Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

Extinctieve verjaring, in de verlenging met onrechtmatige daad

Hoge Raad 24 februari 2017, nr. 15/01948, ECLI:NL:HR:2017:309

Relevantie

  • Een bezitter te kwader trouw verkrijgt na twintig jaar de eigendom van grond, ook als het om moeilijk begaanbare of toegankelijke percelen gaat.
  • Degene die als bezitter te kwader trouw de eigendom van een perceel verkrijgt kan blootstaan aan een vordering uit onrechtmatige daad. In de regel kan daarbij niet aan de (oorspronkelijke) eigenaar worden tegengeworpen dat hij zijn eigendom niet periodiek heeft geïnspecteerd.
  • Schadevergoeding kan in natura worden gevorderd en het ligt voor de hand dat de rechter de verkrijger veroordeelt om de grond bij wijze van schadevergoeding terug te leveren.
  • De vordering uit onrechtmatige daad is zelf onderhevig aan verjaring. De verjaringstermijn bedraagt vijf jaar vanaf het moment dat de oorspronkelijke eigenaar bekend is met zijn eigendomsverlies. De verjaring is in ieder geval voltooid twintig jaar na de datum waarop de eigendom werd verloren.
  • Verlies van eigendom doordat grond te kwader trouw in bezit is genomen, hoeft derhalve niet definitief te zijn

Achtergrond

Het komt veelvuldig voor dat overheden worden geconfronteerd met zogeheten “landjepik” zaken. Dat heeft te maken met het feit dat (met name) overheden grond in eigendom hebben die niet altijd meteen ergens voor nodig is. Als dat verandert, omdat er een (andere) bestemming voor de grond gevonden is, blijkt iemand de grond te hebben ingepikt. Juridisch gaat de discussie dan steeds om de vragen of er sprake is van bezit, of dat bezit te goeder of te kwader trouw is en hoe lang dat bezit heeft geduurd. Bij bezit te goeder trouw is de verjaringstermijn tien jaar, bij bezit te kwader trouw twintig jaar.

Arrest

In dit arrest ging het om een bosperceel van een gemeente waarvan een gedeelte in gebruik was genomen door de eigenaars van een naastgelegen perceel. Zij hadden het stuk bosperceel onder meer omheind met een afrastering en het was daardoor voor derden (en de gemeente) niet meer toegankelijk. Bij de Hoge Raad ging het vooral om de betekenis van het feit dat het bosperceel moeilijk begaanbaar en toegankelijk was. De gemeente betoogde dat van kenbaar bezit niet (zonder meer) sprake is indien eerst na gericht onderzoek ter plaatse kenbaar is dat daden worden verricht die als bezitdaden kunnen worden aangemerkt. Daarnaast betoogde de gemeente dat van de rechthebbende niet kan worden gevergd dat hij zijn eigendom regelmatig inspecteert, zeker niet als het gaat om bosgronden of ruigtegebieden.

In dit betoog van de gemeente gaat de Hoge Raad niet mee. De aard en bestemming van het betrokken perceel moeten wel in aanmerking worden genomen, maar het gaat erom of sprake is van een zodanige machtsuitoefening dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter wordt tenietgedaan. Dit moet naar objectieve maatstaven worden beoordeeld. Het is niet vereist dat de rechtshebbende daadwerkelijk kennis droeg van de bezitsdaden, voldoende is dat deze naar buiten toe kenbaar zijn. Dat van die bezitsdaden alleen door onderzoek kennis kon worden genomen, doet hieraan niet af, ook niet als periodieke controle bezwarend is omdat het om een moeilijk begaanbaar of toegankelijk gebied gaat. Pas als het moeilijk toegankelijk of begaanbaar zijn van het perceel aan de kenbaarheid van de bezitsdaden in de weg staat (oftewel als die daardoor niet naar buiten blijken), staat dat aan het voor verjaring nodige bezit in de weg.

Daarmee stond derhalve vast dat de gemeente de eigendom van haar grond had verloren. Haar klachten in cassatie troffen geen doel. Daarmee had de Hoge Raad kunnen volstaan. Wat volgt zijn echter uitgebreide overwegingen ten overvloede. De Hoge Raad stelt allereerst vast dat er een verschil bestaat tussen verkrijging te goeder trouw en te kwader trouw. Anders dan de verkrijger te goeder trouw, handelt de verkrijger te kwader trouw onrechtmatig tegenover de voormalige eigenaar. Mits aan de overige voorwaarden is voldaan, kan de voormalige eigenaar vorderen dat de bezitter de schade die door hem is veroorzaakt vergoedt. Dat de bezitter eigenaar wordt op grond van de wet staat daaraan, aldus de Hoge Raad, niet in de weg.

Interessant is dat de schadevergoeding in natura kan worden gevorderd. Dat betekent dat de bezitter, als hij nog eigenaar is, veroordeeld kan worden om de eigendom terug te leveren. De Hoge Raad geeft daarbij nog mee dat aan de oorspronkelijk eigenaar niet kan worden tegengeworpen dat hij niet periodiek heeft gecontroleerd, tenzij daarvoor een concrete aanleiding bestond. In de regel kan het achterwege laten van periodieke inspecties de eigenaar niet worden tegengeworpen. Daarnaast wijst de Hoge Raad erop dat de vordering tot schadevergoeding zelf ook aan verjaring onderhevig is. Die termijn bedraagt vijf jaar vanaf het moment dat de benadeelde bekend is met zijn eigendomsverlies en met de daarvoor aansprakelijke persoon. In ieder geval is deze verjaring voltooid indien twintig jaar zijn verstreken nadat de eigendom door verjaring is verloren.

Conclusie en aanbevelingen

Dit oordeel van de Hoge Raad biedt perspectief voor overheden die met landjepikpraktijken worden geconfronteerd. Dit vereist wel een actieve aanpak. Wat moeten overheden dan doen? Kort samengevat het volgende:

(i) inventariseer waar sprake is van inbezitname;
(ii) waar mogelijk en gewenst kan de grond worden verkocht of verhuurd, maar zo niet(iii) stel op tijd een vordering in om verlies van eigendom te voorkomen en, als dat niet lukt
(iv) stel op tijd  een vordering tot teruglevering in.

Vragen of opmerkingen? Neem contact op met Elmer van der Kamp