Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

Bestaande feiten, nieuwe inzichten en (on)voorziene omstandigheden

Hoge Raad 13 oktober 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2615)

Relevantie:

  • Bij een beroep op onvoorziene omstandigheden dient de rechter terughoudend te zijn.
  • Een feitelijke ontwikkeling (in dit geval bevolkingskrimp) rechtvaardigt geen beroep op onvoorziene omstandigheden indien deze bij het aangaan van de overeenkomst reeds bij de betrokken overheid bekend was. Het is dan geen toekomstige omstandigheid.
  • Op bij het aangaan van de overeenkomst reeds bekende omstandigheden gebaseerde nieuwe inzichten en gewijzigd beleid kunnen wel als onvoorziene omstandigheid worden aangemerkt, maar onder meer de aard van de overeenkomst en de aard en het gewicht van de betrokken maatschappelijke belangen, kunnen meebrengen dat hierin onvoldoende rechtvaardiging ligt om een overeenkomst niet na te komen.

Het arrest:

Een gemeente was een overeenkomst aangegaan met een ontwikkelaar met betrekking tot de ontwikkeling en realisatie van 27 woningen. Al bij het aangaan van deze overeenkomst speelde krimpproblematiek een rol in de regio. Na verloop van tijd leidde dit ertoe dat de gemeente de overeenkomst niet meer wilde nakomen. De ontwikkelaar claimde vervolgens schadevergoeding. De gemeente verweerde zich met een beroep op onvoorziene omstandigheden (artikel 6:258 BW). Daarbij bood de gemeente wel een bedrag als vergoeding voor geleden onevenredige schade aan. De rechtbank honoreerde het beroep op onvoorziene omstandigheden en kende het door de gemeente aangeboden bedrag aan de ontwikkelaar toe. Het gerechtshof oordeelde evenwel anders en verwierp het beroep op onvoorziene omstandigheden. Tegen dit oordeel kwam de gemeente in cassatie bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad komt allereerst tot het oordeel dat het gerechtshof terecht had geoordeeld dat het beroep op bevolkingskrimp op zichzelf niet kon slagen. Dat sprake was van bevolkingskrimp wist de gemeente al toen de overeenkomst met de ontwikkelaar werd aangegaan. Bij het aangaan van de overeenkomst was dit geen toekomstige omstandigheid. Al bij het sluiten van de overeenkomst had het de gemeente duidelijk moeten zijn dat het voorgenomen project op losse schroeven stond.

De Hoge Raad vervolgt met de vaststelling dat in cassatie niet was bestreden dat de gewijzigde omstandigheden niet van dien aard waren dat de ontwikkelaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mocht verwachten. Ook daarom kon het beroep op onvoorziene omstandigheden worden verworpen. Interessant is dat de Hoge Raad herhaalt dat nieuwe inzichten en een beleidswijziging – gebaseerd op reeds bekende feiten – wél een onvoorziene omstandigheid kunnen opleveren. Alleen in deze zaak kon dit het niet-nakomen van de overeenkomst niet rechtvaardigen. Dit gelet op onder meer de aard van de overeenkomst en de aard en het gewicht van de betrokken belangen. Daarmee vat de Hoge Raad kort samen wat het gerechtshof in aanmerking genomen had. Het gerechtshof achtte onder meer van belang dat de gemeente informatie aan de ontwikkelaar had onthouden, geen adequate schadevergoeding had aangeboden, niet in overleg was getreden over een aanpassing van de overeenkomst, onvoldoende rekening had gehouden met de belangen van de ontwikkelaar en in strijd had gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het gerechtshof was ook van oordeel dat de overheid meer van haar beleidsvrijheid verliest, naarmate meer concrete verwachtingen worden gewekt. Of de Hoge Raad die redenering helemaal volgt en of die ook steeds zal opgaan, blijkt weliswaar niet uit de overwegingen van de Hoge Raad, maar het levert in ieder geval interessante gezichtspunten op.

Conclusie

In eerdere arresten oordeelde de Hoge Raad al dat nieuwe inzichten en op grond daarvan gewijzigd beleid onder omstandigheden kunnen rechtvaardigen dat een overheid verplichtingen uit een overeenkomst niet nakomt. Dat kan ook als de omstandigheden waarop de beleidswijziging is gebaseerd, bij het aangaan van de overeenkomst niet toekomstig waren. De beleidswijziging zelf is dan de onvoorziene omstandigheid. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan het gegeven dat beleid kan wijzigen door nieuwe inzichten van (soms nieuwe) bestuurders. Daar staat wel tegenover dat de overheid zich de belangen van haar wederpartij moet aantrekken en voor adequate compensatie dient te zorgen. In die gevallen kan een beroep op onvoorziene omstandigheden slagen. De aard van de overeenkomst en de aard en het gewicht van de betrokken belangen kunnen ook tot een andere uitkomst leiden. Voor de betrokken overheid is het zaak om daarmee rekening te houden. Daarbij helpt het indien de wederpartij wordt geïnformeerd en de bereidheid bestaat tot overleg over een aanpassing van de afspraken en, als dat niet kan, over een toereikende vorm van compensatie.

Heb je vragen of opmerkingen? Neem contact op met Elmer van der Kamp