Balans gezocht: de WWZ wordt aangepast

Een aantal maanden geleden schreef mijn kantoorgenote Femke Westra al over het concept-voorstel van de wet Arbeidsmarkt in Balans (de Wab). Na internetconsultatie en advies van de zijde van de Raad van State is het definitieve wetsvoorstel op 7 november 2018 bij de Tweede Kamer ingediend. Uit dit definitieve wetsvoorstel en de memorie van toelichting hierop blijkt, dat de voorgenomen belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de WWZ de volgende zijn:

Verlenging proeftijd
Bij kortdurende dienstverbanden tot 2 jaar verandert er, als de Wab wordt aangenomen, voor wat betreft de proeftijd niets. Maar indien een tijdelijke arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor 2 jaar of meer, mag onder de Wab een proeftijd van (maximaal) 3 maanden worden afgesproken en bij een vast dienstverband ‘zelfs’ (maximaal) 5 maanden.

De gedachte is dat werkgevers, als ze langer de tijd krijgen om hun personeel ‘te testen’, eerder bereid zullen zijn om direct een langer of zelfs vast dienstverband aan te bieden. De vraag is echter of met deze wijziging het beoogde doel wordt bereikt. De volgende voorgestelde wijziging zou dat wel eens kunnen belemmeren.

Uitbreiding ketenregeling
Als het aan het kabinet ligt, mogen straks namelijk weer 3 opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd met een totale maximumduur van 3 jaar (in plaats van nu 2 jaar) worden aangeboden. Net als onder de WWZ het geval is, zal een eventuele 4e opvolgende arbeidsovereenkomst (ongeacht de totale duur) in alle gevallen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zijn. Ook wordt voorgesteld om de “pauzeperiode” tussen 2 arbeidsovereenkomsten bij cao te kunnen terugbrengen naar 3 maanden in geval van terugkerend tijdelijk werk en een uitzondering te maken voor tijdelijke invalkrachten in het primair onderwijs die een leerkracht vervangen wegens ziekte. In de kern betekent de Wab, dat de werkgever dus meer mogelijkheden heeft om (nog) geen vast dienstverband aan te bieden.

Een extra combinatie ontslaggrond
Gebleken is ook dat werkgevers terughoudend zijn met het aanbieden van een vast dienstverband. Niet in de laatste plaats omdat er nog maar weinig mogelijkheden zijn voor werkgevers om een rechter succesvol te verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Onder de WWZ moet de werkgever een wettelijke ontslaggrond kiezen. En de gekozen ontslaggrond moet voldragen zijn. Een half disfunctioneringsdossier mag bijvoorbeeld niet worden opgeteld bij een (grotendeels) verstoorde verhouding. Onder de Wab wordt dat anders. Het wordt mogelijk om de verschillende ontslaggronden te combineren, dus bij elkaar op te tellen. Dat kan de werkgever wel een extra vergoeding kosten van maximaal 0,5 x de transitievergoeding. Het kabinet meent dat het zo makkelijker wordt het dienstverband te beëindigen en werkgevers zouden daarom sneller een vast dienstverband willen aanbieden.

Overige wijzigingen
Naast de hiervoor genoemde wijzigingen verandert er nog meer met de Wab als het aan het kabinet ligt. In vogelvlucht:

  • een werknemer krijgt vanaf dag 1 recht op de transitievergoeding;
  • indien in de proeftijd wordt opgezegd, kan de werkgever alleen rechten ontlenen aan een concurrentiebeding in geval van noodzaak wegens zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen;
  • de opbouw van de transitievergoeding wordt over het gehele dienstverband hetzelfde berekend (elk half dienstjaar 1/6 maandsalaris en naar rato bij het niet volmaken van een half dienstjaar);
  • er komt een regeling voor kleine werkgevers ter compensatie van de transitievergoeding als zij hun bedrijf moeten sluiten als gevolg van pensionering of ziekte;
  • werknemers die op payrollbasis werken, krijgen dezelfde arbeidsvoorwaarden als de werknemers die in dienst zijn bij de opdrachtgever, met uitzondering van pensioen;
  • de rechtspositie van oproepkrachten wordt gewijzigd; en
  • de ww-premie is niet langer afhankelijk van de sector waarin het bedrijf actief is, maar van de vraag welk type arbeidsovereenkomst (bepaalde tijd of onbepaalde tijd) de werkgever aan zijn werknemer(s) aanbiedt.

Status
De Raad van State heeft kritisch geadviseerd op het op 7 november jl. ingediende wetsvoorstel. Tijdens de behandeling in de Tweede en de Eerste Kamer zal dan ook moeten blijken of de wet uiteindelijk daadwerkelijk wordt aangenomen en welke wijzigingen wellicht nog zullen worden doorgevoerd in het wetsvoorstel.

De zoektocht naar balans is dus nog niet ten einde en het is dan ook maar de vraag of de beoogde datum van inwerkingtreding (1 januari 2020) gehaald zal worden.

Wilt u meer informatie over dit onderwerp of advies, neem dan contact op met mr. Willemijn Bos.

Is overhevelen van vermogen naar een spaargeld-bv interessant voor u?

Is overhevelen van vermogen naar een spaargeld-bv interessant voor u?

Heeft u al eens overwogen uw spaargeld onder te brengen in een spaargeld-B.V.? Dit kan direct voordeel voor u opleveren. Lees verder om te beoordelen of deze mogelijkheid voor u interessant is.

Belastingdruk in box 3
Ieder jaar moet u over het saldo van uw vermogen per 1 januari inkomstenbelasting betalen in box 3. De belastingheffing in deze box is niet gebaseerd op het werkelijk door u behaalde rendement, maar op een forfaitair rendement, een fictief rendement. Het maakt daardoor voor de door u te betalen belasting over uw vermogen dus niet uit hoeveel rendement u daadwerkelijk met uw vermogen heeft gerealiseerd. Over het forfaitaire rendement wordt vervolgens 30% belasting geheven.

Rendementspercentages box 3 voor 2019
Op Prinsjesdag 2018 heeft het kabinet de rendementspercentages voor box 3 zoals die zullen gelden voor 2019 bekendgemaakt.

Het forfaitaire rendement in de inkomstenbelasting als % van box 3-vermogen is als volgt vastgesteld:

Van                   tot                    forfaitair rendement      box 3 tarief       effectieve belasting

€ 0                    € 30.360           0%                               30%                 0%

€ 30.360           € 102.010         1,94%                          30%                 0,58%

€ 102.010         € 1.020.096      4,45%                          30%                 1,34%

€ 1.020.096      onbeperkt         5,6%                            30%                 1.68%

Zoals valt af te lezen uit de tabel betaalt u procentueel meer belasting naarmate u meer vermogen heeft.

Hoe werkt de Spaargeld-B.V.?
Het kan ook anders. U kunt uw spaargeld van box 3 naar box 2 overhevelen. Als u dit doet voor 1 januari 2019, kunt u mogelijk direct voordeel behalen.

Door uw vermogen in te brengen in een door u op te richten B.V., valt dat vermogen vanaf dat moment niet meer in box 3. Als tegenprestatie voor het door u in te brengen vermogen ontvangt u de aandelen in de door u opgerichte B.V. Deze aandelen maken vanaf dat moment, ter vervanging van het ingebrachte box 3-vermogen, onderdeel uit van uw vermogen in box 2.

In tegenstelling tot de regeling die geldt voor box 3 wordt in box 2 het werkelijk door de B.V. gerealiseerde rendement belast. Hierover dient door uw B.V. vennootschapsbelasting te worden afgedragen. Deze belasting gaat in de komende jaren stapsgewijs omlaag. Het verlaagde tarief voor winst tot en met € 200.000,00 gaat van 20% naar 19% in 2019. In de jaren daarna daalt het tarief verder naar 16,5% in 2020 en uiteindelijk naar 15% in 2021. Verder gaat het reguliere tarief voor winst boven € 200.000,00 van 25% in 2019 naar 22,55% in 2020 en uiteindelijk 20,50% in 2021.

Wordt door de B.V. rendement behaald en wilt u dit op enig moment in uw privévermogen ontvangen, dan kunt u als aandeelhouder van de B.V. tot een dividenduitkering aan uzelf als aandeelhouder besluiten. Over ontvangen dividenduitkeringen bent u in box 2 een belastingtarief van 25% verschuldigd. U kunt er ook voor kiezen het rendement in de B.V. te behouden en dus niet uit te keren. Zolang u niet tot uitkering overgaat, stelt u de belastingheffing in box 2 uit. Dit kan uiteraard zeer interessant voor u en uw B.V. zijn.

In veel gevallen zal het bedrag dat u per saldo aan vennootschapsbelasting en box 2-heffing betaalt over het daadwerkelijk behaalde rendement van uw spaargeld lager uitvallen dan de box 3-heffing over het forfaitair rendement.

Spaargeld belastingvrij terugbetalen
Het spaargeld dat u op deze wijze in uw B.V. heeft ingebracht kunt u in de toekomst ook weer uit uw B.V. halen. Dit kan belastingvrij plaatsvinden doordat u de nominale waarde van de aandelen in het kapitaal van de B.V. door een statutenwijziging verlaagt. De verlaging kan vervolgens aan u als aandeelhouder worden uitgekeerd.

Wanneer voor u interessant?
Of het voor u voordeliger is om in de B.V. te sparen dan wel het vermogen in box 3 aan te houden, hangt voornamelijk af van het werkelijk door u behaalde rendement. Daarbij moet u uiteraard in geval van keuze voor sparen in de B.V. ook rekening houden met bijkomende kosten, zoals notariskosten, bankkosten en accountantskosten.

Voor nadere informatie over dit onderwerp en voor het verzorgen van de oprichting van een spaargeld-B.V. nodigt mevrouw mr. Simone Frugte u van harte uit om telefonisch dan wel per e-mail contact met haar op te nemen.

Ontbinding is ontbinding, ook bij sociale huurwoningen

Arrest Hoge Raad van 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810

Over de ontbinding van huurovereenkomsten wordt veel geprocedeerd. Dat geldt voor alle soorten huurovereenkomsten. Ontbinding biedt – zeker bij woonruimte en winkelruimte – een snellere route naar huurbeëindiging dan opzegging. Vereist is wel dat de huurder in de nakoming van de huurovereenkomst tekort schiet (ook wel: wanprestatie pleegt).

Achtergrond

Voor ontbinding van huurovereenkomsten kent de wet geen bijzondere regeling. Net als bij ieder ander contract geeft iedere tekortkoming de bevoegdheid tot ontbinding. Dit tenzij de geringe betekenis of bijzondere aard de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Die regel (artikel 6:265 lid 1 BW) geldt voor de ontbinding van een huurovereenkomst maar ook, bijvoorbeeld, bij de koop van een brood.

Het is de (wanpresterende) huurder die moet aanvoeren waarom, ondanks zijn wanprestatie, de huurovereenkomst toch niet moet worden ontbonden. Op zichzelf is daar niets mis mee, maar dit leidt wel tot problemen wanneer de huurder verstek laat gaan en dus geen verweer voert. Een vraag is of een rechter dan toch mag beoordelen of de ontbinding wel gerechtvaardigd is. Bij woonruimte – waar iemands woning op het spel staat – is die vraag dringender.

Prejudiciële vragen

Voor de (voorzieningenrechter in de) rechtbank Amsterdam was dit alles aanleiding om (prejudiciële) vragen aan de Hoge Raad te stellen over (i) de ontbindingsregeling in de wet en (ii) of bijzondere eisen moeten worden gesteld als het gaat om (schaarse) sociale woonruimte. In zijn arrest van 28 september 2018 geeft de Hoge Raad antwoord, waarbij hij ook ingaat op de vraag of bijzondere eisen gelden voor de ontbinding van een huurovereenkomst voor sociale woonruimte.

Oordeel Hoge Raad

Heel kort samengevat, komt het oordeel van de Hoge Raad erop neer dat bij sociale woonruimte géén bijzondere eisen gelden voor de ontbinding van een huurovereenkomst. De wettelijke regeling kent een hoofdregel: iedere tekortkoming geeft de schuldeiser de bevoegdheid de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Daarop bestaat een uitzondering: de geringe betekenis of bijzondere aard van de tekortkoming rechtvaardigen de ontbinding met haar gevolgen niet. In essentie geeft daarmee slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht op ontbinding. In die gevallen kan niet van de schuldeiser worden gevraag dat hij verder gaat met zijn wederpartij. Die regel stoelt uiteindelijk op de redelijkheid en billijkheid.

De structuur van hoofdregel en uitzondering brengt mee dat de schuldeiser (verhuurder) moet stellen en bewijzen dat sprake is van een tekortkoming (en, zo nodig, dat sprake is van verzuim). De schuldenaar (huurder) zal de omstandigheden moeten stellen en bewijzen die een uitzondering rechtvaardigen. Dat is ook logisch omdat de omstandigheden die een beroep op de uitzondering ondersteunen aan de huurder bekend zullen zijn (ze liggen in zijn domein).

Alhoewel het aan de huurder is om zich op de uitzondering te beroepen, hoeft de rechter daar niet formalistisch mee om te gaan. Een verweer dat geen sprake is van een tekortkoming kan ook (of mede) als een beroep op de uitzondering worden gezien. Alle omstandigheden van het geval kunnen van belang zijn, maar het is aan de rechter om daarin een in concreet geval meer of minder gewicht te hechten. Dat de verhuurder een alternatief heeft (nakoming eisen, bijvoorbeeld), de huurder zijn huurachterstand heeft betaald of zijn leven heeft gebeterd of zich van kwaad bewust was, zijn omstandigheden die een rol kunnen spelen, maar niet beslissend hoeven te zijn.

Omdat alle omstandigheden kunnen worden meegewogen, inclusief het mogelijke verlies van een woning, bestaat naar het oordeel van de Hoge Raad geen behoefte aan bijzondere regels voor sociale huurwoningen. Zo kan ook rekening worden gehouden met het belang van sociale woningbouwverenigingen (woningcorporaties) om een (schaarse) huurwoning beschikbaar te krijgen voor sociale verhuur.

Wat nu als de huurder niet in de procedure verschijnt (verstek laat gaan)? Ook dan heeft de rechter volgens de Hoge Raad beoordelingsruimte. Voor huurovereenkomsten van gebouwde onroerende zaken (woningen dus, maar ook kantoor- en winkelruimte) schrijft de wet (artikel 7:231 lid 1 BW) voor dat ontbinding door de rechter moet plaatsvinden. Deze dwingend voorgeschreven rechterlijke tussenkomst strekt ertoe dat de rechter het gewicht van de tekortkoming in verhouding tot het woonbelang van de huurder vooraf toetst. Deze toetsing kent echter wel een praktische begrenzing, want de rechter kan slechts rekening houden met de voor hem kenbare feiten en omstandigheden.

Duiding van het arrest

Hoe deze uitspraak te duiden? Dat bij ontbinding alle omstandigheden van het geval kunnen meewegen is niet nieuw. Dat het aan de rechter is om al die omstandigheden te beoordelen is dat ook niet. In zoverre geeft de Hoge Raad de geldende jurisprudentie weer met een uitleg hoe die toe te passen in huurzaken. De Hoge Raad lijkt wel meer ruimte te geven voor een beoordeling door de rechter indien de huurder niet in de procedure verschijnt.

Eerdere rechtspraak leek erop neer te komen dat, indien de huurder zich niet op de uitzondering beriep, dus de hoofdregel gold: ontbinding. In verstekzaken laat dat eigenlijk alleen ruimte voor afwijzing, indien uit de dagvaarding blijkt dat geen sprake is van een tekortkoming of deze al op het eerste gezicht zo gering is dat ontbinding niet aan de orde kan zijn. In dit arrest oordeelt de Hoge Raad dat de rechter ook beoordelingsruimte heeft indien de huurder niet verschijnt. Dat is lastig, want zoals de Hoge Raad ook overweegt, de huurder is degene die weet welke omstandigheden aan zijn zijde spelen. Verschijnt de huurder niet, dan zal de rechter uit de door de verhuurder aangevoerde feiten en omstandigheden moeten opmaken of er redenen zijn om de huurovereenkomst niet te ontbinden.

Het procesrecht kan de rechter (en de huurder) een handje helpen. De verhuurder is namelijk verplicht om de voor de beslissing van de rechter van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid naar voren te brengen. Ook moet hij de door de huurder tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor aan de rechter te melden. Gecombineerd met de verplicht voorgeschreven rechterlijke ontbinding, biedt dit een belangrijke waarborg voor de huurder tegen een onterechte ontbinding. Een huurder die op aanmaningen en sommaties helemaal niets laat horen, zal hiermee echter (en terecht) niet geholpen zijn.

Voor meer informatie over dit onderwerp, neem dan contact op met Elmer van der Kamp, Advocaat (partner).

Houdt het Programma Aanpak Stikstof (PAS) stand?

Houdt het Programma Aanpak Stikstof (PAS) stand? Vermoedelijk niet (geheel)!

Op 24 juli 2018 is de conclusie gepubliceerd van A-G Kokott van het Hof van Justitie van de EU (het Hof) in de gevoegde zaken C-293/17 en C-294/17 (ECLI:EU:C:2018:622).

Deze conclusie is zeer relevant voor de rechtspraktijk, omdat hiermee een eerste indruk wordt gegeven van de mogelijke inhoud van de uitspraak van het Hof van Justitie van de EU op prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) ten behoeve van de “PAS-pilotzaken” van 17 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1259; nieuwe natuurvergunning voor veehouderijen en ECLI:NL:RVS:2017:1260, inzake vrijstelling beweiden en bemesten).

De Afdeling wil van het Hof weten of het PAS in overeenstemming is met de Europese Habitatrichtlijn (Hrl) en dus juridisch houdbaar is. Het voert te ver om in dit blog alle vragen van de Afdeling integraal op te nemen. Bij degenen die regelmatig werken met het PAS zullen deze bekend zijn en ze zijn terug te vinden in de verwijzingsuitspraken en de conclusie.

In dit blog, dat overigens gelet op de complexe en uitvoerige materie wat uitvoeriger is dan gebruikelijk voor een blog, schets ik allereerst hoe sinds de verwijzingsuitspraak tot op heden door de bestuursrechter wordt omgegaan met PAS gerelateerde zaken (A). Vervolgens ga ik in op de conclusie van A-G Kokott (B). Ik sluit af met een conclusie (C).

A. Terugblik: behandeling PAS-(pilot)zaken bij de bestuursrechter tot op heden

Aanhouding (hoger)beroepsprocedures

De Afdeling heeft aangegeven in beginsel alle (hoger)beroepsprocedures waarbij het PAS betrokken is aan te houden, totdat zij naar aanleiding van het verwachte arrest van het Hof uitspraak heeft kunnen doen in de PAS-pilotzaken. In de tussentijd zouden geen voorlopige voorzieningen worden getroffen voor natuurvergunningen voor veehouderijen die gebaseerd zijn op het PAS. Dit omdat het PAS een looptijd heeft van 6 jaar (2015 – 2021) en in het PAS een buffer is ingebouwd door een deel van de uit te geven vrije ontwikkelingsruimte te reserveren voor de eerste helft van die zes jaar (60%) en een deel voor de tweede helft daarvan (40%). De tweede helft van de zes jaar ging in op 1 juli 2018. De Afdeling verwachtte dat activiteiten die tot 1 juli 2018 toestemming zouden krijgen op grond van het PAS vanwege het nog beschikbare contingent van 40% geen onomkeerbare gevolgen voor de natuur zouden hebben.

Herstelmogelijkheid verantwoordelijke ministers

De Afdeling heeft in de PAS-pilotzaken in afwachting van het arrest van het Hof de verantwoordelijke ministers alvast verzocht bepaalde onderdelen van de onderbouwing van het PAS nader aan te vullen of te verbeteren. Dit betrof met name de keuze en omvang van enkele buffers en marges waarmee in het PAS rekening is gehouden bij de berekende daling van de stikstofdepositie. Daarnaast waren er vragen over de aannames en berekeningen van de depositiebijdrage van de autonome ontwikkelingen. De verwachting was dat het PAS voor 1 juli 2018 verbeterd en aangevuld zou zijn.

Toch schorsing natuurvergunningen

Op 9 maart 2018 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling, anders dan in 2017 voorzien, toch 2 natuurvergunningen geschorst waarbij het PAS is toegepast (ECLI:NL:RVS:2018:795). Het ging om natuurvergunningen voor 2 veehouderijen in Gelderland en Noord-Brabant. Deze bedrijven mochten voorlopig niet uitbreiden, omdat in deze specifieke gevallen bleek, dat op bepaalde plaatsen in een aantal natuurgebieden al meer dan 60% van die stikstofruimte was uitgegeven. De buffer van 40% is op die plaatsen niet of niet meer volledig aanwezig. De verantwoordelijke ministers hadden het PAS nog niet verbeterd en aangevuld. Niet kon worden uitgesloten dat de toename van stikstofdepositie op de genoemde plaatsen nadelige of onomkeerbare gevolgen zou hebben voor de natuurwaarden.

Nadere onderbouwing verantwoordelijke ministers

Op 4 juli 2018 is door de PAS-partners als processtuk in de pilotzaken een brief toegezonden waarmee de gevraagde informatie is verschaft. Deze brief is niet openbaar. Wel is te kennen gegeven dat volgens de PAS-partners de brief en bijlagen voldoende informatie geven om tot de conclusie te komen dat door het PAS de natuurlijke kenmerken van Natura 2000 niet worden aangetast. In beginsel zou deze brief ook voldoende onderbouwing hebben kunnen geven om in de toekomst (na 1 juli 2018, wanneer het tweede deel van het beschikbare contingent zou worden aangesproken) toestemmingen/ natuurvergunningen niet meer te hoeven schorsen, omdat er geen onomkeerbare gevolgen worden verwacht voor de natuurwaarden.

Passende beoordeling zonder PAS

Ten slotte is door de Afdeling op 18 juli 2018 nog een interessante uitspraak gedaan over de Blankenburgverbinding (ECLI:NL:RVS:2018:2454). De behandeling van deze zaak was eerst aangehouden in afwachting van het arrest van het Hof. De minister heeft echter een zelfstandige passende beoordeling gemaakt aan de hand van de ADC-toets. Op grond hiervan heeft de Afdeling groen licht gegeven voor de ontwikkeling van het tracé. Van groot belang voor de uitvoeringspraktijk is dat de Afdeling heeft geaccordeerd dat hierbij wel gebruik is gemaakt van AERIUS calculator waarbij is uitgegaan van het “Basisscenario met vaststaand beleid” van het RIVM (een worst-case scenario). Dat is het scenario zónder de positieve effecten van de bronmaatregelen van het PAS.

B. De conclusie van A-G Kokott

Programmatische aanpak en het PAS – is de grondslag voor het PAS artikel 6 lid 4 Hrl?

Interessant is dat de A-G in de eerste instantie aangeeft dat een programmatische aanpak moet worden toegejuicht, omdat er in het kader van de stikstofproblematiek een voorkeur is voor “een omvattend coördinatie-instrument“. Dit betekent echter nog niet dat het PAS voldoet aan artikel 6 lid 3 Hrl. De eisen om hieraan te voldoen zijn volgens de A-G hoog, met name omdat elke wetenschappelijke twijfel over de uitkomst van de toets moet worden uitgesloten (overweging 49). Dat bijvoorbeeld in het geval van het PAS de totale stikstofdepositie zal dalen, is niet genoeg. Het gaat erom dat op zijn minst de staat van instandhouding van habitattypen en soorten wordt behouden ten tijde van het van toepassing worden van artikel 6 lid 2 en 3 Hrl voor een bepaald gebied. Voorzover deze gunstige staat van instandhouding er nog niet is, moet ernaar worden gestreefd om deze te bereiken. Het niveau van stikstofbelasting moet dit mogelijk maken (overweging 59/60).

De A-G signaleert dat er kennelijk door de wetgever een politieke en economische afweging is gemaakt om onder omstandigheden overbelasting (“critical loads”) te accepteren. De A-G geeft aan dat in dat geval niet artikel 6 lid 2 en 3 Hrl de grondslag zou moeten zijn van het PAS, maar artikel 6 lid 4 Hrl (dit artikel biedt de mogelijkheid om compenserende maatregelen te treffen wegens dwingende redenen van groot openbaar belang). Hoewel het in de regel lastig zal zijn de belangen van individuele agrarische bedrijven als dwingende redenen van groot openbaar belang te aanvaarden, biedt een integrale beoordeling als het PAS volgens de A-G de mogelijkheid deze particuliere belangen in te passen in het algemene belang bij agrarische ontwikkeling en bij de eerbiediging van verworven rechten (overweging 161). Het is wel de vraag of het in de praktijk bijvoorbeeld mogelijk is om de vereiste compensatie daadwerkelijk te kunnen realiseren (overweging 163).

Het Hof kan zich hier verder gelet op de vragen van de Afdeling niet over uitlaten. Ik kan mij echter voorstellen dat dit in de doctrine en de praktijk zeker onderwerp van discussie gaat worden.

Artikel 6 lid 3 Hrl staat niet in de weg aan een programmatische aanpak

In lijn met het voorgaande concludeert de A-G dat volgens artikel 6 lid 2 en 3 Hrl het is toegestaan dat een passende beoordeling voor een programma, waarin een bepaalde totale hoeveelheid stikstofdepositie is beoordeeld, ten grondslag wordt gelegd aan de verlening van een individuele vergunning voor een project of andere handeling dat of die stikstofdepositie veroorzaakt en binnen de in het kader van het programma beoordeelde depositieruimte past. De genoemde beoordeling moet echter volledige, precieze en definitieve constateringen bevatten die elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen van de depositie kunnen wegnemen. Dit betekent dat voor elk project afzonderlijk en voor elke oppervlakte binnen beschermingszones waarop zich beschermde habitats bevinden, moet worden gewaarborgd dat de totale toegestane hoeveelheid stikstofdepositie op lange termijn geen bedreiging vormt voor het behoud van de in het gebied beschermde habitattypen en soorten of voor het potentieel om een goede staat van instandhouding te bereiken (overweging 67).

Mag met het PAS rekening worden gehouden met toekomstige gunstige effecten?

De A-G concludeert op basis van het Unierecht van niet. Op het tijdstip waarop toestemming voor een project wordt verleend, mag volgens de A-G wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel meer bestaan dat er geen schadelijke gevolgen zijn voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied. In het PAS wordt uitgegaan van bronmaatregelen, herstelmaatregelen en autonome daling van stikstofemissies. Voor het toestaan van extra stikstofdepositie volstaat het zoals gezegd echter niet dat de totale depositie weliswaar afneemt, maar de betrokken oppervlakten desondanks nog steeds met te veel stikstof worden belast. Loutere prognoses met betrekking tot de toekomstige gevolgen van de genoemde maatregelen en de verwachte daling van stikstofemissies mogen bij de verlening van toestemming voor extra stikstofdepositie niet in aanmerking worden genomen (zie overweging 98).

Indien het Hof dit standpunt overneemt, heeft deze overweging vermoedelijk de grootste impact op de houdbaarheid van het PAS, omdat hiermee belangrijke uitgangspunten van het PAS worden ondermijnd. Dit laat echter onverlet dat los van het PAS in een individueel geval een ADC-toets kan worden uitgevoerd. Zie ook de uitspraak over de Blankenburgverbinding. Het is echter niet gezegd dat ieder project deze toets kan doorstaan, reden waarom in het verleden juist is overgegaan tot een programmatische aanpak.

Een algehele vrijstelling op grond van drempel- of grenswaarden is in beginsel mogelijk (artikel 2.9 lid 5 Wnb)

Artikel 6 lid 2 en 3 Hrl staat niet in de weg aan een wettelijke regeling die ertoe strekt, projecten en andere handelingen die stikstofdepositie veroorzaken die een drempel- of grenswaarde niet overschrijdt, van de vergunningplicht uit te zonderen en zonder individuele vergunning toe te staan.

Er moet dan wel op grond van objectieve gegevens vanuit wetenschappelijk oogpunt geen redelijke twijfel bestaan dat deze stikstofdepositie geen significante gevolgen zal hebben voor de betrokken beschermingszone (overweging 110).

Tot slot: bemesting en beweiding als vergunningvrije activiteit (artikel 2.9 lid 3 Wnb)

De A-G geeft een mooie uiteenzetting van het begrip “project” als bedoeld in de Hrl (overweging 114-118) en concludeert dat zowel het bemesten op of in de bodem als het beweiden door vee dient te worden aangemerkt als een project (overweging 127). Periodieke bemesting valt onder het concept van een en hetzelfde project. In beginsel zou het moeten volstaan dat eenmaal passend wordt beoordeeld of het in een vergelijkbare vorm periodiek bemesten van bepaalde gronden verenigbaar is met de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken gebieden (overweging 134). Veranderingen in de bemestingspraktijk moeten daarentegen als nieuw project worden aangemerkt wanneer zij een extra risico inhouden dat er significante gevolgen voor beschermingszones optreden (overweging 140).

Bemesting en beweiding mag volgens de A-G ingevolge artikel 6 lid 2 en 3 Hrl niet integraal worden vrijgesteld conform artikel 2.9 lid 3 Wnb indien slechts kan worden gemotiveerd dat “gemiddeld genomen” een stijging van stikstofdepositie kan worden uitgesloten. De stikstofdepositie die door het bemesten of beweiden van bepaalde agrarische gronden wordt veroorzaakt, is qua omvang waarschijnlijk zeer beperkt. De A-G merkt op dat evenwel niet is uitgesloten dat in bepaalde gevallen significante gevolgen voor beschermingszones kunnen optreden. In dat verband moet met name worden gedacht aan een zeer intensief gebruik van gronden in de onmiddellijke nabijheid van beschermde habitats die al onder een aanzienlijke belasting te lijden hebben. In andere gevallen is het wellicht niet al te moeilijk significante gevolgen uit te sluiten.

C. Conclusie

De uitspraak van het Hof is er nog niet. Desalniettemin geeft deze conclusie de nodige stof tot nadenken. Het is duidelijk dat A-G Kokott op grond van het Unierecht strikt vasthoudt aan het principe dat de gunstige staat van instandhouding van de habitattypen en soorten uitgangspunt is en er ten tijde van het verlenen van een vrijstelling, toestemming of vergunning geen twijfel mag bestaan over het feit dat geen schadelijke gevolgen zullen optreden voor de natuurlijke kenmerken van het gebied. Monitoring en tussentijdse bijstelling van maatregelen of het betrekken van toekomstige gunstige prognoses past hier niet bij. Dat heeft voor toepassing van het PAS mogelijk grote consequenties, omdat het PAS wel uitgaat van bijvoorbeeld de positieve toekomstige gevolgen van bron- en herstelmaatregelen en de verwachte daling van stikstofemissies. Mocht het Hof de conclusie van de A-G op dit punt delen, dan is ook de vraag hoe in het licht hiervan de Afdeling omgaat met de namens de verantwoordelijke ministers op 4 juli 2018 overgelegde nadere informatie, nu deze informatie mede ziet op een nadere onderbouwing van de verwachte toekomstige stikstofreducties.

Overigens laat een en ander onverlet dat los van het PAS altijd nog als fall-back scenario op individueel niveau een ADC-toets kan worden uitgevoerd. Mocht dit weer de standaard worden, dan vallen we echter helaas weer terug naar de praktijk van vóór het PAS met alle gevolgen van dien.

De A-G staat echter een dergelijke individuele benadering niet voor. Hij juicht het principe van een programmatische aanpak toe. Deze programmatische aanpak had met het PAS volgens de A-G echter beter via artikel 6 lid 4 Hrl kunnen worden ingestoken, waarbij het evenwicht moet worden gevonden tussen de bescherming van Natura 2000-gebieden en andere politieke en maatschappelijke belangen. Wij zijn zeer benieuwd hoe de discussie zich hieromtrent zal ontvouwen.



Mocht u vragen hebben over de toepassing van het PAS, aarzel dan niet om contact op te nemen met Ingeborg Wind. Zij treedt graag op als sparringpartner.

Trip Advocaten & Notarissen nieuwe sponsor GHHC Groningen

Trip Advocaten & Notarissen is verheugd te mogen aankondigen nieuwe sponsor te zijn geworden van hockeyclub GHHC Groningen. Trip zal het komende seizoen op de shirts van Dames 1 van GHHC Groningen prijken. Dames 1, dat uitkomt in de hoofdklasse, staat garant voor mooi en attractief hockey en Trip heeft daarmee een prominente plek als sponsor weten te verwerven. Een van de speelsters en oud-International Willemijn Bos, is tevens advocaat bij Trip. 

Hockeyclub GHHC Groningen wordt gezien als een van de betere en grotere hockeyclubs van Noord-Nederland. Zowel GHHC als Trip staan midden in de Noord-Nederlandse samenleving en zijn vertrouwd met de noordelijke cultuur van nuchter pragmatisme en handen uit de mouwen. Niet gek dat zij elkaar op het hockeyveld nu hebben gevonden.

Trip is verheugd op deze wijze haar betrokkenheid bij topsport in het Noorden verder te onderstrepen. 

De hockeycompetitie is weer aangevangen op 10 september 2017. Groningen opende groots met een Super Sunday, waarbij zowel Heren 1 als Dames 1 thuis speelden op De Harener Holt aan de Kerklaan in Haren. Rond de beide wedstrijden werd het sponsorcontract tussen de hockeyclub en Trip ondertekend. Een formeel moment als startsein voor een vruchtbare samenwerking waar beide partijen naar uitkijken.

|