigheid van ten minste één meter, maar dat, in het bijzonder gelet op de doelstelling van de WION om gevallen van schade aan kabels en leidingen te verminderen, de grondroerder er niet zonder meer op mag vertrouwen dat de hem verstrekte tekening aan deze eis voldoet. De werkelijke ligging van het net kan immers door tal van oorzaken van de tekening afwijken. De Richtlijn houdt hiermee ook rekening.

Het antwoord op de vraag in hoeverre de grondroerder op de tekening mag vertrouwen, hangt daardoor af van de omstandigheden van het geval, in het licht van hetgeen de Richtlijn over de onderzoeksplicht van de grondroerder bepaalt en de (navermelde) door de Hoge Raad aan de Richtlijn toegekende betekenis. Daarbij is in deze zaak onder meer van belang dat de kabel al in 1956 of 1957 is gelegd en dat nadien ter plaatse werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Zeker nu het hof zelf heeft overwogen dat de netbeheerder in een geval als dit praktisch gesproken niet in staat zal zijn de in het BION genoemde nauwkeurigheid te bieden, had het hof niet tot uitgangspunt mogen nemen dat de aannemer op de kaart mocht vertrouwen tenzij uit concrete gegevens bekend of kenbaar is dat de kaart niet nauwkeurig kan zijn. Voor zover het hof heeft bedoeld dat er voor de aannemer geen redenen waren om aan de nauwkeurigheid van de kaart te twijfelen, is dat oordeel, gelet op de zojuist genoemde omstandigheden van dit geval, onbegrijpelijk. Een en ander laat onverlet dat, mede gelet op art. 5 lid 2 BION, op de netbeheerder de verplichting rust zo nauwkeurig als redelijkerwijs van hem verlangd kan worden informatie over de ligging van het net te verstrekken, en dat een schending van deze verplichting kan leiden tot eigen schuld van de netbeheerder.

De betekenis van de Richtlijn

Het hof heeft (in rechtsoverweging 3.8.3) als “best practice” uit de Richtlijn afgeleid dat bij het slaan van damwanden wordt geadviseerd kabels te lokaliseren die volgens de tekening in een gebied van 1,50 meter aan weerszijden van de graaflocatie liggen, bijvoorbeeld door het graven van voldoende proefsleuven, waarbij het aantal te graven proefsleuven afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval. Het hof heeft (in rechtsoverweging 3.8.4) daaraan toegevoegd dat de aannemer heeft nagelaten over het gehele traject van de aan te brengen wand de grond over een breedte van 1,50 meter aan beide zijden te onderzoeken om de kabel te lokaliseren, hoewel dat wel best practice is. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de aannemer desondanks in de omstandigheden van dit geval niet onrechtmatig heeft gehandeld.

Volgens de Hoge Raad heeft het hof met deze oordelen onvoldoende betekenis aan de Richtlijn toegekend en mede daardoor een onbegrijpelijke beslissing gegeven. Van belang daarbij is het volgende. Het gaat bij de aansprakelijkheid voor graafschade aan kabels en leidingen uiteindelijk om een afweging waarbij onder meer de bezwaarlijkheid van door de grondroerder en door de netbeheerder te nemen voorzorgsmaatregelen moet worden bezien, ook in hun onderlinge verhouding, en waarbij deze moet worden afgezet tegen de mogelijke gevolgen van het beschadigen van kabels of leidingen. Bij gebreke van concrete wettelijke normering, komt bij die afweging, en daarmee bij de invulling van de maatschappelijke zorgvuldigheid, groot gewicht toe aan de Richtlijn, die, zoals het hof heeft overwogen, is vastgesteld door een breed samengesteld, technisch geschoold gezelschap waarin zowel opdrachtgevers, (grotere) grondroerders als beheerders vertegenwoordigd waren. Aldus vormt de Richtlijn immers de weerslag van de binnen de beroepsgroep geldende opvattingen omtrent zorgvuldig handelen. Ook bij de totstandkoming van de WION is gewezen op het belang van door de sector te maken afspraken. Bovendien is het voor de graafpraktijk van belang dat duidelijkheid bestaat over de wijze waarop de bij graafwerkzaamheden betrokkenen hun zorgplicht moeten naleven. De rechter dient daarom bij de invulling van de zorgplicht in beginsel aan te sluiten bij de Richtlijn. Indien hij een daarvan afwijkende invulling van de zorgplicht wil geven, dient hij te motiveren welke omstandigheden rechtvaardigen dat in het concrete geval van de Richtlijn mocht worden afgeweken. Aan deze eis voldeed het oordeel van het hof niet, aldus de Hoge Raad.

Wat betekent deze uitspraak voor de bouwpraktijk?

Grondroerders zullen niet zondermeer op de voorgeschreven nauwkeurigheid van (door de netbeheerder, via de Dienst, aan hen) verstrekte informatie/tekeningen mogen vertrouwen. Voor wat betreft de door hen bij graafwerkzaamheden in acht te nemen zorgplicht dienen zij primair te handelen overeenkomstig de Richtlijn. Wanneer van de Richtlijn wordt afgeweken, zullen de omstandigheden van het betreffende concrete geval dat dienen te rechtvaardigen.

Vervolg van de procedure

De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het hof Den Haag. Met inachtneming van het oordeel van de Hoge Raad zal het hof Den Haag opnieuw dienen te beoordelen of de aannemer aan de op hem rustende zorgplicht heeft voldaan. Een positief oordeel hierover lijkt niet aannemelijk: voor een situatie als de onderhavige, waarin de informatie op de verstrekte tekening stamde uit een ver verleden (1956/1957, de tijd waarin de kabel was gelegd) en verder ook bekend was dat ruim nadien (in 1981) de te renoveren grondkerende damwand was aangebracht, zal niet snel sprake zijn van omstandigheden die rechtvaardigen om van handelen overeenkomstig de Richtlijn af te wijken. 

Voor meer informatie over deze uitspraak van de Hoge Raad kunt u contact opnemen met mr. Jan Veldhuis

  • Incasso debiteuren, regel het goed! NAAR NIEUWS//
  • Automatisch gezag bij erkenning?
  • Restschuld na crisis; kan ik mijn bank daarvoor verantwoordelijk houden?
  • Geen huwelijkse voorwaarden? Toch blijft privé, wat privé was.
  • Ontslag nemen, lagere alimentatie?
  • Belangrijke termijn voor werknemers bij ontslag op staande voet
  • Dienstverband laten ‘slapen’ om geen transitievergoeding te hoeven betalen, is toegestaan
  • Twaalf jaar partneralimentatie?
  • Van twee naar vier ouders?
  • Overlast door huurders: wat vindt het Gerechtshof daarvan?
  • De failliete huurder: leegstandschade en de bankgarantie
  • Wetsvoorstel UBO-register omvat nieuwe ‘terugmeldingsplicht’ Wwft-instellingen
  • Is uw gedragsverklaring aanbesteden nog geldig?
  • Een werknemer met twee dienstverbanden? Houd rekening met de Arbeidstijdenwet!
  • Strafvervolging voor bestuurder van beboete rechtspersoon
  • Nieuw ROZ-model huurovereenkomst voor woonruimte
  • Het adviesrecht van de ondernemingsraad in geval van faillissement
  • Transitievergoeding ook verschuldigd bij dienstverband van exact 24 maanden
  • Onteigening Hedwigepolder: gaat de Hoge Raad om?
  • Koop breekt geen huur (maar soms wel in stukjes)
  • UAV-GC 2005: (gevolgen van) onvoorziene omstandigheden?
  • Parfums voor € 30,-. Moet Bol.com leveren?
  • Provincie Fryslân kan door met inpassingsplan
  • Valse reviews op internet: niet zonder consequenties
  • Transitievergoeding bij langdurig arbeidsongeschiktheid: geld terug?
  • Onteigening Hedwigepolder: Hoge Raad bevestigt rechtbankvonnis
  • Natrekking versus wegbreekrecht; voor wie gaat de zon op?
  • Nederlands huurstelsel niet in strijd met het eigendomsrecht
  • Belangrijk arrest HvJ EU over toepassing van de Dienstenrichtlijn bij bestemmingsplanregels over detailhandel
  • Goodwill valt niet onder tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten bij dringend eigen gebruik
  • De statutair directeur (deel 1) – Benoeming en indiensttreding
  • Overheid wil het aantal vechtscheidingen terugdringen
  • De statutair directeur (deel 2) – Ontslag: geen ontslagbescherming, maar niet vogelvrij
  • Verborgen camera’s: diefstal op de werkvloer NAAR NIEUWS//
  • De meest gestelde vragen over de AVG: deel 1 – Minder dan 250 werknemers: toch een verwerkingsregister bijhouden? NAAR NIEUWS//
  • De meest gestelde vragen over de AVG: deel 2 – Toestemming niet altijd nodig NAAR NIEUWS//
  • Bankbreuk; wat is dat eigenlijk? NAAR NIEUWS//
  • Wetsvoorstel Wet arbeidsmarkt in balans: wat verandert er? Wetsvoorstel Wet arbeidsmarkt in balans: wat verandert er?
  • Trip Advocaten & Notarissen trekt opnieuw ervaren juristen aan
  • Een brancheringsregeling in een bestemmingsplan: Mag dat?
  • Heeft u al een privacystatement voor uw werknemers?
  • Kwijtschelden van studiekosten kost u mogelijk meer dan u denkt
  • Mijn werknemer heeft schulden. Wat nu?
ONZE MENSEN VAN A TOT Z//
LEEUWARDEN Jan Veldhuis
Stel Hier Uw Vraag contactformulier//