Aan elke zaak komt een eind. Toch?

Het zal de gemiddelde verdachte (ondernemer) al lang niet meer bijzonder in de oren klinken, maar strafzaken – zelfs de meest eenvoudige – kunnen vele jaren duren. Dit is voor veel ondernemers en ondernemingen op zijn zachtst gezegd problematisch. Vanwege het enkele feit dat het bedrijf verdachte is, kunnen bijvoorbeeld vergunningen niet meer worden verkregen, wordt financiering geweigerd of kan er niet meer worden meegedaan met aanbestedingen. Gedurende het opsporingsonderzoek zit men veelal dan ook muurvast en is de schade niet te overzien.

Hoe lang mag het onderzoek duren?

De vraag die ik steevast krijg, is hoeveel tijd het OM mag nemen om de zaak uiteindelijk voor de rechter te brengen en belangrijker nog, hoe zorg ik dat de vervolging überhaupt wordt gestaakt? Een veelgebruikt instrument hiervoor betrof het zogeheten art. 36 Sv verzoek. Bij (te) lang stilzitten werd de rechtbank gevraagd om de zaak voor beëindigd te verklaren.

Art. 36 Sv: niet geschoten is altijd mis

De uitkomst van een dergelijk verzoek was per definitie onzeker. Wanneer de uitspraken van de rechtbanken in het land werden bekeken, dan kwam daaruit geen eenduidig beeld naar voren. Sommige rechtbanken oordeelden simpelweg dat de redelijke termijn was overschreden en verklaarden de zaak voor beëindigd. Andere rechtbanken maakten een belangenafweging tussen de belangen van de verdachte en de eventuele benadeelden. Een vast toetsingskader leek te ontbreken.

Meer duidelijkheid, maar minder mogelijkheden

De Hoge Raad heeft in een arrest van 1 oktober 2019 (2019:1472) een einde gemaakt aan alle onzekerheid. In het arrest geeft de Hoge Raad een overzicht van de situaties waarin een art. 36 Sv verzoek kan worden gedaan.

Van belang is dat een verzoek niet meer kan worden gedaan vanwege het enkele feit dat de redelijke termijn is overschreden, omdat de Hoge Raad al in 2008 bepaalde dat daarvoor enkel nog een korting op een eventuele straf wordt gegeven. Deze route – die door rechtbanken en hoven nog wel eens werd bewandeld – is nu definitief afgesneden.

Ook is nieuw dat de Hoge Raad oordeelde dat een verzoek alleen nog kan worden gedaan als er geen rechter in de zaak is betrokken. Dus is de zaak door de rechter al een keer aangehouden, maar gebeurt er vervolgens niets, dan is een art. 36 verzoek kansloos. Een uitzondering hierop bestaat nog als het OM om formele redenen niet-ontvankelijk is verklaard of bijvoorbeeld de dagvaarding nietig is verklaard en hoger beroep is ingesteld, waarna er niets (meer) gebeurd. In dat geval kan nog wél een verzoek worden gedaan.

Het meest belangrijk voor ondernemers en ondernemingen is doorgaans de situatie waarbij het opsporingsonderzoek al lang en breed is voltooid én de zaak nog niet bij de rechter aanhangig is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er al jaren geleden een inval is geweest en/of de verhoren hebben plaatsgevonden, maar er sindsdien niets meer is gebeurd. In die situatie kan de rechter (nog) worden gevraagd om te verklaren dat de zaak is geëindigd. Daarvoor is volgens de Hoge Raad dan wel nodig dat er geen of nauwelijks nog onderzoek plaatsvindt en het daarnaast redelijkerwijs niet valt te verwachten dat het OM nog een strafvervolging zal instellen.

Vragen?

Kortom, wacht u al tot u een spreekwoordelijke ons weegt? Neem dan contact met ons op én dan bespreken we met u de mogelijkheden om de zaak beëindigd te krijgen. Onze strafadvocaat Peter Koops kan u daarbij uitstekend adviseren.

Welkome uitspraak van de Afdeling over de toetsing van omgevingsvergunningen en de Dienstenrichtlijn

Inmiddels is aardig duidelijk hoe indringend de Afdeling planregels toetst aan de eisen van artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn en ook hoe de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan dient te onderbouwen dat een planregel die detailhandel beperkt, non-discriminatoir, noodzakelijk en evenredig is. Minder duidelijk is hoe dit precies zit wanneer het college een omgevingsvergunning wil weigeren vanwege strijdigheid met zo’n beperkende planregel in een onherroepelijk bestemmingsplan. Is het dan in de eerste plaats aan de aanvrager om de strijdigheid met de eisen van de Dienstenrichtlijn aan te tonen of moet het college onderbouwen dat de planregel wél geoorloofd is? En hoever reikt die onderbouwingsplicht? Aan deze onzekerheden heeft de Afdeling een einde gemaakt met haar uitspraak van 19 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:520).

De Afdeling maakt duidelijk dat het in de eerste plaats aan het college is om bij de beslissing over het verlenen van een omgevingsvergunning te onderbouwen waarom de beperking niet strijdig is met de Dienstenrichtlijn, ook al is het bestemmingsplan onherroepelijk. De uitspraak schept daarnaast helderheid over de reikwijdte van de exceptieve toetsing van de planregel in de gerechtelijke procedure over de omgevingsvergunning en de mate waarin het college moet onderbouwen dat het plan aan de eisen van de Dienstenrichtlijn voldoet. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie (o.a. ABRvS 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4266) overweegt de Afdeling dat de planregeling in zo’n geval niet aan de toetsingsmaatstaf die wordt gehanteerd in beroep tegen een vastgesteld bestemmingsplan. Wordt aangevoerd dat de onherroepelijke bestemmingsregeling in strijd is met een hogere regeling en daarom niet ten grondslag had mogen worden gelegd aan de weigering van de omgevingsvergunning, dan dient de rechter de bestemmingsregeling slechts onverbindend te achten of buiten toepassing te laten, als de bestemmingsregeling evident in strijd is met de hogere regeling. Daarvan is pas sprake, zo vervolgt de Afdeling, als de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat deze strijdig is met de hogere rechtsnorm.

Beargumenteert de aanvrager dat de beperking in strijd is met de Dienstenrichtlijn en ontbreekt een motivering dat wél aan de daarin opgenomen vereisten is voldaan, dan kan toch geen evidente strijd met de Dienstenrichtlijn worden aangenomen als het college die onderbouwing (alsnog) geeft. Maar: deze onderbouwingsplicht gaat niet zo ver dat het college de beperking dient te onderbouwen aan de hand van een analyse met specifieke gegevens, zoals bij de toetsing van het bestemmingsplan wél het geval is.

De uitspraak is zowel goed als slecht nieuws voor de gemeentepraktijk: óók het college heeft een onderbouwingsplicht, maar dan wel een minder zware dan die van de raad, bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Hiermee wordt eens te meer duidelijk dat beperkingen van de detailhandelsmogelijkheden al bij de vaststelling van het (ontwerp-)bestemmingsplan deugdelijk moeten worden onderbouwd – of beter nog: in het overkoepelend beleid -, zodat het college bij de motivering van zijn besluiten over omgevingsvergunningen naar die onderbouwing kan verwijzen.

Met vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Ingeborg Wind-Middel of andere leden van ons team Omgevingsrecht.