Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

BESCHADIGING VAN EEN ONDERGRONDSE KABEL BIJ WERKZAAMHEDEN IS EEN VEEL VOORKOMEND GEVAL.

WELKE ZORGVULDIGHEID MAG VAN EEN GRONDROERDER WORDEN VERWACHT, DIT TEGEN DE ACHTERGROND VAN DE IN 2008 INGEVOERDE WION EN BION?

WAT IS RECHTENS WANNEER DE WERKELIJKE LIGGING VAN DE KABEL AFWIJKT VAN DE OP DE TEKENING AANGEGEVEN LIGGING?

Parket bij de Hoge Raad d.d. 09-02-2018, datum publicatie 27-02-2018, zaaknummer 17/00069

 ECLI:NL:PHR:2018:144 

 Relevantie:  

  • Uit de wettekst en de toelichting is niet zonder meer af te leiden dat met de Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (WION) en – met name – de nauwkeurigheidsmarge van art. 5 lid 2 van het Besluit Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (BION) is beoogd dat grondroerders minder snel aansprakelijk zullen kunnen worden gesteld voor ontstane schade aan kabels en leidingen dan voorheen. Van een (verkapte) beperking van hun aansprakelijkheid is dan ook geen sprake.

  • De nauwkeurigheidsmarge van art. 5 lid 2 BION wordt niet zo geïnterpreteerd, dat een afwijking daarvan (de kabel of leiding ligt meer dan 1 meter af van de op de tekening aangegeven plaats) zonder meer voor rekening van de beheerder komt en de grondroerder van aansprakelijkheid ontslaat.
     
  • De onderzoeksplicht van de grondroerder, die niet alleen de inspanningsverplichting inhoudt om op de tekening aangegeven kabels te zoeken, maar ook de resultaatsverplichting om deze daadwerkelijk te vinden en de netbeheerder te informeren wanneer de kabel niet gevonden kan worden, is ook na invoering van de WION voorop blijven staan.

Casus

Bij het door een aannemer plaatsen van een nieuwe damwand in Bloemendaal is een ondergrondse middenspanningskabel van Liander beschadigd. Liander heeft de aannemer aansprakelijk gesteld. Vast staat dat de aannemer voorafgaand aan de werkzaamheden een KLIC-melding heeft gedaan en twee proefsleuven heeft gegraven. De kabel is bij beide proefsleuven aangetroffen op de plaats waar deze volgens de kaart liep, zijnde aan de straatkant (en dus niet aan de waterzijde) van de damwand. De kabel loopt, naar later is gebleken, na de tweede proefsleuf anders dan op de tekening, namelijk met een bocht van de straatzijde onder de oude dam door naar de waterzijde en vervolgens weer terug naar de straatzijde. De kabel is aan de waterzijde van de damwand beschadigd.

Oordeel gerechtshof Amsterdam

Het gerechtshof te Amsterdam is tot het oordeel gekomen dat de aannemer er in de gegeven omstandigheden op mocht vertrouwen dat de kabel ook voorbij de proefsleuven het op de tekening aangegeven verloop had en hij voldoende heeft gedaan om de locatie van de kabel vast te stellen, zodat hij niet aansprakelijk is. Tegen dit oordeel heeft Liander cassatie ingesteld: volgens Liander had de aannemer zich niet mogen verlaten op een veronderstelling over het verdere verloop van de kabel, maar had de aannemer dat verloop moeten traceren.

Conclusie Advocaat-Generaal

In zijn conclusie van 9 februari 2018 heeft de Advocaat-Generaal (prof. mr. T. Hartlief) (hierna: “de A-G”) aan de Hoge Raad geadviseerd om de beslissing van het gerechtshof te vernietigen. Dit advies volgt uit de algemene overwegingen van de A-G, waarin hij het regime met betrekking tot (mogelijke) aansprakelijkheid van grondroerders zowel voor als na de invoering van de WION heeft beschreven. Deze algemene overwegingen zijn lezenswaardig en relevant voor de dagelijkse praktijk van grondwerkzaamheden. Vandaar dat hierop met deze signalering de aandacht wordt gevestigd. Voorbehoud hierbij is dat de Hoge Raad nog wel over de zaak dient te beslissen.    

Aansprakelijkheid voor schade aan kabels en leidingen

 Deze zaak gaat over de aansprakelijkheid voor schade aan kabels of leidingen (gezamenlijk ook wel aangeduid als “netten”) die bij graafwerkzaamheden is ontstaan. Kabel- en leidingschades vormen een apart leerstuk. Dat heeft niet alleen te maken met het feit dat er in de grond zeer veel kabels en leidingen liggen en dat beschadiging van kabels of leidingen nog (steeds) veel voorkomt, maar ook met het gegeven dat beschadiging vele belanghebbenden kan raken, hetgeen weer in verschillende verhoudingen tot claims en mogelijke aanzienlijke aansprakelijkheidslast aanleiding kan geven.

Het is daarom van belang te weten welke zorgvuldigheid nu kan worden verwacht van degene onder wiens verantwoordelijkheid (als uitgangspunt: de aannemer) de graafwerkzaamheden plaatsvinden. Deze “grondroerder” dient zich ervan bewust te zijn dat op de plaats van de werkzaamheden kabels of leidingen aanwezig kunnen zijn, en hij zal onderzoek moeten doen om vast te stellen waar die precies lopen. Doet de grondroerder dat niet en veroorzaakt hij schade, dan handelt hij in beginsel onrechtmatig en kan hij uit dien hoofde aansprakelijk zijn  De grondroerder zal zich bij zijn onderzoek echter in de regel moeten baseren op informatie over de ligging van kabels en leidingen die door de beheerder van de netten is verstrekt.

In deze zaak staat de vraag centraal wat rechtens is wanneer de werkelijke ligging van de kabel afwijkt van de op de tekening aangegeven ligging. Deze vraag is niet nieuw, maar heeft aan betekenis gewonnen sinds in de WION (ook wel: de “Grondroerdersregeling”) is vastgelegd dat de beheerder informatie over de ligging van kabels en leidingen moet verschaffen en in art. 5 lid 2 BION eisen (lijken te) worden gesteld aan de nauwkeurigheid van deze gegevens.  

Het regime m.b.t. (mogelijke) aansprakelijkheid van grondroerders vóór de WION

Reeds voordat dit expliciet in de WION werd vastgelegd, was duidelijk dat de grondroerder bedacht diende te zijn op de aanwezigheid van kabels of leidingen en dat in het kader van de van hem te verlangen zorgvuldigheid op hem een onderzoeksplicht rustte met betrekking tot de feitelijke ligging van die kabels en leidingen. Over de omvang van deze onderzoeksplicht is veel geprocedeerd. Uit de jurisprudentie komt naar voren dat in het kader van deze onderzoeksplicht in ieder geval een KLIC-melding diende te worden gedaan. Dat hield in dat de grondroerder informatie over de ligging van kabels en leidingen diende op te vragen bij (destijds) het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC). Het KLIC fungeerde als intermediair tussen grondroerders enerzijds en kabel- en leidingbeheerders anderzijds. Eén van de tekortkomingen van de toenmalige graafpraktijk was dat het KLIC werkte op basis van vrijwillige deelname van de kabel- en leidingbeheerders en de grondroerders. Van verplichte informatie-uitwisseling was dan ook geen sprake. Daarom is uitwisseling van informatie via (thans) de Dienst voor het kadaster en de openbare registers (hierna: “de Dienst”) inmiddels in de WION verplicht gesteld.

De informatie die de grondroerder via het KLIC van de beheerder ontving, bestond, en bestaat thans ook nog steeds, uit tekeningen waarop de ligging van kabels en leidingen was aangegeven. Van de grondroerder werd verwacht dat hij, door het graven van proefsleuven, het verrichten van proefboringen of door ander onderzoek ter plaatse, vaststelde waar de op de tekening aangegeven kabel of leiding feitelijk liep (“lokaliseren”). Een belangrijke vraag was en is in hoeverre de grondroerder hierbij uit mag gaan van de betrouwbaarheid van de verstrekte tekeningen. Om verschillende redenen kan de feitelijke ligging van een kabel of leiding afwijken van de op de tekening aangegeven ligging. Dat kan komen doordat de gegevens waarover de beheerder beschikt niet accuraat zijn, bijvoorbeeld doordat archieven niet zijn gedigitaliseerd of na een fusie of overname nog niet zijn samengevoegd. De informatie die door de beheerder moet worden verschaft, ziet bovendien alleen op de ligging van kabels in het horizontale vlak en niet op de diepte waarop zij liggen (dit is na invoering van de WION niet anders). Ten slotte, en dat is van belang voor de onderhavige zaak, is het een gegeven dat kabels en leidingen na verloop van tijd door allerlei omstandigheden (bijvoorbeeld inklinken van de grond, wortelgroei, werkzaamheden) van plaats kunnen veranderen. In de rechtspraak is dat gegeven meerdere malen als een feit van algemene bekendheid (althans binnen de sector) gekwalificeerd.

In de rechtspraak is regelmatig aan de orde geweest in hoeverre de grondroerder zich erop kan beroepen dat de feitelijke ligging van de kabel (sterk) afwijkt van de ligging volgens de tekening. De jurisprudentie leert dat de grondroerder een kabel die volgens de kaart in (de buurt van) het graafgebied zou liggen in beginsel daadwerkelijk diende te vinden. Hij kon zich er dus niet met succes op beroepen dat een op de tekening aangegeven kabel ondanks zorgvuldig onderzoek niet werd gevonden, ook niet als deze niet lag op de aangegeven plaats. In een dergelijk geval moest de grondroerder contact opnemen met de beheerder. Als een kabel werd geraakt die op een heel andere plaats bleek te liggen dan aangegeven, kon de omstandigheid dat de netbeheerder daarvan op de hoogte was maar dat niet aan de grondroerder had meegedeeld, wel eigen schuld aan de zijde van de beheerder opleveren. Dat ontsloeg de grondroerder echter niet van zijn lokaliseerplicht.

In de praktijk kwam (en komt) het voor dat een kabel middels proefsleuven op een of meerdere plaatsen werd gelokaliseerd, maar toch beschadigd raakte, omdat het verloop van de kabel sterk bleek af te wijken van het verloop dat na het graven van de proefsleuven kon worden verwacht. Er is enige rechtspraak over dat soort situaties. Daaruit kan de conclusie worden getrokken dat de grondroerder niet zonder meer aan zijn zorgplicht voldoet wanneer hij op basis van één of enkele proefsleuven aannames doet over het verloop van de kabel; afhankelijk van de omstandigheden van het geval en binnen de grenzen van het redelijke zal de grondroerder ermee rekening moeten houden dat de ligging van de kabel afwijkt van deze aannames en zal hij zijn verdere onderzoek of maatregelen daarop dienen af te stemmen.

Een andere categorie wordt gevormd door die gevallen waarin de beschadigde kabel in het geheel niet op de tekening stond aangegeven; in een dergelijk geval hoefde de grondroerder niet op de aanwezigheid van de kabel bedacht te zijn, hoewel van belang was of de grondroerder kon vermoeden dat de tekening incompleet was.

De verhouding tussen de onderzoeksplicht van de grondroerder en de “informatieplicht” van de beheerder is regelmatig onderwerp van geschil geweest, waarbij de grondroerder zich er ter bevrijding van aansprakelijkheid niet gemakkelijk op kon beroepen dat de verkregen informatie niet juist was althans niet strookte met de werkelijke situatie.

Doel en strekking van de WION

Aanleiding voor de WION was het feit dat bij ca. 20 procent van alle graafwerkzaamheden schade aan kabels en leidingen ontstaat. Uit onderzoek waren bovendien knelpunten gebleken met betrekking tot het proces van informatie-uitwisseling en de kwaliteit van de kabel- en leidinginformatie, de graafpraktijk en uitvoering, de verantwoordelijkheidsverdeling en daarmee de aansprakelijkheid van marktpartijen. De WION beoogt daarom het aantal incidenten met kabels en leidingen te verminderen door de informatie-uitwisseling over de ligging van het net op een eenduidige en effectieve wijze te regelen. Daartoe is onder meer in de wet vastgelegd dat netbeheerders verplicht zijn om “tijdig volledige, nauwkeurige en betrouwbare informatie aan te leveren over de liggingsgegevens van hun kabels en/of leidingen op de graaflocatie”.

Op grond van art. 2 lid 2 WION geldt voor de grondroerder een expliciete verplichting tot zorgvuldig graven. In lid 3 van hetzelfde artikel is bepaald dat de grondroerder ter uitvoering van het voorgaande lid zorgt dat a.) vóór aanvang van de graafwerkzaamheden een graafmelding (voorheen: KLIC-melding) is gedaan b.) onderzoek is verricht naar de precieze ligging van onderdelen van netten op de graaflocatie c.)  op de graaflocatie de van de Dienst ontvangen gebiedsinformatie aanwezig is.

Art. 5 WION biedt een wettelijke basis voor informatie-uitwisseling via de Dienst (de functie die voorheen door het KLIC werd vervuld). De daaropvolgende bepalingen beschrijven het proces en geven aan welke verplichtingen de betrokkenen in dit kader hebben. De grondroerder moet ten hoogste 20 dagen voor aanvang van de werkzaamheden een graafmelding doen en hierbij een “graafpolygoon” opgeven (art. 8 WION; een graafpolygoon is blijkens art. 1 lid onder n WION een weergave van het gebied waarin de graaflocatie zich bevindt). De beheerder verstrekt onverwijld, maar in elk geval binnen één dag, liggingsgegevens van kabels en leidingen aan de Dienst (art. 10 WION), die deze gegevens weer doorgeeft aan degene die de graafmelding heeft gedaan (art. 11 WION). Blijkt bij de werkzaamheden dat de ligging van een kabel of leiding afwijkt van de verstrekte gegevens, dan geeft de grondroerder dat door aan de Dienst; deze geeft dat weer door aan de beheerder, die binnen dertig dagen de “noodzakelijke maatregelen” zal treffen (art. 17 WION).

Art. 21 lid 1 WION bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gegeven omtrent de te verstrekken informatie. Deze regels zijn neergelegd in het BION. Art. 5 lid 2 BION bepaalt: “De liggingsgegevens die deel uitmaken van de beheerdersinformatie, hebben betrekking op de horizontale ligging en zijn gebaseerd op de meest nauwkeurige metingen die voor de beheerder beschikbaar zijn, met dien verstande dat de metingen ten minste een nauwkeurigheid van een meter hebben.”

Bij strikte lezing ziet de “nauwkeurigheidsmarge” van één meter op de metingen en niet op de verstrekte liggingsgegevens als zodanig. In de Nota van toelichting bij het BION staat daarover het volgende: “De beheerder verstrekt liggingsgegevens op basis van metingen over de ligging van zijn net. De nauwkeurigheid van liggingsgegevens is derhalve afhankelijk van de nauwkeurigheid waarmee die metingen zijn verricht. Ingevolge het tweede lid dienen metingen ten minste een nauwkeurigheid van een meter te hebben. Indien de beheerder kan beschikken over meer nauwkeurige meetgegevens dient hij deze te gebruiken.”

Het is de vraag of met art. 5 lid 2 BION bedoeld is te bepalen dat de aan de grondroerder verstrekte liggingsgegevens op één meter nauwkeurig moeten zijn. Denkbaar lijkt bijvoorbeeld dat, ook indien de metingen op één meter nauwkeurig zijn, bij het overzetten van de metingen naar een tekening een zeker verlies aan nauwkeurigheid optreedt. De Nota van toelichting zegt daar niets over. De Memorie van Toelichting bij de WION lijkt er echter vanuit te gaan dat de nauwkeurigheidsmarge van art. 5 lid 2 BION betrekking heeft op de liggingsgegevens die aan de grondroerder worden verstrekt als zodanig.

De WION geeft dus niet alleen een wettelijke basis aan de – reeds voordien uit de rechtspraak bekende – verplichting van de grondroerder om zorgvuldig te werk te gaan, waaronder begrepen zijn verplichting om te lokaliseren, maar ook aan de verplichting van de beheerder om liggingsgegevens te verstrekken. In het BION is daaraan nadere invulling gegeven met de bepaling dat de metingen waarop die informatie is gebaseerd ten minste tot op één meter nauwkeurig moeten zijn.

In de WION en het BION zelf is verder niet geregeld wat de informatieplicht of de nauwkeurigheidsmarge betekent voor de aansprakelijkheid van de grondroerder; de regelgeving zelf bevat geen bepalingen die betrekking hebben op aansprakelijkheid. De wetgever heeft juist voorzien in handhaving van de voorschriften uit de WION en het BION langs bestuursrechtelijke weg. Zo wordt een overtreding van art. 2 WION, de algemene verplichting van de grondroerder tot zorgvuldig graven, bedreigd met een bestuurlijke boete van ten hoogste € 450.000 (art. 26 lid 1 WION). Voor het niet tijdig doen van een graafmelding (art. 8 WION) kan een boete van ten hoogste € 100.000 worden opgelegd (art. 26 lid 2 WION). Ook de beheerder kan een boete (van ten hoogste € 100.000) opgelegd krijgen, onder meer indien hij niet onverwijld de gevraagde liggingsgegevens verstrekt aan de Dienst (art. 26 lid 2 WION). Een boete van diezelfde hoogte kan ook worden opgelegd bij een overtreding van hetgeen krachtens art. 21 lid 1 WION is bepaald: dit omvat dus mede de regel van art. 5 lid 2 BION dat de metingen ten minste een nauwkeurigheid van één meter dienen te hebben.

Hoewel de WION niet voorziet in regels met betrekking tot aansprakelijkheid, bevat de Memorie van Toelichting wel een aantal voor aansprakelijkheid relevante passages. Zo vermeldt de toelichting onder het kopje “Aansprakelijkheid en handhaving” dat de WION beoogt meer evenwicht te brengen in de verantwoordelijkheidsverdeling tussen grondroerder en netbeheerder, waar die volgens de toelichting in belangrijke mate bij de grondroerder was komen te liggen.

Verder is over aansprakelijkheid onder meer het volgende te lezen:

  • 3.1 Algemeen: Schade aan kabels en leidingen wordt afgewikkeld op grond van het civielrechtelijke aansprakelijkheidsregime, waarvan artikel 162 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek de basis vormt. In de afgelopen decennia heeft de jurisprudentie zich op basis van een beperkt aantal cases ontwikkeld. Het zwaartepunt van de aansprakelijkheid is door de jurisprudentie aan de kant van de grondroerder komen te liggen. Dit wetsvoorstel beoogt meer evenwicht te brengen in de verantwoordelijkheidsverdeling tussen grondroerders en kabel- en leidingbeheerders. Het betreft geen wijziging van de aansprakelijkheidsbepalingen uit het Burgerlijk Wetboek. Deze verduidelijking van de verantwoordelijkheidsverdeling maakt duidelijker wie op grond van het Burgerlijk Wetboek aansprakelijk kan worden gesteld voor schade aan kabels en leidingen.”

  • 3.2 Huidige situatie: “(…) Eén van de problemen van de huidige wijze van informatie-uitwisseling is, dat de tekeningen die verstrekt worden, niet altijd even nauwkeurig zijn (zie ook paragraaf 1). Bovendien mag de beheerder zelf weten hoe de informatie wordt aangeleverd. Als gevolg daarvan gebeurt de verzending per post, per fax of elektronisch en wordt er geen gebruik wordt gemaakt van een uniforme kaartondergrond. De grondroerder heeft met zoveel verschillende tekeningen geen goed totaal overzicht. Indien bij graafwerkzaamheden hierdoor schade aan de kabels en leidingen ontstaat kan de grondroerder zich, op basis van de huidige jurisprudentie, in rechte niet of nauwelijks beroepen op de kwaliteit van de tekeningen. (…)”
     
  • 3.3 Toekomstige situatie: “Dit wetsvoorstel omschrijft duidelijk wie welke verantwoordelijkheden heeft. De kabel- en leidingbeheerder moet informatie aanleveren die aan de eisen uit dit wetsvoorstel en de daarop gebaseerde regelgeving voldoet. Omdat wordt vastgelegd wat grondroerders in de gegeven omstandigheden van de verkregen gebiedsinformatie mogen verwachten, wordt ook duidelijker wanneer de informatie niet aan deze eisen voldoet. Dit betekent bijvoorbeeld dat de informatie die op de kaart wordt aangegeven binnen een bepaalde marge moet corresponderen met de feitelijke situatie in de grond. Liggen de kabels of leidingen buiten die marge dan is de beheerder aansprakelijk voor eventuele schade aan de kabels of leidingen. Dit geeft een grote stimulans aan beheerders om de liggingsgegevens op de juiste wijze aan te bieden en ook op orde te krijgen. Deze marge wordt, zoals eerder is aangegeven, opgenomen in lagere regelgeving. Dit ontslaat de grondroerder niet van de plicht om altijd zorgvuldig te graven. (…) De combinatie van de in deze wet opgenomen eisen, de bestaande aansprakelijkheidswetgeving uit het Burgerlijk Wetboek en de door de sector te maken afspraken, versterken elkaar zodanig, dat eenvoudiger kan worden bepaald wie er in geval van graafschade te kort is geschoten.”

  • 3.4 Handhaving: “Om het doel van het wetsvoorstel te bereiken, zullen betrokken partijen hun gedrag moeten veranderen. Met andere woorden: zorgvuldig graven moet de standaard worden. In dit wetsvoorstel wordt een aantal wettelijke plichten geïntroduceerd waardoor voor betrokken partijen duidelijker vast komt te staan wat hun verantwoordelijkheid is en wat er van hen verwacht wordt. Partijen kunnen elkaar ook aanspreken op de gevolgen van eventuele niet-nakoming. Voor de handhaving van het wetsvoorstel en het bevorderen van een zorgvuldige graafpraktijk wordt niet alleen vertrouwd op eventuele onrechtmatige daadsacties.”

Met name de geciteerde passages die de “Toekomstige situatie” beschrijven, kunnen de indruk wekken dat met de wetswijziging is beoogd de aansprakelijkheid van grondroerders voor schade bij graafincidenten in te perken ten opzichte van hetgeen voordien gold. De wettekst zelf en de doelstellingen van de WION, zoals weergegeven in de Memorie van Toelichting, passen echter meer bij het beeld dat met de WION is beoogd vast te leggen welke verplichtingen er voor de diverse betrokkenen zijn. Door een wettelijke informatieverplichting voor de beheerder te creëren naast de onderzoeksplicht van de grondroerder wordt inderdaad meer evenwicht in hun onderlinge verhouding bereikt. Ook is duidelijk dat de WION tot doel heeft het aantal incidenten waarbij schade aan kabels en leidingen ontstaat te verminderen, hetgeen uiteraard ook zou meebrengen dat grondroerders minder vaak aansprakelijk zullen (hoeven te) worden gesteld. Uit de wettekst en de toelichting is niet zonder meer af te leiden dat met de WION en – met name – de nauwkeurigheidsmarge van art. 5 lid 2 BION is beoogd dat grondroerders minder snel aansprakelijk zullen kunnen worden gesteld voor ontstane schade aan kabels en leidingen dan voorheen. Van een (verkapte) beperking van hun aansprakelijkheid is dan ook geen sprake. Uit die bepaling volgt veeleer een positieve verplichting voor de netbeheerder om de kabels zo nauwkeurig mogelijk op de kaart aan te geven.

Dit neemt niet weg dat deze op aansprakelijkheid betrekking hebbende passages in de Memorie van Toelichting tot vragen in de literatuur aanleiding hebben gegeven en kritiek hebben uitgelokt.

Richtlijn zorgvuldig graafproces

Gelet op deze kritiek is het van belang om te bezien hoe in de praktijk met de verplichtingen uit de WION wordt omgegaan. Uit wet en toelichting blijkt dat de algemene zorgvuldigheidsverplichting van art. 2 lid 2 WION door de sector zelf nader moet worden uitgewerkt. Dit heeft geresulteerd in de “Richtlijn zorgvuldig graafproces” (ook wel ‘de CROW-richtlijn’ of de ‘CROW250’). Deze Richtlijn is door de sector opgesteld teneinde de wettelijke plicht tot zorgvuldig graven nader te concretiseren. Volgens de Richtlijn dient de grondroerder vóór aanvang van de werkzaamheden onderzoek te verrichten naar de precieze ligging van kabels en leidingen door ter plaatse proefsleuven te graven. De Richtlijn gaat ervan uit dat er geen uniforme regels zijn te geven voor het kiezen van de plaatsen van deze proefsleuven en de afstand daartussen; indien hierover geen afspraken met de opdrachtgever of netbeheerder zijn gemaakt, zal de grondroerder zich moeten laten leiden door zijn kennis, kunde en ervaring. Daarbij zal hij rekening moeten houden met bijzondere kenmerken van het terrein en andere factoren die eraan kunnen bijdragen dat kabels anders liggen dan aangegeven. Volgens de Richtlijn gaat het daarbij bijvoorbeeld om obstakels (zoals boomwortels), om eerder ter plaatse uitgevoerde werkzaamheden, om lussen in kabels die voor een verbindingslas (mof) kunnen liggen en om kruisingen met en lassen in kabels hoger of naast de ligging. Bijzondere alertheid is geboden wanneer zich wijzigingen hebben voorgedaan in de (terrein)situatie, aldus de Richtlijn. Uit de Richtlijn valt verder op te maken dat ook geen regels zijn gegeven voor het aantal proefsleuven dat moet worden gegraven: de Richtlijn schrijft slechts voor dat “voldoende proefsleuven” moeten worden gegraven.

Volgens de Richtlijn moeten proefsleuven worden gegraven als zich volgens de tekening binnen 1,5 meter aan weerszijden van het graafprofiel kabels of leidingen zouden bevinden. Bij het plaatsen van damwandplanken, zoals in het onderhavige geval, bepaalt de Richtlijn het volgende: “Wanneer proefsleuven? (…) 2 Bij een verticale grondboring, sondering of het aanbrengen van palen en damwandplanken: Wanneer de theoretische horizontale ligging van onderdelen van netten zich geheel of gedeeltelijk bevindt: (…) situatie 4: binnen een horizontale afstand van 1,50 m vanaf de buitendiameter van de geprojecteerde grondboring of sondering, dan wel binnen een horizontale afstand van 1,50 m vanaf de buitenafmetingen van de geprojecteerde paal of damplank (zie bijlage II, figuren 2 en 4).”

Met betrekking tot de omvang van de te graven proefsleuven schrijft de Richtlijn voor dat deze aan weerszijden van de theoretische ligging van de kabel één meter lang moeten zijn. Wordt de kabel of leiding echter niet binnen die strook aangetroffen, dan moet de grondroerder volgens de Richtlijn wachten met het uitvoeren van de graafwerkzaamheden en de netbeheerder waarschuwen. Wordt de kabel alsnog aangetroffen op een plaats die meer dan een meter van de tekening afwijkt, dan moet dat (overeenkomstig art. 17 WION) aan de netbeheerder worden doorgegeven. Van Velsen heeft erop gewezen dat deze marges zeer klein zijn, nu de schaal van de verstrekte tekeningen 1:500 en vaak nog 1:1000 bedraagt; een afwijking van 1 meter vertaalt zich dus in 1 of 2 millimeter op de tekening. Wel is duidelijk dat de Richtlijn niet uitgaat van de genoemde, in de literatuur onwenselijk geachte interpretatie van art. 5 lid 2 BION, inhoudende dat de grondroerder aan zijn wettelijke plicht zou hebben voldaan als hij één meter aan weerszijden van de theoretische ligging van de kabel heeft gezocht en daar niets heeft aangetroffen. Volgens de Richtlijn kan de grondroerder daarmee niet volstaan, maar moet hij in zo’n geval wachten met zijn werkzaamheden en actie ondernemen door de beheerder te waarschuwen. Naar ik aanneem, zal de grondroerder ook zelf buiten de bandbreedte verder mogen zoeken tot de kabel is gevonden; wat in elk geval niet mag, is beginnen met de werkzaamheden met het risico dat de niet gevonden kabel wordt beschadigd.

Het regime m.b.t. tot (mogelijke) aansprakelijkheid van de grondroerder o.g.v. de WION

Uit de rechtspraak o.g.v. de WION komt naar voren dat het bestaan van de informatieplicht van de beheerder en van de nauwkeurigheidseisen aan de verstrekte informatie de grondroerder niet ontslaat van zijn verplichting om zorgvuldig te graven. Dat betekent dat hij de op de tekening aangegeven kabels in beginsel nog altijd daadwerkelijk zal moeten vinden. Dat de kabel niet binnen de nauwkeurigheidsmarge van art. 5 lid 2 BION ligt, lijkt van beperkte betekenis te worden gevonden: zo kan de grondroerder zich niet op die omstandigheid beroepen als hij in het geheel niet heeft gelokaliseerd. Een dergelijke afwijkende ligging levert bovendien geen onrechtmatige daad van de netbeheerder op, maar kan hem eventueel wel als eigen schuld worden tegengeworpen.

Art. 5 lid 2 BION kwam aan de orde in een zaak bij de rechtbank Groningen. Deze achtte een grondroerder niet aansprakelijk voor schade aan een kabel die 2,5 meter van de op de tekening aangegeven locatie lag. Volgens de rechtbank kon uit de Memorie van Toelichting bij de WION worden afgeleid dat schade aan kabels die meer dan een meter van de aangegeven locatie liggen voor rekening van de netbeheerder blijft. Uiteindelijk stond het feit dat de kabel in dit geval meer dan een meter van de aangegeven locatie lag echter op zichzelf niet aan de aansprakelijkheid van de grondroerder in de weg. De rechtbank oordeelde dat de grondroerder vanwege het bepaalde in art. 5 lid 2 BION niet verder hoefde te zoeken dan een straal van 1 à 1,5 meter van de aangegeven locatie. Bovendien ging het om een kabel die volgens de tekening dusdanig ver van de graaflocatie lag (2,5 meter) dat deze ook volgens de Richtlijn niet gelokaliseerd had behoeven te worden (deze hanteert immers een marge van 1,5 meter vanaf het graafprofiel). De verwijzing naar het bepaalde in art. 5 lid 2 BION was hier dus strikt genomen niet nodig om tot een afwijzing van aansprakelijkheid te komen. In een ander geval werd een beroep op eigen schuld van beheerder Stedin vanwege het beweerdelijke niet voldoen aan de nauwkeurigheidsmarge van art. 5 lid 2 BION afgewezen; het maatschappelijke belang bij strikte naleving van de onderzoeksplicht door de grondroerder verzette zich volgens de kantonrechter tegen een beroep op eigen schuld. In dit geval werd de grondroerder aansprakelijk bevonden, omdat hij in het geheel geen proefsleuven had gegraven terwijl dit volgens de Richtlijn wél had gemoeten, omdat binnen 1,5 meter van het graafprofiel een gasleiding liep.

Slotsom

Met de WION en de daarop gebaseerde lagere regelgeving is beoogd meer duidelijkheid te geven over de verantwoordelijkheden van de verschillende betrokkenen. Met name art. 5 lid 2 BION benadrukt dat ook de netbeheerder een taak heeft bij het voorkomen van graafschade: hij is verplicht informatie te verstrekken, die bovendien zo nauwkeurig mogelijk dient te zijn. Dat met die nauwkeurigheidsmarge een beperking van de zorgplicht, en daarmee van de aansprakelijkheid van grondroerders zou zijn beoogd, valt uit regelgeving of toelichtende stukken echter niet af te leiden. Dat in de rechtspraak na invoering van WION en BION de verhouding tussen de van de grondroerder te verwachten zorgvuldigheid en de nauwkeurigheidsmarge van art. 5 BION bij herhaling aan de orde is geweest, behoeft niet te verbazen. De toelichting is niet volkomen helder en grondroerders tasten uiteraard de mogelijkheden tot beperking van eventuele aansprakelijkheid af. Tot nog toe zonder succes: er zijn geen uitspraken waarin aansprakelijkheid van de grondroerder is afgewezen vanwege het enkele feit dat de verstrekte liggingsgegevens niet voldeden aan de één meter-norm van art. 5 lid 2 BION; daarentegen is in verschillende zaken overwogen dat die omstandigheid de grondroerder niet ontslaat van zijn verplichting om de kabels en leidingen te lokaliseren. De soep lijkt dus niet zo heet te worden gegeten als in de literatuur wel werd gevreesd: de nauwkeurigheidsmarge van art. 5 lid 2 BION wordt niet zo geïnterpreteerd, dat een afwijking daarvan (de kabel of leiding ligt meer dan 1 meter af van de op de tekening aangegeven plaats) zonder meer voor rekening van de beheerder komt en de grondroerder van aansprakelijkheid ontslaat. De onderzoeksplicht van de grondroerder, die niet alleen de inspanningsverplichting inhoudt om op de tekening aangegeven kabels te zoeken, maar ook de resultaatsverplichting om deze daadwerkelijk te vinden en de netbeheerder te informeren wanneer de kabel niet gevonden kan worden, is ook na invoering van de WION voorop blijven staan.

Voor meer informatie over deze conclusie van de A-G kunt u contact opnemen met Jan Veldhuis

ONZE MENSEN VAN A TOT Z//
  • Incasso debiteuren, regel het goed! NAAR NIEUWS//
  • Automatisch gezag bij erkenning?
  • Restschuld na crisis; kan ik mijn bank daarvoor verantwoordelijk houden?
  • Geen huwelijkse voorwaarden? Toch blijft privé, wat privé was.
  • Ontslag nemen, lagere alimentatie?
  • Belangrijke termijn voor werknemers bij ontslag op staande voet
  • Dienstverband laten ‘slapen’ om geen transitievergoeding te hoeven betalen, is toegestaan
  • Twaalf jaar partneralimentatie?
  • Van twee naar vier ouders?
  • Overlast door huurders: wat vindt het Gerechtshof daarvan?
  • De failliete huurder: leegstandschade en de bankgarantie
  • Wetsvoorstel UBO-register omvat nieuwe ‘terugmeldingsplicht’ Wwft-instellingen
  • Is uw gedragsverklaring aanbesteden nog geldig?
  • Een werknemer met twee dienstverbanden? Houd rekening met de Arbeidstijdenwet!
  • Strafvervolging voor bestuurder van beboete rechtspersoon
  • Nieuw ROZ-model huurovereenkomst voor woonruimte
  • Het adviesrecht van de ondernemingsraad in geval van faillissement
  • Transitievergoeding ook verschuldigd bij dienstverband van exact 24 maanden
  • Onteigening Hedwigepolder: gaat de Hoge Raad om?
  • Koop breekt geen huur (maar soms wel in stukjes)
  • UAV-GC 2005: (gevolgen van) onvoorziene omstandigheden?
  • Parfums voor € 30,-. Moet Bol.com leveren?
  • Provincie Fryslân kan door met inpassingsplan
  • Valse reviews op internet: niet zonder consequenties
  • Transitievergoeding bij langdurig arbeidsongeschiktheid: geld terug?
  • Onteigening Hedwigepolder: Hoge Raad bevestigt rechtbankvonnis
  • Natrekking versus wegbreekrecht; voor wie gaat de zon op?
  • Nederlands huurstelsel niet in strijd met het eigendomsrecht
  • Belangrijk arrest HvJ EU over toepassing van de Dienstenrichtlijn bij bestemmingsplanregels over detailhandel
  • Goodwill valt niet onder tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten bij dringend eigen gebruik
  • De statutair directeur (deel 1) – Benoeming en indiensttreding
  • Overheid wil het aantal vechtscheidingen terugdringen
  • De statutair directeur (deel 2) – Ontslag: geen ontslagbescherming, maar niet vogelvrij
  • Verborgen camera’s: diefstal op de werkvloer NAAR NIEUWS//
  • De meest gestelde vragen over de AVG: deel 1 – Minder dan 250 werknemers: toch een verwerkingsregister bijhouden? NAAR NIEUWS//
  • De meest gestelde vragen over de AVG: deel 2 – Toestemming niet altijd nodig NAAR NIEUWS//
  • Bankbreuk; wat is dat eigenlijk? NAAR NIEUWS//
  • Wetsvoorstel Wet arbeidsmarkt in balans: wat verandert er? Wetsvoorstel Wet arbeidsmarkt in balans: wat verandert er?
LEEUWARDEN Jan Veldhuis
Stel Hier Uw Vraag contactformulier//