Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

Centrale Raad van Beroep 28 juli 2015

Relevantie:

De belanghebbende die aanspraak wil kunnen maken op de dwangsom bij niet tijdig beslissen, moet tijdig aan de bel trekken. Wacht hij méér dan enkele weken met het sturen van een ingebrekestelling, dan kan het bestuursorgaan zich onder omstandigheden beroepen op de uitzonderingsregel van artikel 4:17 lid 6 onder a Awb. [Daaraan kan bijvoorbeeld behoefte bestaan wanneer het vermoeden bestaat dat de belanghebbende misbruik maakt van de dwangsomregeling.]

Zonder tijdige ingebrekestelling geen dwangsom

Het bestuurorgaan dat de beslistermijn overschrijdt, verbeurt aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen (artikel 4:17 lid 1 Awb). Wil de aanvrager aanspraak kunnen maken op de dwangsom, dan zal hij het bestuursorgaan een schriftelijke ingebrekestelling moeten sturen (artikel 4:17 lid 3 Awb). Doet hij dat onredelijk laat, dan is de dwangsom niet verschuldigd (artikel 4:17 lid 6 onder a Awb[1]). Maar waar ligt precies de grens tussen “laat” en “onredelijk laat”?

Geen vaste termijn, maar wel enkele richtlijnen

Hierover zwijgt de wet, maar de parlementaire geschiedenis van artikel 4:17 Awb biedt enige houvast (zie: Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 6, blz. 5 en 13): 

“In de term «onredelijk» zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen. […]

Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan (Zie bijvoorbeeld CRvB 26 februari 2004, LJN AO4639, en ABRvS 20 februari 2002, JB 2002/113).” [onderstreping toegevoegd]

De Centrale Raad van Beroep (hierna: “de Raad”) gebruikte deze passage onlangs bij de toetsing van een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven. In primo had het college zich op het standpunt gesteld dat het géén dwangsom verschuldigd was, omdat het onredelijk laat in gebreke was gesteld. In bezwaar werd dat besluit gehandhaafd. De Raad liet de beslissing op bezwaar in stand, samengevat omdat:

  • het tijdsverloop tussen het verstrijken van de ingebrekestelling ruim vier en een halve maand was: aanzienlijk langer dus dan ‘hooguit enkele weken’;
  • niet was gebleken van een gegronde reden voor de late indiening van de ingebrekestelling;
  • evenmin was gebleken dat de belanghebbende op enig moment na het verstrijken van de beslistermijn over het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaar met het bestuursorgaan in contact was getreden. Dat had volgens de Raad in de gegeven omstandigheden wel op zijn weg had gelegen. Opgemerkt wordt dat ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in soortgelijke gevallen in haar oordeel betrekt of de belanghebbende na het verstrijken van de beslistermijn in contact is gebleven met het bestuursorgaan en of het de belanghebbende redelijkerwijs al eerder duidelijk had moeten zijn dat er geen uitzicht op een beslissing bestond (zie bijvoorbeeld ABRvS 14 november 2012).

Praktijktip

Op grond van artikel 4:18 Awb dient het bestuursorgaan, binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, bij beschikking de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom vast te stellen. Het loont de moeite om bij die besluitvorming altijd even na te gaan of de ingebrekestelling méér dan enkele weken na het verstrijken van de beslistermijn is verzonden. Is dat het geval, is het bovendien in de periode tussen het einde van de beslistermijn en de schriftelijke ingebrekestelling van de zijde van de belanghebbende volledig stil gebleven en is aan de belanghebbende in die periode ook geen beslissing in het vooruitzicht gesteld, dan is aannemelijk dat het bestuursorgaan zich kan beroepen op de uitzonderingsregel van artikel 4:17 lid 6 onder a Awb. In dat geval kan het besluiten dat de dwangsom niet verschuldigd is.

[1] De overige twee uitzonderingen van artikel 4:17 lid 6 Awb blijven hier onbesproken.

Heeft u nadere informatie nodig over dit onderwerp? Neem dan contact op met Meriam Bauman.