Planologisch verbod op verkenningsonderzoek kán ruimtelijk relevant zijn

Kunnen regels in een bestemmingsplan, die verkennings- en opsporingsonderzoek naar de aanwezigheid van aardgas verbieden, ruimtelijk relevant en dus op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geoorloofd zijn? Die vraag beantwoordde de Afdeling in haar uitspraak van 6 november 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3765). Spoiler-alert(!): het betreffende bestemmingsplan sneuvelt. Toch is de uitspraak interessant, omdat de Afdeling een (zij het minuscule) opening laat voor het planologisch verbieden van verkenningsonderzoek.

Relevantie:

  • De minister van Economische Zaken en Klimaat (hierna: “de minister”) heeft belang bij de mogelijkheid om (seismisch) verkenningsonderzoek uit te voeren, om zo de diepe ondergrond en alle bodemschatten die zich daarin bevinden in kaart te brengen.
  • Voor zover dergelijk (seismisch) verkenningsonderzoek geluid- of trillinghinder veroorzaakt, heeft het ruimtelijke impact. Dat betekent dat met het planologisch uitsluiten van verkenningsonderzoek een ruimtelijk relevant doel in de zin van artikel 3.1, eerste lid, van de Wro wordt nagestreefd.
  • Om verkenningsonderzoek te kúnnen uitsluiten, moet worden aangetoond dat er binnen het plangebied bestemmingen of functies aanwezig zijn die bijzonder gevoelig zijn voor geluid- en/of trillinghinder, ook al is die hinder van tijdelijke duur.
  • Bovendien moet in de plantoelichting stevig worden gemotiveerd dat de gevoeligheid van de bestemming of functie van dien aard is, dat het belang bij de bescherming van die bestemming of functie prevaleert boven het hiervoor beschreven (kennelijk) zwaarwegende belang van de minister. De praktijk zal moeten uitwijzen of in het concrete geval aan die motiveringsplicht kan worden voldaan.

Smallingerland blokkeert verkennings- en opsporingsonderzoek; minister stapt naar de rechter

De minister van Economische Zaken en Klimaat (hierna: “de minister”) is belast met de besluitvorming over o.a. winnings- en opsporingsvergunningen voor geothermie, aardgas en andere delfstoffen. Niet alleen onder de Groningse bodem ligt een gasreservoir; verspreid over het land zijn ook veel zogeheten ‘kleine velden’ aangetroffen. Met het terugschroeven van de gaswinning uit het Groningenveld is het belang van gaswinning uit deze kleine velden flink toegenomen. Maar gezien de problematiek in Groningen staan decentrale overheden niet om deze verschuiving te springen. De juridische mogelijkheden om invloed op deze ontwikkeling uit te oefenen, zijn echter zeer beperkt.

Ook onder de Friese bodem, o.a. rondom Drachten, bevinden zich kleine velden, waaruit al jaren gas wordt gewonnen. Uit angst voor schade door aardbevingen probeert de gemeente Smallingerland nieuwe gaswinning van haar grondgebied te weren. Met haar eigen energiebeleid beoogt zij juist de bestaande energie-infrastructuur met aardgas te transformeren naar een infrastructuur met duurzame energiebronnen. Om dit beleid planologisch te verankeren, stelde de raad medio 2018 het bestemmingsplan “Buitengebied 2013, 2e herziening” vast. In dit plan werd bestaand gebruik voor gaswinning gerespecteerd, maar werden nieuwe ontwikkelingen (verkennings- en opsporingsonderzoek) binnen de bestemming “Agrarisch – met waarden” expliciet als ‘strijdig gebruik’ aangemerkt. Daarnaast schrapte de raad de mogelijkheid om voor dit verboden gebruik een ‘binnenplanse’ omgevingsvergunning te verlenen. De minister, die zijn ‘Kleineveldenbeleid’ gefrustreerd zag, ging tegen dit plan in beroep bij de Afdeling.

De ruimtelijke (ir)relevantie van planregels die verkennings- en opsporingsonderzoek blokkeren

Beroep is ontvankelijk, ondanks ontbreken zienswijze minister

Saillant is allereerst dat de raad, schijnbaar om geen ‘slapende ministers’ wakker te maken, verzuimd had om de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan aan de minister toe te zenden. Dat had echter volgens de Afdeling op grond van artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro wél gemoeten. De verplichte kennisgeving van de terinzagelegging van plannen met bovengemeentelijke belangen (zoals de gaswinning) moet immers juist voorkomen dat de terinzagelegging de betrokken diensten van o.a. het Rijk ontgaat (zo volgt uit de MvT bij de Wro; Kamerstukken II, 2002/03, 28916, nr. 3, blz. 98). De Afdeling concludeert dan ook dat het beroep van de minister ontvankelijk is, aangezien hem redelijkerwijs niet kon worden verweten dat hij geen zienswijze had ingediend (zie artikel 6:13 Awb).

Vooroverleg ten onrechte achterwege gelaten

Naast de verplichte kennisgeving liet de raad – in strijd met artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – ook het verplichte overleg met de minister achterwege, bij de voorbereiding van het plan. Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting bespreekt de Afdeling vervolgens echter óók de inhoudelijke beroepsgronden van de minister.

Ruimtelijke relevantie van de planregels

De Afdeling stelt voorop dat de door de raad gekozen bestemming ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Wro moet worden verantwoord vanuit een ‘goede ruimtelijke ordening’. Dit betekent dat met de planregels een ruimtelijk relevant doel moet worden nagestreefd.

Dat is volgens de Afdeling niet het geval, voor zover de raad het verkennings- en opsporingsonderzoek heeft uitgesloten om de doelen van zijn energiebeleid te verwezenlijken. Hoewel duurzaamheid op zichzelf een milieuaspect betreft, gaat het de raad daarbij namelijk niet zozeer om de milieugevolgen van het verkennings- en opsporingsonderzoek, maar om de milieugevolgen van het gebruik van aardgas als brandstof door de samenleving. In zoverre heeft de planregeling niet tot doel het ruimtegebruik van de gronden in het plangebied of de invloed van dat ruimtegebruik op de omliggende gronden te regelen en is de regeling, wegens het ontbreken van een ruimtelijk relevant doel, in strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro.

Ook het uitsluiten van verkennings- en opsporingsonderzoek vanwege angst voor aardbevingen als gevolg van de winning van gas, is naar het oordeel van de Afdeling niet geoorloofd. Verkennings- en/of opsporingsonderzoek leidt immers op zichzelf niet tot de door de raad gevreesde aardbevingen, althans zo valt volgens de Afdeling redelijkerwijs aan te nemen.

Kan verkennings- of opsporingsonderzoek dan helemaal niet met een bestemmingsplan worden gereguleerd? Jawel, zegt de Afdeling: bij seismisch onderzoek wordt de bodem in trilling gebracht. Dit kán tot een bepaalde mate van geluid- of trillinghinder leiden. Dat betekent dat dergelijk verkenningsonderzoek ruimtelijke impact kán hebben en dat de raad, met het tegengaan daarvan, een ruimtelijk relevant doel in de zin van artikel 3.1, eerste lid, van de Wro nastreeft.

Belangenafweging

Dat het plan sneuvelt, zit ‘m in de belangenafweging; volgens de Afdeling heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een algemeen verbod in het hele plangebied voor het doen van verkenningsonderzoek in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De raad had namelijk niet gemotiveerd dat op of in de buurt van de in het plan betrokken gronden sprake is van bestemmingen of functies die een bijzondere gevoeligheid hebben voor geluid of trillingen, laat staan dat daaraan een groter gewicht had moeten worden toegekend dan aan het belang van de minister bij het behoud van de mogelijkheid om verkenningsonderzoek te doen. Met verkenningsonderzoek kan immers kennis worden vergaard over de diepe ondergrond en álle bodemschatten die zich daarin bevinden; daarbij gaat het niet alleen om aardgas en aardolie, maar ook om zout, aardwarmte en aquifers van water.

Belang voor de praktijk

Op gemeentelijk grondgebied kunnen bestemmingen of functies aanwezig zijn die bijzonder gevoelig zijn voor geluid- en/of trillinghinder, ook al is die hinder van tijdelijke duur. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan beschermde natuur- of stiltegebieden of instabiele bouwwerken. Uit deze uitspraak lijkt te volgen dat een (in ruimte beperkt) verbod op het uitvoeren van verkenningsonderzoek in de buurt van dergelijke functies niet bij voorbaat ongeoorloofd moet worden geacht. Wel zal dan goed gemotiveerd moeten worden dat de gevoeligheid van de bestemming of functie van dien aard is, dat het belang bij de bescherming van die bestemming of functie prevaleert boven het (kennelijk) zwaarwegende belang van de minister bij het behoud van de mogelijkheid om verkenningsonderzoek te doen. Of aan deze motiveringsplicht kan worden voldaan, zal in de praktijk nog moeten blijken.

Vragen?

Met vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Unique Pellekaan

De financiering van TenderNed vormt geen staatssteun

HvJ EU 7 november 2019, C-687/17P, Aanbestedingskalender B.V. e.a./Commissie, ECLI:EU:C: 2019:932

Relevantie:

  • Indien een publieke entiteit zowel een publieke activiteit als een economische activiteit verricht die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, doordat de publieke activiteit niet zonder de andere activiteit kan functioneren dan wel deze activiteiten nauw met elkaar zijn verbonden, dan worden beide activiteiten als niet-economisch beschouwd en vormt de financiering daarvan door de overheid geen staatssteun.

Dat geldt ook voor TenderNed. Zowel de ‘aankondigingsmodule’ (publieke taak) als de ‘inschrijvingsmodule’ zijn in zijn geheel verbonden met de uitoefening van de publieke taak van TenderNed. Als de ’inschrijvingsmodule’ wordt losgemaakt van de ‘aankondigingsmodule’, dan staat dat de publieke taak van TenderNed en de doelen van de aanbestedingsrichtlijnen in de weg.

Aanleiding

Op grond van de Aanbestedingswet 2012 is de minister van EKZ verplicht om een elektronisch systeem voor aanbestedingen op te zetten, via welk systeem aanbestedende diensten en speciale-sectorbedrijven gehouden zijn hun aan te besteden opdrachten aan te kondigen. Hierin voorziet TenderNed dat ten behoeve hiervan een zogenoemde ‘aankondigingsmodule’ heeft ontwikkeld. Deze is kosteloos toegankelijk.

Met ingang van 1 juli 2017 geldt op grond van de Aanbestedingswet tevens de verplichting voor aanbestedende diensten om na de elektronische aankondiging, ook het verdere aanbestedingsproces geheel elektronisch te laten plaatsvinden. Daarvoor biedt TenderNed (eveneens kosteloos) een ‘inschrijvingsmodule’ aan, waarvoor ondernemingen die aan een aanbesteding willen deelnemen, zich moeten registreren. TenderNed is geen exclusieve aanbieder van deze faciliteit. Er is in Nederland een vijftal marktpartijen actief die een eigen inschrijvingsmodule hebben ontwikkeld en deze tegen betaling aanbieden.

Deze marktpartijen zijn van oordeel dat de financiering van TenderNed staatssteun oplevert. Nadat eerder al de Europese Commissie en het Gerecht van Eerste Aanleg EU daar anders over dachten, is het vervolgens aan het Hof van Justitie EU (het Hof) om de knoop door te hakken.

Overwegingen

Volgens het Hof heeft het Gerecht op juiste wijze geoordeeld door conform eerdere rechtspraak vast te stellen dat voor de vraag of sprake is van een economische activiteit, beoordeeld moet worden of de activiteiten van TenderNed, door hun aard, hun doel en de regels waaraan zij zijn onderworpen, verbonden zijn met de uitoefening van de publieke taak. Het Hof wijst in dit verband op haar eerdere arrest Compass Datenbank (C-138/11, EU:C:2012:499) waarin het Hof dezelfde toets van verbondenheid toepaste. Uit dit arrest volgt dat, wanneer een publieke entiteit een economische activiteit uitoefent die niet is verbonden met de publieke taak, deze entiteit handelt als een onderneming. En tevens volgt uit dit arrest dat, wanneer sprake is van een economische activiteit die niet kan worden gescheiden van andere activiteiten die verbonden zijn met de uitoefening van die publieke taak, de activiteiten van die entiteit in zijn geheel worden beschouwd als activiteiten die verbonden zijn met de uitoefening van de publieke taak.

De appellanten in deze procedure waren van mening dat de staat onderscheid had moeten maken tussen enerzijds het verzekeren van een goede naleving van de aanbestedingsregels door overheden (te weten de aankondigingsmodule), hetgeen een publieke taak is, en anderzijds, het verschaffen, door TenderNed, van de technische middelen waardoor aanbestedende diensten aan hun verplichtingen kunnen voldoen (te weten de inschrijvingsmodule), hetgeen volgens hen geen deel uitmaakt van de publieke taak.

Het Hof stelt echter vast dat het Gerecht terecht heeft uitgemaakt dat beide activiteiten, zowel de aankondigingsmodule als de inschrijvingsmodule, individueel, verbonden zijn met de uitoefening van de publieke taak. Voor de aankondigingsmodule vloeit dit voort uit de wettelijke verplichting neergelegd in de Aanbestedingswet. Voor de inschrijvingsmodule is dit het geval omdat deze op dezelfde wijze bijdraagt aan het doel van TenderNed als de aankondigingsmodule, namelijk de aanbestedende diensten in staat te stellen om aan hun wettelijke verplichtingen te voldoen, maar ook doordat wanneer de inschrijvingsmodule zou worden losgekoppeld van de aankondigingsmodule of geheel van TenderNed zou worden losgemaakt, dit de activiteiten van TenderNed zou belemmeren en de doelen van de aanbestedingsrichtlijnen in de weg zou staan. Dit oordeel achtte het Hof juist.

Gelet daarop is het oordeel van het Gerecht, dat de beide activiteiten beschouwd moeten worden als verbonden met de uitoefening van de publieke taak, volkomen juist. De financiering van TenderNed kan derhalve niet als staatssteun worden aangemerkt.

Tips

Dit arrest is van toepassing op het aanbieden van (digitale) diensten door overheden waarbij in principe concurrentie mogelijk is met commerciële aanbieders. Gedacht kan worden aan overheden die diensten faciliteren vanwege gegevens waarover zij van overheidswege beschikken, of taken die vanuit hun specifieke bevoegdheden primair op de weg van de overheid liggen, maar die (zoals blijkt uit deze casus) evenzeer door de markt kunnen worden opgepakt. Een voorbeeld daarvan speelde in de zaak over de Klic-viewer. Via dit, door het Kadaster opgezette, elektronische informatiesysteem kan door partijen die in de grond willen graven, informatie worden opgevraagd over de in de grond aanwezige kabels en leidingen. In deze zaak werd dezelfde toets aangelegd. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat het aanbieden van de Klic-viewer geen economische activiteit vormt, aangezien deze niet los kan worden gezien van de publieke taak van het Kadaster (CBb, 14 mei 2019, ECLI:NL:CBB:2019:204). Een ander voorbeeld betreft een door de overheid opgezet digitaal handelsregister, zoals dat in het aangehaalde arrest Compass Datenbank aan de orde was. Zoals blijkt is het onderscheid tussen een publieke taak en een economische activiteit niet steeds even helder en dient een overheid goede argumenten te hebben om een bepaalde activiteit als publieke taak te kwalificeren. In dat kader blijft het toe te passen criterium dat de activiteiten, om als activiteiten van niet-economische aard te kwalificeren, door hun aard, hun doel en de regels waaraan zij zijn onderworpen, nauw verbonden moeten zijn met de uitoefening van de publieke taak.

Vragen?

Met vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Wiarda Geelhoed

Hof van Justitie staat geen algemene beperkingen toe op de inzet van onderaannemers

 

Hof van Justitie 26 september 2019, ECLI:EU:C:2019:787

Hof van Justitie 27 november 2019, ECLI:EU:C:2019:1023

Relevantie:

  • Een inschrijver heeft het recht een beroep op de draagkracht van een derde te doen (i.h.k.v. de geschiktheidseisen) en onderaannemers in te zetten.
  • De inschrijver moet de aanbestedende dienst de (gevraagde) informatie verstrekken die nodig is om te verifiëren of de in te zetten onderaannemer aan de gesteld vereisten voldoet (bijvoorbeeld i.h.k.v. uitsluitingsgronden en een beroep op een derde).
  • Het is een aanbestedende dienst niet toegestaan in algemene zin te eisen dat slechts een bepaald deel van de opdracht in onderaanneming mag worden gegeven.

Inleiding

Het Hof van Justitie EU heeft onlangs twee arresten gewezen over aanbestedingen waarin aanbestedende diensten het deel van een opdracht dat aan onderaannemers in uitvoering mag worden gegeven hadden beperkt. Denkt u aan een regel die stelt dat maximaal 30% van de aanneemsom door een onderaannemer mag worden uitgevoerd. Of omgekeerd: ten minste 40% van de opdracht moet met eigen middelen worden uitgevoerd. Mag dat? Tijd voor een korte analyse!

Beperking in onderaanneming?

Als uitgangspunt heeft te gelden dat een beroep op de draagkracht van anderen een recht is dat inschrijvers hebben (vgl. artikel 2.92 en 2.94 Aw2012). Een aanbestedende dienst mag op grond van artikel 2.79 Aw2012 aan een inschrijver verzoeken in zijn inschrijving aan te geven welk deel van de opdracht hij voornemens is aan derden in onderaanneming te geven en wie dat dan zijn. De aanbestedende dienst mag bij deze partijen ook controleren of er uitsluitingsgronden van toepassing zijn. Een verbod op het inzetten van onderaannemers is er dus niet. Sterker nog, de mogelijkheid van het beroep op onderaannemers bevordert de toegang van het MKB tot overheidsopdrachten (zo volgt uit overweging 78 van Richtlijn 2014/24/EU). Mag de inzet echter beperkt worden?

Het Hof oordeelt conform haar vaste jurisprudentie dat het niet is toegestaan een bepaling te hanteren die tot gevolg heeft dat er sprake is van een algemene of abstracte beperking van het deel van een opdracht dat in onderaanneming (bijvoorbeeld in de vorm van een percentage) mag worden gegeven. In de zaken die speelden voor het Hof werd getracht de algemene regeling te rechtvaardigen op de grond dat werd beoogd te voorkomen dat de georganiseerde misdaad (in casu de Italiaanse maffia) geld kan verdienen met het uitvoeren van overheidsopdrachten. Ook in die situatie vindt het Hof een dergelijke regeling te ver gaan. Een dergelijke ‘blinde’ regeling heeft immers tot gevolg dat een verbod geldt ongeacht de economische sector waarop de opdracht betrekking heeft, de aard van de werken en de identiteit van de onderaannemers. Uitsluiting volgt dan immers ook indien de aangedragen onderaannemers wel integer zouden zijn. Een beoordeling van geval tot geval is dan niet mogelijk en daarom gaan de getroffen maatregelen verder dan noodzakelijk.

Conclusie

De les van het Hof die in deze uitspraken opnieuw bevestigd wordt, is dat het een aanbestedende dienst niet is toegestaan haar inschrijvers algemene of abstracte beperkingen op te leggen in het deel van de opdracht dat in onderaanneming kan worden gegeven. Het is de bedoeling dat iedere onderaannemer getoetst wordt (bijvoorbeeld in het kader van uitsluitingsgronden en het beroep op derden). Aangenomen moet worden dat zeer bijzonder omstandigheden aan de orde moeten zijn, wil een dergelijke maatregel gerechtvaardigd zijn. Het verdient dan ook aanbeveling dit middel niet lichtvaardig in te zetten en op voorhand juridisch advies in te winnen.

Vragen?

Met vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Simon Lautenbag.

 

 

 

De Spoedwet aanpak stikstof

Relevantie:

  • Op 1 januari 2020 is de Spoedwet aanpak stikstof in werking getreden.
  • Deze wet bevat een aantal maatregelen die op korte termijn de aanpak van stikstof mogelijk moeten maken.
  • Dit is relevant, omdat de maatregelen:
    • De stikstofbelasting op Natura 2000-gebieden moeten verminderen;
    • De natuur moeten herstellen;
    • De vergunningverlening voor activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken weer op gang moeten brengen (bijvoorbeeld van belang voor woningbouw);
    • Een (tijdelijke) oplossing biedt voor de PAS-uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak.
  • In het artikel zijn de vijf belangrijkste maatregelen van de wet op een rij gezet:
    • Mogelijkheid tot invoering van een drempelwaarde bij ministeriële regeling
    • Mogelijkheid tot invoering van een stikstofregistratiesysteem bij ministeriële regeling
    • Vervallen vergunningplicht voor activiteiten met niet-significante effecten
    • Mogelijkheid tot verandering van de samenstelling van veevoer
    • Versnelde procedures op grond van de Crisis- en herstelwet

Nadat de Eerste Kamer op 17 december 2019 de Spoedwet aanpak stikstof (ook wel: “SAS”) al aannam, is de wet op 1 januari jl. in werking getreden. De doelstelling van deze wet is enerzijds om de huidige stikstofbelasting terug te brengen en het natuurherstel te intensiveren. Anderzijds heeft de SAS als doel om de vergunningverlening voor activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken weer op gang te brengen. Om deze doelstellingen te realiseren bevat de SAS een aantal maatregelen. Wij zetten voor u de belangrijkste maatregelen van de SAS op een rij.

Mogelijkheid tot invoering van een drempelwaarde bij ministeriële regeling

De eerste maatregel waarin de SAS voorziet betreft de mogelijkheid tot het invoeren van een drempelwaarde door middel van een ministeriële regeling. 

Er is gekozen voor de mogelijkheid om een drempelwaarde middels een ministeriële regeling in te voeren, zodat een nieuwe drempelwaarde snel kan worden ingevoerd, landelijke gelding heeft en relatief gemakkelijk kan worden gewijzigd qua hoogte, categorieën van projecten die van de vrijstelling gebruik kunnen maken en de voorwaarden en beperkingen waaraan deze moeten voldoen.

Mogelijkheid tot invoering van een stikstofregistratiesysteem bij ministeriële regeling

Door de SAS is het daarnaast mogelijk gemaakt om door middel van een ministeriële regeling een stikstofregistratiesysteem in het leven te roepen. Dit systeem is bedoeld om ruimte te maken voor de woningbouw en infrastructuur.

Het stikstofregistratiesysteem registreert de reductie van de stikstofdepositie per locatie die is veroorzaakt door de getroffen aanvullende bronmaatregelen. Hierdoor wordt per locatie in kaart gebracht wat de beschikbare ‘stikstofruimte’ is als gevolg van de getroffen maatregelen. Volgens de wetgever kan dit systeem maatwerk bieden bij bijvoorbeeld het verlenen van een bouwvergunning per locatie. Bij de vergunningverlening kan namelijk een beroep worden gedaan op de ruimte binnen het stikstofregistratiesysteem. Als dat gebeurt wordt de betrokken hoeveelheid stikstof in dat systeem afgeboekt, zodat deze niet meer voor andere projecten beschikbaar is.

Vervallen vergunningplicht voor activiteiten met niet-significante effecten

De derde belangrijke maatregel die de SAS met zich meebrengt betreft het vervallen van de vergunningplicht voor activiteiten met niet-significante effecten.

Tot aan 1 januari gold de in artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming neergelegde vergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit ook voor de zogenaamde ‘andere handelingen’ dan een project. Het gaat hier om activiteiten waarvan op voorhand kan worden gezegd dat zij niet-significante effecten op een Natura 2000-gebied hebben.

Door de inwerkingtreding van de SAS is de vergunning voor ‘andere handelingen’ komen te vervallen. Het kabinet tracht met het laten vervallen van de vergunningplicht voor deze handelingen de lasten voor burgers en bedrijven te voorkomen in situaties waarin op voorhand op basis van objectieve gegevens significant negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.

Mogelijkheid tot verandering van de samenstelling van veevoer

De vierde maatregel uit de SAS is dat de SAS voorziet in de mogelijkheid voorschriften te stellen inzake het voer en de voeding in het totale rantsoen van melkvee of varkens. Dit kan bijvoorbeeld door regels te stellen aan het gehalte aan bepaalde stoffen in dierlijke producten. Er zal gekeken worden naar zowel het ruwvoer, restproducten die worden gevoerd als naar het mengvoer dat het dier krijgt.

Volgens de wetgever zijn voermaatregelen een geschikt en doeltreffend middel voor de reductie van stikstofdepositie, omdat uit het National Emission Model for Agriculture blijkt dat verlaging van het eiwitgehalte in het voer direct is gerelateerd aan het totaal ammoniakaal stikstof (TAN) en dus tot reductie van de ammoniakemissie leidt.

De wetgever stelt als randvoorwaarde dat een verlaging van het eitwitgehalte in het veevoer geen negatieve gevolgen mag hebben voor de productiviteit of diergezondheid, dan wel voor de volksgezondheid.

De handhaving van de nieuwe diervoederregelgeving – die op basis van de door de SAS gecreëerde grondslag nog zal moeten worden opgesteld – komt te liggen bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit.

Versnelde procedures op grond van Crisis- en herstelwet

Tot slot worden fysieke maatregelen ‘die bijdragen aan verbetering of herstel van de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied’ toegevoegd aan bijlage I bij de Crisis- en herstelwet. Door de wijziging moet dergelijke fysieke maatregelen sneller toepassing vinden in de praktijk. Doordat deze maatregelen zijn toegevoegd aan bijlage I bij de Crisis- en herstelwet zijn de volgende bestuurlijke versnellingen van toepassing:

  • de bestuursrechter doet uitspraak binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn;
  • beroepsgronden zijn kenbaar voor afloop van de beroepstermijn;
  • wanneer een bestuursorgaan na vernietiging een nieuw besluit moet nemen, dan kan dit op grond van het oude feitenonderzoek;
  • decentrale overheden kunnen niet in beroep tegen een besluit van de rijksoverheid.

Vragen?

Met vragen over de Spoedwet aanpak stikstof kunt u contact opnemen met Ingeborg Wind of Patrick Zoeten, of een andere collega van het team Omgevingsrecht.

 

De informatie uit dit blog is ontleend aan de Memorie van Toelichting bij de Spoedwet aanpak stikstof: Kamerstukken II 2019/20, 35347, 3.

Help! Ik heb een brief ontvangen dat ik een foto “illegaal” op mijn website of social media kanaal heb gebruikt!

Het is zo gemakkelijk. Even een foto (of filmpje) van internet plukken voor gebruik op uw website of social media kanaal. U mag deze foto’s echter in veruit de meeste gevallen niet zomaar gebruiken. U heeft hiervoor namelijk toestemming van de auteursrechthebbende (meestal de fotograaf) nodig.

We krijgen dan ook regelmatig vragen van mensen die een brief of e-mail hebben ontvangen van een fotograaf of advocaat of een andere (juridisch) vertegenwoordiger van een fotograaf. Deze brief waarin wordt gesteld dat er sprake is van een auteursrechtinbreuk staat vol juridische taal en komt meestal vergezeld van een (niet altijd als zodanig herkenbaar) schikkingsvoorstel in de vorm van een dringend verzoek om alsnog een (gepeperd) bedrag te betalen voor het gebruik van de foto.

Wat nu?

Het is belangrijk om deze brief niet zomaar aan de kant te schuiven. De kosten kunnen dan namelijk behoorlijk oplopen. Wanneer het tot een juridische procedure komt en u alsnog tot een schadevergoeding wordt veroordeeld dan bent u daarnaast een veelvoud daarvan kwijt aan proceskosten. In zaken betreffende het auteursrecht geldt dat in beginsel een volledige proceskostenvergoeding wordt toegewezen aan de partij die gelijk krijgt van de rechter. Dit loopt al snel op tot vele duizenden of zelfs tienduizenden euro’s. Het is echter in de meeste gevallen ook niet verstandig om klakkeloos het geld over te maken.

Maar wat moet u dan wel doen? U moet in ieder geval een aantal dingen nagaan.

Allereerst is het belangrijk om na te gaan of u inderdaad de foto hebt gebruikt en of u voor het gebruik niet een licentie hebt afgenomen. In dit laatste geval mag u de foto natuurlijk gewoon gebruiken.

Ook moet degene die u de brief stuurt de auteursrechthebbende zijn, of gemachtigd zijn om deze te vertegenwoordigen. In het laatste geval zal diegene hier een machtiging van moeten kunnen overleggen.

Men is al snel geneigd aan te nemen dat iemand die een dergelijke brief stuurt checkt of de foto niet rechtmatig gebruikt wordt. En dat diegene ook bevoegd is op te treden voor de rechthebbende. Het verhaal van een fotografe die een brief van een advocaat ontving met daarin het verzoek te betalen voor het gebruik van een foto die zij zelf maakte spreekt tot de verbeelding!

Een vergoeding

Heeft u de foto echter inderdaad zonder toestemming gebruikt? Dan is het in de meeste gevallen verstandig deze zo snel mogelijk te verwijderen. Daarnaast bent u vaak een vergoeding verschuldigd voor het gebruik van de foto.

Dat u niet wist dat de foto auteursrechtelijk beschermd was, dat maakt helaas niet uit. Opzet of schuld is niet vereist. Ook maakt het voor de vraag of u inbreuk heeft gemaakt in beginsel niet uit of het gebruik van de foto veel heeft opgeleverd.

Op zichzelf is het standpunt van de fotograaf niet onbegrijpelijk. Deze heeft immers een hoop tijd, moeite en geld gestoken in het maken van een mooie foto en het is redelijk dat hij hier een vergoeding voor ontvangt. Voor niets gaat immers de zon op. Wat we echter vaak zien is dat ten aanzien van de hoogte van het schikkingsvoorstel het een en ander valt op te merken. Het voorgestelde bedrag is vaak (te) fors en niet onderbouwd. Er worden achteraf bedragen gevorderd die het gebruikelijke tarief van de fotograaf ver te boven gaan, zonder duidelijke reden. Soms is het bedrag wel onderbouwd, maar met schade die op grond van het Nederlandse recht helemaal niet voor vergoeding in aanmerking komt, bijvoorbeeld zogeheten punitive damages die het Amerikaanse recht wel kent.

Reageren op de brief

Het is kortom niet verstandig de brief aan de kant te leggen of om klakkeloos akkoord te gaan met een schikkingsvoorstel. Neemt u daarom contact met ons op. Wij kunnen uw kansen inschatten in een juridische procedure en u als advocaat ook vertegenwoordigen in deze procedure, ongeacht het bedrag van de vordering. Wanneer wij inschatten dat u niet sterk staat in een gerechtelijke procedure, dan kunnen wij voor u onderhandelingen voeren om tot een voor u zo voordelig mogelijke buitengerechtelijke oplossing te komen.

Heeft u vragen of opmerkingen over dit artikel? Neem dan contact op met Rick Hemstra