Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

Voorzieningenrechter Rechtbank Gelderland, 25 september 2015

Met de invordering van verbeurde dwangsommen kan niet te lang worden gewacht. De bevoegdheid tot invordering verjaart immers al na een jaar. In de praktijk kan die korte verjaringstermijn tot gevolg hebben dat de rechten van derde-belanghebbenden, die om de invordering verzocht hebben, illusoir worden. De verjaringstermijn kan worden verlengd, door aan de overtreder uitstel van betaling te verlenen, zolang het besluit om niet tot invordering over te gaan nog niet onherroepelijk is.

Positie van derde-belanghebbenden zwak door korte termijn

De bevoegdheid van het bestuursorgaan om een verbeurde dwangsom in te vorderen, verjaart door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd (artikel 5:35 Awb). In de praktijk kan die korte termijn tot gevolg hebben dat de derde, die belang heeft bij de invordering (zie bijvoorbeeld: Gst. 2015/137, met nt.: P.H.J. de Jonge), de invordering niet meer in rechte kan afdwingen. Dat geval doet zich voor wanneer het bevoegd gezag (in eerste instantie) besluit om niet tot invordering over te gaan (artikel 5:37 Awb). Weliswaar heeft de derde alsdan de mogelijkheid om tegen dat besluit rechtsmiddelen in te stellen, maar tegen de tijd dat hij bij de bestuursrechter in het gelijk gesteld is, zal de bevoegdheid tot invordering lang en breed zijn verjaard  (zie bijvoorbeeld: ABRvS 18 november 2015). [Te denken valt bijvoorbeeld aan het geval waarin het bevoegd gezag aan de vergunninghouder een last onder dwangsom oplegt, omdat hetgeen de vergunninghouder heeft gebouwd afwijkt van de vergunning. Gaat de vergunninghouder niet binnen de begunstigingstermijn over tot naleving, dan verbeurt hij de dwangsom(men). Zijn buurman kan in zo’n geval belang hebben bij de invordering.]

Voorzieningenrechter treft voorlopige voorziening

De hiervoor geschetste omstandigheden hebben onlangs geleid tot de bovengenoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland. Enkele derde-belanghebbenden stelden in die zaak beroep in tegen het (in bezwaar gehandhaafde) besluit om niet tot invordering van  dwangsommen over te gaan. Bijkomende omstandigheid was dat het bevoegd gezag niet tegemoet was gekomen aan hun verzoek om de verjaringstermijn te stuiten dan wel te verlengen. Daarom hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Daarmee moest worden voorkomen dat de bevoegdheid tot invordering zou zijn verjaard op het moment dat er uitspraak wordt gedaan in de bodemzaak uitspraak. De voorzieningenrechter honoreerde dat verzoek. Aan zijn beslissing legde hij de volgende overweging ten grondslag:

“Omdat verzoekers van oordeel zijn dat de dwangsommen vanaf 14 oktober 2014 zijn verbeurd, stellen zij dat de bevoegdheid tot invordering van deze dwangsommen op 14 oktober 2015 verjaart. Als de rechtbank in de bodemzaak verzoekers hierin volgt en tot het oordeel komt dat dwangsommen vanaf 14 oktober 2014 over een periode van tien weken zijn verbeurd, is de verjaringstermijn van een jaar ten tijde van de uitspraak zeer waarschijnlijk verstreken en heeft verweerder geen bevoegdheid meer een invorderingsbesluit te nemen en eventueel executiemaatregelen ter zake te treffen. De bodemzaak wordt dan zinledig. Daarom acht de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk gegrond.”

Aan de overtreder werd een uitstel van betaling verleend totdat op het beroep was beslist. De voorzieningenrechter verwees in dat verband naar artikel 4:111 lid 1 Awb. Op grond van die bepaling wordt de verjaringstermijn verlengd met de tijd gedurende welke de schuldenaar na de aanvang van die termijn uitstel van betaling heeft gekregen. Zodoende werd de mogelijkheid om bij een gegrond beroep alsnog tot invordering over te gaan ‘gered’.

Zelf de verjaringstermijn verlengen, ook wanneer niet wordt ingevorderd?

De verjaringstermijn wordt (met de duur van het uitstel) verlengd. Dat voorkomt dat betaling van verbeurde dwangsommen niet meer kan worden afdwongen. In dit geval was er voor de overheid echter geen enkele reden om uitstel te verlenen: het bestuursorgaan had immers besloten juist niét tot invordering over te gaan. De derde-belanghebbenden wilden dat echter wèl en waren naar de rechter gestapt om dat af te dwingen. In onze visie gaat het te ver om in zo’n situatie van de overheid te vergen dat zij zelf, vrijwillig, uitstel van betaling verleent. Daarmee ontstaat de paradoxale situatie dat de overheid die besloten heeft niét in te vorderen, toch uitstel verleent van de betaling waarom zij helemaal niet wil verzoeken. Het is in een dergelijk geval voorshands aan derde-belanghebbenden om naast invordering, zo nodig ook tijdig uitstel van betaling ‘af te dwingen’, zodat de verjaringstermijn wordt verlengd en invordering mogelijk blijft. NB: de genoemde uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter van een rechtbank (Gelderland). De hoogste bestuursrechter heeft in een dergelijke zaak nog geen uitspraak gedaan. We wachten met belangstelling af.

Heeft u nadere vragen over dit onderwerp? Neem dan contact op met Meriam Bauman.