EEN GUNNINGSCRITERIUM CIRCULARITEIT DAT GERICHT IS OP HERGEBRUIK VAN HET BESTAANDE MATERIEEL LEIDT TOT EEN TE GROOT VOORDEEL VOOR DE ZITTENDE LEVERANCIER

EEN GUNNINGSCRITERIUM CIRCULARITEIT DAT GERICHT IS OP HERGEBRUIK VAN HET BESTAANDE MATERIEEL LEIDT TOT EEN TE GROOT VOORDEEL VOOR DE ZITTENDE LEVERANCIER

Rechtbank Rotterdam 4 mei 2021 (ECLI:NL:RBROT:2021:4205)

Relevantie

  • Een aanbestedende dienst heeft een grote mate van vrijheid bij de uitvraag van de opdracht en het inrichten van de aanbestedingsprocedure. Deze vrijheid vindt evenwel haar grens indien geoordeeld moet worden dat de gemaakte keuzes ertoe leiden dat de eerlijke mededinging onvoldoende is gewaarborgd.
  • De keuze voor de ‘Value for Money’ methodiek, dat veel gewicht toekent aan de kwalitatieve subgunningscriteria, is op zichzelf niet onrechtmatig. Wel rechtvaardigt deze keuze een strenge beoordeling van de kwalitatieve subgunningscriteria.
  • Een aanbestedende dienst hoeft de voordelen van de zittende leverancier niet volledig te neutraliseren. Wel moet zo veel mogelijk relevante informatie over de opdracht aan andere potentiële inschrijvers worden verschaft.
  • Bij een kwalitatief subgunningscriterium dat gericht is op hergebruik van bestaand materieel heeft de zittende leverancier ontegenzeggelijk een groot voordeel. Het criterium kan daarom niet gehandhaafd worden.

Inleiding

De gemeente Rotterdam houdt een aanbesteding voor – kort gezegd – de levering van nieuwe zoutstrooiers en sneeuwploegen. Eén van de gunningscriteria heeft betrekking op circulariteit. De Dit criterium is opgedeeld in twee subcriteria (ambities). Het ene subcriterium (“Ambitie 2”) heeft betrekking op de herbruikbaarheid van (onderdelen van) het nieuw te leveren materieel. Het andere subcriterium (“Ambitie 1”) heeft betrekking op hergebruik van het bestaande materieel in het nieuw te leveren materieel. De gemeente stelt daarvoor het oude materieel om niet beschikbaar (aan de winnende inschrijver).

Naar aanleiding van diverse bezwaren heeft de gemeente dit criterium bij nota van inlichtingen aangepast. Het bestaande materieel hoefde daarmee niet meer per sé hergebruikt te worden in het nieuw te leveren materieel en luidde vervolgens als volgt:

“Het doel van de Aanbestedende Dienst is dat het oude gladheidsbestrijdingsmaterieel zoveel mogelijk wordt hergebruikt. De Gemeente stelt voor dit doel het oude materieel beschikbaar. De aanbieder dient aan te geven op welke wijze zij dit materieel het meest optimaal verwerkt in het kader van de circulaire economie en minimalisering van de ecologische footprint.”

Nog voor de uiterste termijn voor inschrijving vindt (onder andere) over dit subcriterium een kort geding plaats. Twee potentiële inschrijvers zijn namelijk van mening dat met dit criterium de zittende leverancier onevenredig wordt bevoordeeld. Te meer omdat de beoordeling plaatsvindt op basis van de ‘Value for Money’ methodiek waarbij extra veel gewicht wordt toegekend aan de kwalitatieve subgunningscriteria.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

De voorzieningenrechter is van oordeel dat een aanbestedende dienst bij de uitvraag van de opdracht en het inrichten van de aanbestedingsprocedure een grote mate van vrijheid heeft. Die vrijheid vindt evenwel haar grens indien geoordeeld moet worden dat de gemaakte keuzes ertoe leiden dat de eerlijke mededinging onvoldoende is gewaarborgd. Dat zou het geval kunnen zijn als de gelijke behandeling van inschrijvers onvoldoende is gewaarborgd en/of wanneer de gestelde eisen niet in een redelijke verhouding staan tot het voorwerp van de opdracht.

De keuze voor de ‘Value for Money’ methodiek acht de voorzieningenrechter op zichzelf niet onrechtmatig. Wel rechtvaardigt een dergelijke methodiek een strenge beoordeling van de kwalitatieve subgunningscriteria. Zeker omdat de gemeente al meerdere jaren zaken heeft gedaan met de zittende leverancier en deze leverancier (onweersproken) over de jaren heen een monopolypositie heeft opgebouwd. Dat maakt volgens de voorzieningenrechter dat de gemeente zich extra moet inspannen om elk risico van favoritisme en willekeur uit te bannen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de gemeente de voordelen van de zittende leverancier niet volledig hoeft te neutraliseren. Aangezien vaststaat dat nagenoeg al het bestaande materieel afkomstig is van de zittende leverancier en elke leverancier eigen materieel aanbiedt, ziet de voorzieningenrechter echter aanleiding om in te grijpen (in Ambitie 1). De zittende leverancier heeft namelijk ontegenzeggelijk een groot voordeel bij het hergebruik van het oude (eerder door haarzelf geleverde) materieel. De andere leveranciers moeten daartegenover onevenredig veel kosten maken om dat oude materieel (van hun concurrent) – indien dat al mogelijk is – in te (kunnen) passen in hun eigen materieel. De zittende leverancier kan daarnaast bij het hergebruik van het oude (eigen) materieel mogelijk gebruik maken van bestaande afzetkanalen, terwijl het voor de andere leveranciers niet vanzelfsprekend is dat zij gereviseerd materieel van een andere partij in de makt kunnen zetten, laat staan met garanties.

Ook na aanpassing van het subgunningscriterium (Ambitie 1) bij nota van inlichtingen is de zittende leverancier nog altijd in het voordeel, aangezien aannemelijk is dat zij met minder kosten en meer opbrengsten tot (hoogwaardiger) hergebruik kan komen. Het doet hierdoor vermoeden dat de gemeente het voordeel voor de zittende leverancier onvoldoende heeft onderkend. Het beginsel van gelijke behandeling komt hierdoor zeer nadrukkelijk in het gedrang. Het criterium kan daarom niet gehandhaafd worden. De voorzieningenrechter gebiedt vervolgens de gemeente om, voor zover zij de aanbestedingsprocedure wenst voort te zetten, een rectificatie te publiceren waarbij het criterium van Ambitie 1 wordt aangepast met inachtneming van het vonnis.

Heeft u vragen over dit artikel of andere gerelateerde vragen, neem dan contact op met mr. Theunis Dankert.

EEN VERDELINGSPROCEDURE VOOR SCHAARSE VERGUNNINGEN IN RECHTE GETOETST

EEN VERDELINGSPROCEDURE VOOR SCHAARSE VERGUNNINGEN IN RECHTE GETOETST

Rechtbank Midden-Nederland 10 mei 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:1869)

Relevantie

  • Degene wiens eigen aanvraag is afgewezen, is geen belanghebbende bij toewijzing van de vergunning aan een derde-partij. In de procedure tegen de afwijzing van de eigen aanvraag kan (namelijk) ook de beoordeling van hoger geëindigde aanvragen aan de orde gesteld worden.
  • Om (potentiële) gegadigden gelijke kansen te bieden, dient een passende mate van openbaarheid in achtgenomen te worden met betrekking tot de beschikbaarheid van de schaarse vergunning, de verdelingsprocedure, het aanvraagtijdvak en de toe te passen criteria. Dit vereist tijdige verstrekking en adequate bekendmaking van de informatie en duidelijke, precieze en ondubbelzinnige formulering van de verdelingsregels.
  • Gebruik van TenderNed voor het doorlopen van de verdelingsprocedure is niet in strijd met de eis van tijdige verstrekking en adequate bekendmaking van informatie over de verdelingsprocedure. Redelijkerwijs kon er geen twijfel over bestaan dat sprake was van een bestuursrechtelijke procedure en niet van een privaatrechtelijke aanbestedingsprocedure.
  • Dat de samenstelling van de selectiecommissie niet, conform de beleidsregel, voorafgaand aan de procedure bekend is gemaakt, levert geen gebrek op dat leidt tot schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij door dat gebrek in haar belangen is geschaad.
  • De verdelingsprocedure heeft langer geduurd dan de termijn zoals opgenomen in de APV. Die termijn betreft echter een termijn van orde en overschrijding daarvan kan daarom niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. Niet gebleken is dat de gemeente met onnodige traagheid heeft gehandeld. De gemeente moest wachten op de uitkomst van het Bibob-onderzoek.
  • Ondanks de eis van anonimiteit, waaraan geen van de aanvragen voldeed, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat eiseres is benadeeld in de beoordeling van haar aanvraag. Uit de beoordelingsformulieren blijkt dat conform de bekendgemaakte criteria is beoordeeld.

Inleiding

Magic Apple Lelystad B.V, (hierna: Magic Apple) had tot 10 april 2018 een vergunning voor de exploitatie van een speelautomatenhal in Lelystad. De burgemeester van de gemeente Lelystad heeft een beleidsregel opgesteld voor het verdelen van een nieuwe exploitatievergunning en op grond daarvan een verdelingsprocedure gestart.[1]

Drie partijen hebben een aanvraag ingediend voor een vergunning, waaronder Magic Apple. Op basis van de beoordeling door een selectiecommissie is Magic Apple in de rangorde als laagste geëindigd in de verdelingsprocedure.

Magic Apple heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar eigen aanvraag, alsmede tegen de toewijzing van de vergunning aan Gran Casino Lelystad B.V. (hierna: Gran Casino). De burgemeester heeft beide bezwaren ongegrond verklaard.

Er diende beslist te worden over de vraag of: (i) Magic Apple wel belanghebbende is in de procedure tegen de toewijzing van de vergunning aan Gran Casino; (ii) de verdelingsprocedure wel voldeed aan het vereiste van een passende mate van openbaarheid; en of (iii) de aanvragen (inhoudelijk) wel op de juiste wijze zijn beoordeeld.

Degene wiens eigen aanvraag is afgewezen, is geen belanghebbende bij toewijzing van de vergunning aan een derde-partij

In de daaropvolgende procedure bij de bestuursrechter is tijdens de zitting de vraag aan de orde gekomen of Magic Apple wel belanghebbende is bij de afwijzing van de eigen aanvraag én bij de toewijzing van de vergunning aan Gran Casino. De rechtbank oordeelt dat Magic Apple niet-ontvankelijk is in de beroepsprocedure tegen de toewijzing van de vergunning aan Gran Casino. De rechtbank baseert zich daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:20201579). Daarin is overwogen dat in een procedure tegen de afwijzing van de eigen aanvraag ook de beoordeling van hoger geëindigde aanvragen aan de orde gesteld kan worden. Beide beoordelingen zijn namelijk van invloed op de totstandkoming van de rangorde en daarmee op de mogelijkheid om de eigen aanvraag alsnog gehonoreerd te zien. In de procedure tegen de afwijzing is degene wiens aanvraag is afgewezen daarom geen belanghebbende. In de procedure tegen haar eigen afwijzing is Magic Apple wel belanghebbende en haar beroep aldus ontvankelijk.

Een verdelingsprocedure moet voldoen aan het vereiste van een passende mate van openbaarheid

In een verdelingsprocedure moet, om (potentiële) gegadigden gelijke kansen te bieden, een passende mate van openbaarheid in achtgenomen te worden met betrekking tot de beschikbaarheid van de schaarse vergunning, de verdelingsprocedure, het aanvraagtijdvak en de toe te passen criteria. Dit vereist tijdige verstrekking en adequate bekendmaking van de informatie en duidelijke, precieze en ondubbelzinnige formulering van de verdelingsregels.

De verdelingsprocedure is duidelijk, precies en ondubbelzinnig

De rechtbank is van oordeel dat de verdelingsregels duidelijk, precies en ondubbelzinnig zijn geformuleerd. Uit de beleidsregel blijkt namelijk dat bij het vrijkomen van een vergunning bekendgemaakt wordt dat geïnteresseerden een aanvraag kunnen indienen binnen een in de bekendmaking opgenomen tijdvak. Verder blijkt uit de beleidsregel hoe die aanvragen worden beoordeeld, namelijk eerst op ontvankelijkheid en daarna op de in de APV opgenomen weigeringsgronden en aan de hand van in de beleidsregel opgenomen beoordelingscriteria. Ten behoeve van die beoordeling dient de aanvraag een plan van aanpak te bevatten over openbare orde, voorkoming en bestrijding van gokverslaving en over maatregelen ter voorkoming van verstoring van de woon- en leefsituatie. Deze plannen van aanpak worden door een selectiecommissie individueel beoordeeld, waarna er een gemiddelde score wordt bepaald. De eerste in de rangschikking wordt vervolgens onderworpen aan een Bibob-toets en bij een positieve beoordeling zal de vergunning aan die aanvrager worden verleend.

Gebruik van TenderNed is niet in strijd met de eis van tijdige verstrekking en adequate bekendmaking van informatie over de verdelingsprocedure

De onderliggende beleidsregel is bekend gemaakt in de Flevopost. Aan belangstellenden is vervolgens een vooraankondiging gestuurd van de verdelingsprocedure. Daarbij is aangegeven dat de procedure via TenderNed zou verlopen. Ook is aan de belangstellenden nog een brief gezonden met een uitleg over de procedure via TenderNed. Vervolgens is via Flevopost, op de gemeentelijke website, in het digitale gemeenteblad en op TenderNed het aanvraagtijdvak bekendgemaakt. Magic Apple kon daarom op de hoogte zijn van de verdelingsprocedure. Magic Apple heeft ook tijdig een complete aanvraag ingediend.

Magic Apple stelde zich nog op het standpunt dat de procedure zeer rommelig en onduidelijk was omdat voor het doorlopen van de procedure gebruik is gemaakt van TenderNed, hetgeen gewoonlijk  voor privaatrechtelijke aanbestedingen wordt gebruikt. Ook heeft de gemeente in de brief over de “voorlopige gunning” gesproken over een “aanbestedingsprocedure”. Daardoor zou de procedure onduidelijk zijn en niet aan de eisen van openbaarheid voldoen. De rechtbank oordeelt dat het gebruik van TenderNed, noch het gebruik van het woord aanbesteding, afdoet aan de passende mate van openbaarheid voorafgaand aan de verdelingsprocedure. Voor Magic Apple had er redelijkerwijs geen twijfel over kunnen bestaan dat sprake was van een bestuursrechtelijke procedure en niet van een privaatrechtelijke aanbestedingsprocedure.

Het niet voorafgaand aan de procedure bekendmaken van de samenstelling van de selectiecommissie levert geen gebrek op dat leidt tot schending van het zorgvuldigheidsbeginsel

In de beleidsregels is opgenomen dat de samenstelling van de selectiecommissie voorafgaand aan de procedure bekendgemaakt zal worden. De gemeente heeft zich daaraan niet gehouden. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij door dat gebrek in haar belangen is geschaad. De rechtbank is van oordeel dat dit gebrek niet leidt tot schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.

Overschrijding van de proceduretermijn (in de APV) leidt niet tot gegrondverklaring van het beroep

De verdelingsprocedure heeft langer geduurd dan de termijn zoals opgenomen in de APV. De rechtbank oordeelt evenwel dat dit een termijn van orde is en overschrijding daarvan niet kan leiden tot gegrondverklaring van het beroep. De rechtbank is niet gebleken dat de gemeente met onnodige traagheid heeft gehandeld. De gemeente moest namelijk wachten op de uitkomst van het Bibob-onderzoek.

Dat de procedure niet anoniem heeft plaatsgevonden, leidt niet tot de aanname dat Magic Apple is benadeeld in de beoordeling van haar aanvraag

Op grond van de bekendgemaakte spelregels diende het (door de selectiecommissie te beoordelen) plan van aanpak anoniem ingediend te worden. De rechtbank heeft vastgesteld dat zowel de aanvraag van Magic Apple als die van Gran Casino niet aan die eis voldoen. Desalniettemin ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om aan te nemen dat eiseres is benadeeld in de beoordeling van haar aanvraag. Uit de beoordelingsformulieren blijkt ook dat conform de bekendgemaakte beoordelingscriteria is beoordeeld.

[1]     De gemeente is daartoe verplicht op grond van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2927). Hierin is – kort gezegd – beslist dat bij de verdeling van schaarse vergunningen op enigerlei wijze aan (potentiële) gegadigden ruimte moet worden geboden om mee te kunnen dingen naar de beschikbare vergunning(en).

Mocht u meer willen weten over deze uitspraak of andere gerelateerde onderwerpen, neem dan vooral contact op met mr. Theunis Dankert.

Dreigt nu echt een aanbestedingsplicht voor woningcorporaties?

Dreigt nu echt een aanbestedingsplicht voor woningcorporaties?

Mogelijk heeft u al kennis hebben genomen van het persbericht van de Europese Commissie van 9 juni jl. Na een aanmaning (in 2017) en een ingebrekestelling (in 2019), heeft de Commissie, met een zogenoemde ‘met redenen omkleed advies’, Nederland nu een laatste sommatie gegeven. De Commissie blijft namelijk van mening dat woningcorporaties kwalificeren als ‘publiekrechtelijke instelling’ en daarom (als aanbestedende dienst) gebonden zijn aan de aanbestedingsregels. Nederland heeft nu twee maanden de tijd om alsnog te voldoen aan de Europese aanbestedingsrichtlijnen. Laat Nederland dat opnieuw na, dan volgt (zeer waarschijnlijk) een gerechtelijke procedure bij het Hof van Justitie EU.

Wat zijn de gevolgen voor uw organisatie?

Mocht het inderdaad tot een procedure bij het Europese Hof komen en het Hof, met de Commissie, van oordeel is dat woningcorporaties een aanbestedende dienst zijn waarop de (Europese) aanbestedingsregels van toepassing zijn, dan heeft dat gevolgen voor uw praktijk. Wij noemen enkele voorbeelden.

Woningcorporaties voeren in het kader van professioneel opdrachtgeverschap vaak al een inkoopbeleid en op de woningcorporaties rust op dit moment al een aanbestedingsplicht voor de bouw van maatschappelijk vastgoed. Een en ander biedt woningcorporaties (nog) de nodige vrijheid bij de keuze voor de procedure en de inrichting daarvan. Indien woningcorporaties echter als aanbestedende dienst moeten worden gezien dan zal het toepassingsgebied van de aanbestedingsplicht ruimer worden. Deze is dan niet meer beperkt tot de bouw van maatschappelijk vastgoed, maar zal tevens gelden voor de inkoop van zowel overheids-/concessieopdrachten voor werken als voor leveringen en diensten. De vrijheid voor de keuze van de voor die inkopen te voeren procedure en de inrichting daarvan wordt dan ook beperkter dan nu geldt voor de aanbesteding van maatschappelijk vastgoed en (naar wij aannemen ook) het huidige inkoopbeleid. Woningcorporaties zijn dan namelijk verplicht de Aanbestedingswet 2012 en de daarop gebaseerde nadere regels (zoals bijvoorbeeld het Aanbestedingsreglement Werken 2016 en de Gids Proportionaliteit) in acht te nemen. Uw organisatie zal zich hierop (dan) moeten aanpassen.

Daarnaast heeft een mogelijke uitspraak van het Hof waarin wordt geoordeeld dat woningcorporaties als aanbestedende dienst kwalificeren, terugwerkende kracht. Op grond van de Aanbestedingswet 2012 zijn opdrachten voor werken, leveringen en diensten die Europees aanbesteed hadden moeten worden, in rechte vernietigbaar. Een marktpartij die zo’n door u gesloten overeenkomst wil aantasten, moet dan wel binnen 6 maanden na gunning, de vernietigingsprocedure opgestart hebben. Daarna kan hij alleen nog schadevergoeding vorderen. Dergelijke schadevergoedingsprocedures komen in de praktijk overigens weinig voor. Desalniettemin is het goed om hierop voorbereid te zijn. Marktpartijen hoeven het oordeel van het Hof van Justitie EU namelijk niet af te wachten en kunnen zich nu al op het standpunt stellen dat u zich aan de aanbestedingsregels voortvloeiende uit de Aanbestedingswet 2012 dient te houden.

Voor samenwerkingsovereenkomsten tussen woningcorporaties en gemeenten in het kader van gebiedsontwikkeling hoeft de mogelijke uitspraak van het Hof naar onze mening, niet altijd gevolgen te hebben. De Aanbestedingswet 2012 bevat namelijk een uitzondering op de aanbestedingsregels voor samenwerking tussen aanbestedende diensten op het gebied van uitvoering van openbare diensten zoals bijvoorbeeld maatschappelijk vastgoed.

Kunnen wij wat voor u betekenen?

Heeft u nadere vragen over (de juridische achtergrond van) het persbericht van de Commissie, over de (Europese) aanbestedingsregels, of wilt u beoordelen of uw organisatie klaar is voor een mogelijk negatieve uitspraak van het Hof of vragen van marktpartijen, aarzelt u dan niet contact met ons op te nemen. Wij volgen de kwestie op de voet en houden ons dagelijks bezig met het aanbestedingsrecht in de breedste zin van het woord.

U kunt contact opnemen met Theunis Dankert of Simon Lautenbag.

Ondermijningsvergunning tegen het licht gehouden

Ondermijningsvergunning tegen het licht gehouden

Relevantie:

  • De Afdeling oordeelt voor het eerst over de ondermijningsvergunning
  • Een ondermijningsvergunning kan strijd opleveren met de Dienstenrichtlijn
  • Een goede motivering is cruciaal voor de houdbaarheid van de ondermijningsvergunning

Op 3 maart 2021 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling”) zich in een uitspraak uitgelaten over de (juridische) houdbaarheid van de ondermijningsvergunning: een vergunning die dient om de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid in een gemeente zoveel mogelijk te beschermen. In dit blog wordt de ondermijningsvergunning nader toegelicht en wordt ingegaan op de uitspraak van de Afdeling.

In de loop der jaren hebben diverse gemeenten een bepaling aan de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: “APV”) toegevoegd, waarin de burgemeester de bevoegdheid wordt gegeven om gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten aan te wijzen waarvoor een vergunningsplicht gaat gelden. De reden hiervoor moet zijn dat in of rondom deze gebouwen of door de uitgevoerde bedrijfsmatige activiteiten de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk komt te staan. Een dergelijke vergunning wordt ook wel een ondermijningsvergunning genoemd: een vergunning die dient om een onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat tegen te gaan.

Op 19 december 2016 is door de raad van de gemeente Tilburg een bepaling aan de APV toegevoegd, waarin de burgemeester de bevoegdheid wordt gegeven om gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten aan te wijzen waarvoor een vergunningplicht gaat gelden. Op grond hiervan heeft de burgemeester van Tilburg besloten om de autoverhuurbranche in Tilburg aan te wijzen als vergunningplichtig. Ter motivering van dit besluit heeft de burgemeester gewezen op het feit dat het openbaar ministerie, de politie en gemeenten in Zeeland-West-Brabant de aanpak van ondermijnende criminaliteit als veiligheidsthema hebben benoemd. Daarnaast zou uit literatuur en rapporten blijken dat huurauto’s dienen als middel om geld wit te wassen en om anoniem crimineel gedrag tentoon te spreiden. De politie zou de gemeente Tilburg hebben verzocht om specifiek de autoverhuurbranche vergunningplichtig te maken, aangezien de autoverhuurbranche in Zeeland-West-Brabant in belangrijke mate malafide besmet lijkt. Dit is nader gemotiveerd in een bestuurlijke rapportage.

KAV is een autoverhuurbedrijf dat al ruim 20 jaar een vestiging in Tilburg heeft. KAV heeft, ondanks het besluit van de burgemeester, geen vergunning aangevraagd. Om deze reden heeft de burgemeester meerdere lasten onder dwangsom aan KAV opgelegd en is hij, nadat KAV de exploitatie heeft voortgezet, overgegaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen. In de procedure bij de Afdeling stelt KAV dat het aanwijzingsbesluit in strijd is met de Dienstenrichtlijn.

De Afdeling stelt allereerst vast dat de uitoefening van een autoverhuurbedrijf het verrichten van een dienst is in de zin van de Dienstenrichtlijn. Uit artikel 9 van de Dienstenrichtlijn volgt dat de uitoefening van een dienstenactiviteiten alleen afhankelijk gesteld mag worden van een vergunning, indien:

  • het vergunningstelsel geen discriminerende werking heeft ten opzichte van de betrokken dienstverrichter;
  • de behoefte aan een vergunningstelsel gerechtvaardigd is wegens een dwingende reden van algemeen belang; en
  • het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregelen kan worden bereikt.

Volgens de Afdeling heeft de burgemeester de noodzaak om door middel van het aanwijzingsbesluit in te grijpen in een deel van de autoverhuurbranche onvoldoende onderbouwd. De Afdeling wijst erop dat de literatuur en de rapporten waar in de motivering naar wordt verwezen niet nader zijn benoemd en de verwijzing naar de bestuurlijke rapportage ook niet voldoende aanknopingspunten biedt om te kunnen beoordelen of het aanwijzingsbesluit zich met artikel 9 van de Dienstenrichtlijn verdraagt. Bovendien heeft de burgemeester niet gemotiveerd waarom het onderscheid tussen autoverhuurbedrijven die wel en autoverhuurbedrijven die niet vanuit een bedrijfsgebouw opereren gerechtvaardigd is en is hij ook niet ingegaan op de stelling dat dienstverrichters als KAV niet de enige dienstverrichters zijn die auto’s verhuren. Tot slot is volgens de Afdeling niet inzichtelijk gemaakt dat rekening is gehouden met de omstandigheid dat malafide ondernemers hun diensten buiten de gemeente Tilburg zullen gaan aanbieden, het zogenaamde ‘waterbedeffect’. Gelet op het voorgaande laat de Afdeling het aanwijzingsbesluit in deze zaak buiten toepassing en kunnen de daarop berustende besluiten niet in stand blijven.

Betekent deze uitspraak het einde van de ondermijningsvergunning? Nee, dat zeker niet. Sterker nog: uit deze uitspraak lijkt te volgen dat het invoeren van een ondermijningsvergunning mogelijk is, zolang de noodzaak om in een specifiek geval een ondermijningsvergunning voor te schrijven maar voldoende gemotiveerd is.

Mocht u hier hulp bij nodig of meer over dit onderwerp willen, neem dan vooral contact op met Team Overheid.

Afdeling geeft voorlopige oplossing voor belanghebbende-problematiek na Varkens in Nood-arrest

Afdeling geeft voorlopige oplossing voor belanghebbende-problematiek na Varkens in Nood-arrest

Relevantie:

  • De Afdeling heeft in uitspraken van 14 april 2021 en 4 mei 2021 een praktische werkwijze bepaald waarmee omgegaan moet worden met het ‘Varkens in Nood’-arrest van het Hof van Justitie
  • In dat arrest werd bepaald dat ‘leden van het publiek’ toegang tot de rechter moeten kunnen krijgen als zij eerder gebruik hebben gemaakt van ruimere inspraakrechten bij besluiten over milieuaangelegenheden (‘Aarhus-besluiten’)
  • De Algemene wet bestuursrecht is daar niet mee in lijn, de Afdeling geeft aan dat de wet gewijzigd moet worden
  • Voor de tussentijd heeft de Afdeling een tijdelijke werkwijze geformuleerd, met een ruimhartige uitleg van het begrip “Aarhus-besluiten”, waarbij niet-belanghebbenden onder voorwaarden ook toegang tot de bestuursrechter hebben.

Afbeelding: Raad van State

Het zal u niet zijn ontgaan: in het ‘Varkens in nood’-arrest van het Hof van Justitie is bepaald dat ‘leden van het publiek’ toegang tot de rechter moeten kunnen krijgen als zij eerder gebruik hebben gemaakt van ruimere inspraakrechten bij besluiten over milieuaangelegenheden. Het gaat dan om besluiten die binnen de werkingssfeer van artikel 6 van het Verdrag van Aarhus vallen. Het arrest maakte nogal wat los, want in onze Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat beroep alleen openstaat voor belanghebbenden. De afgelopen maanden is er daarom veel geschreven over de vraag wanneer een persoon of organisatie nu wel of niet toegang heeft tot de bestuursrechter en of ons systeem wellicht op de schop moet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 4 mei 2021 een uitspraak gedaan waarin antwoorden worden gegeven en een – voorlopige – oplossing wordt geboden.

Eerder al (bij uitspraak van 14 april 2021) heeft de Afdeling zich uitgesproken over de vraag wat nu Aarhus-besluiten zijn waar dit regime op van toepassing is. De Afdeling heeft aangegeven dat er een ruimhartige uitleg wordt gehanteerd. Concreet betekent dit dat belanghebbenden in alle omgevingsrechtelijke zaken waarin de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is, gebruik kunnen maken van dit ruimere toegangsrecht tot de bestuursrechter. Daaronder vallen in elk geval, maar niet alleen, besluiten op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening, de Tracéwet en de Wet natuurbescherming.

Hier borduurt de uitspraak van 4 mei 2021 op voort. Allereerst wordt in de uitspraak onomwonden bepaald dat de Awb aangepast moet worden: “Anders dan is bepaald in artikel 8:1 van de Awb leidt het arrest van het Hof ertoe, dat een niet-belanghebbende die op grond van een wettelijke bepaling op het terrein van het milieurecht een zienswijze naar voren heeft gebracht over een ontwerpbesluit, gelet op artikel 9, derde lid, van het verdrag niet kan worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, als hij vervolgens tegen het besluit beroep instelt. Dit behoeft aanpassing door de wetgever.” (r.o. 4.6)

Aanbevelingen

Vervolgens wordt een voorlopige werkwijze bepaald: “Zolang zo’n wijziging van de wet er niet is, ligt het op de weg van de bestuursrechter die de bevoegde rechter is om over deze besluiten te oordelen te voorzien in een oplossing. Aan degene die bij een besluit geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, maar die tegen het ontwerpbesluit op basis van de hem in het nationale omgevingsrecht gegeven mogelijkheid wel een zienswijze heeft ingediend, zal in beroep niet worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is. Ook de niet-belanghebbende die verschoonbaar geen of te laat zienswijze heeft ingebracht tegen het ontwerpbesluit zal niet worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is.” (r.o. 4.7)

De Afdeling is de praktijk hierbij behulpzaam en geeft aan dat in ieder geval een uitbreiding van inspraakrechten is opgenomen in:

  • de artikelen 3.8, eerste lid, aanhef en onder d, 3.31, derde lid, aanhef en onder d, 3.33, vierde lid, en 3.35, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening,
  • artikel 3.12, vijfde lid, van de Wabo,
  • artikel 10c, aanhef en onder c, van de Ontgrondingenwet,
  • artikel 11, eerste lid, van de Tracéwet,
  • artikelen 5.6, tweede lid, en 5.9, aanhef en onder c, van de Waterwet,
  • de artikelen 8.48, 8a.48, derde lid, 8a.60 en 10.39, derde lid, van de Wet luchtvaart
  • en de artikelen 31d, tweede lid, 34, zesde lid en 52d, zevende lid, van de Mijnbouwwet.

Daar houdt de nieuwswaarde van deze uitspraak niet mee op, want de Afdeling overweegt vervolgens dat uit het ‘Varkens in Nood-arrest’ niet volgt dat beroepsgronden enkel en alleen over procedurele aspecten van de inspraakprocedure mogen gaan. Naar het oordeel van de Afdeling strookt zo’n enge uitleg niet met de achtergrond van het oordeel van het Hof op dit punt, namelijk de bevordering van de nuttige werking van de inspraakrechten. Daarbij is voor de Afdeling ook van belang dat een onderscheid tussen beroepsgronden over inspraakrechten en in het verlengde daarvan liggende materiële gronden niet altijd eenvoudig is te maken, zodat deze uitleg mede de rechtspraktijk dient.

Relativiteitsvereiste

Tot slot wijs ik er nog op dat de Afdeling duidelijk is geweest over het relativiteitsvereiste: dat kan nog wel worden tegengeworpen aan degene die in beroep gaat en die geen belanghebbende is: “Ter voorlichting van de rechtspraktijk voegt de Afdeling hieraan toe dat te voorzien is dat de beroepsgronden van degene die aldus als niet-belanghebbende toegang tot de bestuursrechter verkrijgt, vaak vanwege het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste niet tot vernietiging van het bestreden besluit zullen kunnen leiden.”(r.o. 4.9).

In de praktijk

In de praktijk zal men vanaf nu, met deze nieuwe uitgangspunten in het achterhoofd, scherp moeten kijken naar de (slagingskansen van de) personen en organisaties die in beroep zijn gegaan. Het niet meer indienen van een zienswijze is niet langer in alle gevallen fataal. Ik verwijs graag naar het – kraakheldere – stroomschema dat de Afdeling heeft opgesteld en waarvan ik een afbeelding bij dit artikel heb gevoegd.

Heeft u vragen over deze uitspraak of andere gerelateerde vragen, neem dan contact op met mr. Unique Pellekaan.

Hoge Raad beantwoordt vragen van de kantonrechter Groningen over positie Huurcommissie

Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen van de kantonrechter Groningen

In een arrest van 23 april jl. heeft de Hoge Raad een aantal vragen beantwoord, die de kantonrechter te Groningen heeft gesteld omtrent de relatie tussen een uitspraak van de Huurcommissie in een huurgeschil en een daarop volgende procedure bij de kantonrechter omtrent dezelfde geschilpunten.

 

Gang naar kantonrechter is geen hoger beroep

De wet bepaalt (art. 7:262 BW) dat als partijen bij een geschil niet binnen 8 weken na de uitspraak van de Huurcommissie een procedure bij de kantonrechter beginnen over dit geschil, zij gebonden zijn aan de uitspraak alsof die uitspraak in de huurovereenkomst zou zijn opgenomen. Gaat één van partijen naar de kantonrechter, dan doet deze in hoogste instantie een uitspraak over het voorliggende geschil. De procedure bij de kantonrechter geldt echter niet als een hoger beroep van de procedure bij de Huurcommissie.

 

Arrest Hoge Raad

De kantonrechter in Groningen vroeg zich onder meer af of een vordering in reconventie van één van beide partijen nog wel ontvankelijk zou zijn, indien deze tegeneis pas na het verstrijken van de 8 weken termijn bij de kantonrechter wordt ingediend. De Hoge Raad beantwoordde deze vraag positief. Ook beantwoordde de Hoge Raad vragen over de mate waarin een uitspraak van de Huurcommissie gedeeltelijk overeind zou kunnen blijven indien partijen niet alle behandelde geschilpunten in de kantongerechtsprocedure zouden aankaarten. De Hoge Raad overwoog enerzijds dat de binding aan de uitspraak van de Huurcommissie geheel vervalt wanneer tijdig een vordering als bedoeld in art. 7:262 BW wordt ingesteld. Om vervolgens dit standpunt als volgt te nuanceren: Wel heeft de wetgever denkbaar geacht dat partijen slechts op een enkel punt een nadere beslissing van de kantonrechter verlangen, in welk geval het voor de hand ligt dat de uitspraak van de huurcommissie voor het overige bindt, aangenomen dat die uitspraak aldus gesplitst kan worden. Echter in een volgend antwoord stelt de Hoge Raad weer: “Uit het voorgaande volgt dat wanneer een van partijen tijdig een vordering als bedoeld in art. 7:262 BW instelt, partijen in het geheel niet meer gebonden zijn aan de uitspraak van de huurcommissie.” Om bij een ander antwoord te overwegen: Indien de kantonrechter ten aanzien van bepaalde geschilpunten niet van bezwaren tegen de beslissing van de huurcommissie is gebleken, mag hij in zijn beslissing met betrekking tot die geschilpunten de uitspraak van de huurcommissie zonder nadere motivering overnemen. Als ook: Indien beide partijen ondubbelzinnig te kennen geven dat zij ten aanzien van bepaalde geschilpunten geen beslissing van de kantonrechter verlangen, dient de kantonrechter de beslissing van de huurcommissie over die geschilpunten te eerbiedigen.

 

Oppassen geblazen

Het blijft dus oppassen geblazen bij het formuleren van een vordering als ook het voeren van verweer in een kantongerechtsprocedure nadat de Huurcommissie uitspraak heeft gedaan. Als procespartij mag je er niet op vertrouwen dat het enkele feit dat er tijdig een procedure bij de kantonrechter aanhangig is gemaakt, de binding aan de uitspraak van de Huurcommissie in zijn geheel is vervallen.

Heeft u vragen over dit arrest of andere huurgerelateerde vragen, neem dan contact op met mr. Birgit Gruppen.

Kan de gemeente een strengere habitattoets hanteren dan de provincie?

Kan de gemeente een strengere habitattoets hanteren dan de provincie?

Op 23 december 2020 heeft de Afdeling een interessante uitspraak gedaan over de weigering van de gemeenteraad van De Fryske Marren om een bestemmingsplan vast te stellen. De uitspraak is opvallend om (in elk geval) twee redenen: de gemeenteraad hanteert een strengere toets ten aanzien van natuurwaarden dan de provincie (kan dat?) én de Afdeling bevestigt het standpunt van de gemeenteraad dat de negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen strijd met de goede ruimtelijk ordening kunnen opleveren. Dat laatste punt is opvallend omdat het eigenlijk neerkomt op het combineren van twee verschillende regimes.

Wat speelde er?

Een initiatiefnemer had verzocht om een bestemmingsplan vast te stellen dat een zandwinningslocatie in het IJsselmeer (Natura 2000-gebied) mogelijk maakt. De zandwinning zou op een eiland worden gerealiseerd en er zou 2 miljoen ton zand over een periode van 30 jaar gewonnen kunnen worden. Het eiland zou vervolgens achtergelaten worden als waardevol natuureiland. Er was al een overeenkomst met de voorgangster van De Fryske Marren en de locatie is aangewezen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Gedeputeerde staten hebben een verklaring van geen bedenkingen gegeven waarin staat dat significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied zijn uit te sluiten. So far, so good.

Toch heeft de gemeenteraad besloten om het reeds voorbereide bestemmingsplan niet vast te stellen, voornamelijk vanwege de negatieve effecten op het Natura 2000-gebied en beschermde diersoorten, en vanwege ruimtelijke motieven. De initiatiefnemer is in beroep gegaan. De Afdeling oordeelde echter dat dit beroep ongegrond is.

Wat is er bijzonder aan deze uitspraak?

In deze zaak heeft de provincie een verklaring van geen bedenkingen afgegeven, waaruit volgt dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied zijn uit te sluiten. Toch besluit de gemeenteraad om het bestemmingsplan niet vast te stellen omwille van het negatieve effect op de natuurwaarden van dat gebied. Daar komt bij dat de raad betoogt dat het plan vanwege de negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Dit roept de vraag op of – kort gezegd – de gemeente een strengere toets ten aanzien van natuurwaarden mag hanteren dan de provincie, en of de negatieve effecten op de natuur tot het oordeel kunnen leiden dat er strijd met de goede ruimtelijke ordening is.

De Afdeling oordeelt dat dit allebei kan. Ik citeer (r.o. 9): “De Afdeling is van oordeel dat de raad het plan vanwege de negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, ook al zouden die niet significant zijn, in strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten. Dat kan worden voldaan aan de Wnb betekent immers niet dat de ontwikkeling niet leidt tot een aantasting van natuurwaarden in het Natura 2000-gebied “IJsselmeer”. Het bestuursorgaan mag andere, strengere, normen hanteren, mits deugdelijk onderbouwd. De Afdeling is van oordeel dat de raad de gestelde aantasting voldoende heeft onderbouwd. Hierbij komt dat in het beleid van de gemeente De Fryske Marren is vastgelegd dat de raad zich het belang bij behoud en ontwikkeling van de natuurwaarden in het Natura 2000-gebied “IJsselmeer” in het bijzonder aantrekt.”

Het beroep tegen de weigering is dus ongegrond. De overwegingen in deze uitspraak zijn interessant omdat de heersende opvatting was dat het gebiedsbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming (Wnb) uitputtend geregeld is, waarbij voor een aanvullende (strengere) habitattoets van de gemeente geen plaats is. Ook worden de twee sporen van de Wnb en de Wet ruimtelijke ordening (Wro) hier in samenhang bezien, in die zin dat (kort gezegd) een aantasting van natuurwaarden kennelijk tot strijd met de goede ruimtelijke orde kan leiden. De beide wetten hebben echter een eigen regime en verschillende doelen, waardoor de vraag opkomt of het specialiteitsbeginsel aan deze toepassing in de weg staat.

Er zijn meer interessante aspecten aan deze uitspraak (het milieueffectrapport en de passende beoordeling waren op PAS gebaseerd, en zou de provincie of de minister uit hoofde van de ruimtelijke orde kunnen ingrijpen?), maar daar is deze blog te kort voor. Ik raad echter van harte aan om de uitgebreide noot van F.H Kistenkas in Gemeentestem 2021/49 te lezen. Hierin wordt ook terecht opgemerkt dat de Omgevingswet enerzijds een meer integrale aanpak kent waardoor de tweesporen-gedachte wellicht anders ingevuld moet worden, maar het anderzijds ook dan nog de vraag zou zijn of de goede ruimtelijke ordening van de gemeente die van het Rijk doorkruist.

Wordt dit een nieuwe lijn?

Dat zullen we moeten afwachten. Ik verwacht dat deze argumenten vaker zullen worden aangevoerd, waarna vast meer duidelijkheid zal volgen.


Wilt u meer weten over deze uitspraak of heeft u andere gerelateerde vragen, neem dan vooral contact op met mr. Unique Pellekaan.

Huurovereenkomst woonruimte voor (on)bepaalde tijd; minimaal of maximaal?

Huurovereenkomst woonruimte voor (on)bepaalde tijd; minimaal of maximaal?

Met de inwerkingtreding van de Wet doorstroming huurmarkt 2015 is de mogelijkheid om woonruimte voor bepaalde tijd te verhuren geïntroduceerd. Een zelfstandige woonruimte kan voor een bepaalde tijd van maximaal twee jaar worden verhuurd. Voor onzelfstandige woonruimte is deze termijn vijf jaar. Na ommekomst van deze termijn eindigt de huurovereenkomst. Daarvoor is geen opzegging nodig, maar slechts een schriftelijke mededeling van de verhuurder aan de huurder dat de huurovereenkomst eindigt. Wordt deze mededeling tijdig gedaan, dan eindigt de huurovereenkomst zonder meer.

Voor verhuurders zijn deze huurovereenkomsten dus makkelijk te beëindigen. Daar staat tegenover dat huurders dit soort huurovereenkomsten op grond van de wet tussentijds kunnen opzeggen. Normaal gesproken kan een huurovereenkomst voor bepaalde tijd niet tussentijds worden opgezegd, maar in dit geval dus wel. Dat biedt de huurder de mogelijkheid om naar een andere woning te verhuizen zodra dat kan. Flexibiliteit voor de verhuurder en de huurder derhalve.

Veel verhuurders willen graag de zekerheid hebben dat zij hun woning minimaal een bepaalde tijd kunnen verhuren. Met de hiervoor genoemde huurovereenkomst voor bepaalde tijd lukt dat niet, want die kan tussentijds door de huurder worden opgezegd. De vraag is of dit doel wel kan worden bereikt met een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd met een minimumduur. Een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 maart 2021 wijst erop van wel. In die zaak was een huurovereenkomst aangegaan voor tenminste vijf maanden en was bepaald dat deze daarna voor onbepaalde tijd zou voortduren. Het gerechtshof legt dit uit als een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd met een minimale duur van vijf maanden. In deze zaak was de consequentie dat de huurovereenkomst na vijf maanden voor onbepaalde tijd doorliep en de verhuurder geen aanspraak kon maken op ontruiming.

Zoals het hof overweegt, is met de Wet doorstroming huurmarkt 2015 beoogd om een extra mogelijkheid voor de (ver)huur van woonruimte bieden, maar niet om huurovereenkomsten met een minimale duur onmogelijk te maken. Dat laat ruimte voor huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd met een vaste eerste termijn van, bijvoorbeeld en zoals veel voorkomt, één jaar. Zolang maar duidelijk is dat dit een minimale eerste termijn is en de huurovereenkomst daarna voor onbepaalde tijd doorloopt, past dit nog steeds in het stelsel van de wet. Zekerheid voor de huurder en verhuurder derhalve.

Heeft u vragen over dit artikel of andere huurgerelateerde vragen, neem dan vooral contact op met mr. Elmer van der Kamp.

Faillissement aangevraagd? Wellicht biedt de Tijdelijke Betalingsuitstelwet 2020 uitkomst!

Faillissement aangevraagd? Wellicht biedt de Tijdelijke Betalingsuitstelwet 2020 uitkomst!

Om het coronavirus in te dammen neemt de overheid fikse maatregelen, die veel bedrijven hard raken. Dit kan erin resulteren dat deze bedrijven – die in de kern gezond zijn – toch niet meer aan hun betalingsverplichtingen kunnen voldoen.

Het gevaar bestaat dat bedrijven failliet gaan, terwijl die zonder de coronamaatregelen een winstgevende bedrijfsvoering zouden hebben gehad. De Tijdelijke Betalingsuitstelwet 2020 (hierna: de Betalingsuitstelwet) is een van de maatregelen om dergelijke faillissementen te voorkomen en geeft de mogelijkheid om een verzoek te doen aan de rechtbank om een faillissementsaanvraag aan te houden. Op deze manier beoogt de regeling faillissementen van ondernemingen te voorkomen die enkel en alleen door de coronacrisis in betalingsmoeilijkheden verkeren.

Het is belangrijk om hier op bedacht te zijn. Als het faillissement van uw onderneming is aangevraagd, moet u namelijk zelf een verzoek doen tot dit tijdelijke uitstel van betaling. Daarbij is van belang dat uw onderneming door de coronamaatregelen niet kan worden voortgezet zoals gebruikelijk en dat het vooruitzicht bestaat dat uw onderneming na het tijdelijke betalingsuitstel de facturen wel weer kan betalen. Wijst de rechtbank het verzoek toe, dan krijgt uw onderneming een uitstel van betaling voor twee maanden tegenover de faillissementsaanvrager(s). Dit uitstel kan met twee keer twee maanden worden verlengd. Het uitstel van betaling geldt dus niet tegenover alle schuldeisers en beperkt zich enkel tot de schulden die reeds voor de aanhouding opeisbaar waren.

De Betalingsuitstelwet kan ook (tijdelijk) uitkomst bieden als een schuldeiser beslag heeft gelegd op een bedrijfsmiddel dat noodzakelijk is om uw onderneming te kunnen voortzetten. De executie (verkoop van hetgeen waar beslag op is gelegd) kan tijdelijk worden geschorst. De voorwaarden die hiervoor gelden zijn dezelfde als voor de aanhouding van een faillissementsaanvraag.

De Betalingsuitstelwet biedt op deze manier bescherming aan ondernemingen die worden geraakt door de coronamaatregelen. Als u los van de coronamaatregelen wordt geconfronteerd met een problematische schuldenlast waardoor uw onderneming in de problemen dreigt te komen of u niet verwacht dat deze problemen binnen afzienbare tijd na opheffing van de maatregelen zullen zijn opgelost, dan kan de Wet homologatie onderhands akkoord (hierna: “WHOA”) mogelijk een uitkomst bieden. De WHOA voorziet – onder voorwaarden – in de mogelijkheid om ondernemingen van de ondergang te redden met behulp van een schuldeisersakkoord. Mijn collega Sigrid Veenema-Bruinsma schreef hier al een blog over, waar ik u graag naar verwijs.

Is het faillissement van uw onderneming aangevraagd of is beslag gelegd op uw bedrijfsmiddelen en denkt u dat de Betalingsuitstelwet uitkomst kan bieden, neem dan gerust contact met Rutger Duursma of Sigrid Veenema-Bruinsma op om te zien of zij u hierbij kunnen helpen.