Belgische havens zijn ondernemingen, de vrijstelling voor vennootschapsbelasting vormt verboden staatssteun

Gerecht EU, 20 september 2019, ECLI:EU:T:2019:652

Belgische havens zijn ondernemingen, de vrijstelling voor vennootschapsbelasting vormt verboden staatssteun

Op 20 september 2019 heeft het Gerecht van de Europese Unie uitspraak gedaan in het beroep dat was ingesteld door de havenbedrijven van Antwerpen en Brugge (hierna: de Belgische havens) tegen de beschikking van de Commissie dat de vrijstelling van vennootschapsbelasting voor de Belgische Zeehavens verboden staatssteun opleverde (Gerecht EU, 20 september 2019, ECLI:EU:T:2019:652).

Relevantie

Dit arrest is om meer redenen van belang. Ten eerste vanwege de uitgebreide overwegingen van Gerecht over de kwalificatie van activiteiten van de Belgische havens als zijnde “economisch van aard”. Ten tweede vanwege de overwegingen van het Gerecht over de selectiviteit van de belastingmaatregel. En ten slotte omdat het Gerecht hiermee de eerder ingezette lijn volgt, dat een vrijstelling voor vennootschapsbelasting voor zeehavens verboden staatssteun vormt, zoals het Gerecht dat eerder ook ten aanzien van Nederlandse zeehavens heeft geoordeeld (Gerecht EU, 31 mei 2018, ECLI:EU:T:2018:317).

Toelichting

De zaak betreft het beroep van de Belgische zeehavens tegen de beschikking van de Europese Commissie, inhoudende dat de vrijstelling van de vennootschapsbelasting die gold voor de Belgische zeehavens staatssteun vormde die onverenigbaar was met de interne markt. De beschikking volgde op een onderzoek van de Europese Commissie naar het functioneren van de havens van de lidstaten en hun belastingregeling met duidelijkheid te verkrijgen over de situatie van de havens ten aanzien van de staatssteunregels.

Met name interessant zijn de overwegingen van het Gerecht over de vraag naar de kwalificatie van de activiteiten van de zeehavens. Daarnaast besteedde het arrest aandacht aan de selectiviteit van de belastingvrijstelling. Het Gerecht verwerpt op beide punten de argumenten van de Belgische zeehavens. Het gevolg is dat de beschikking van de Commissie in stand blijft.

Relevante overwegingen zijn:

Over de kwalificatie van de activiteiten als economisch van aard

  • Het Gerecht oordeelt dat sprake is van exploitatie van haveninfrastructuur aangezien de zeehavens aan schepen toegang verlenen tot de haveninfrastructuur of terreinen verhuurden tegen vergoeding. Volgens vaste rechtspraak vormt de commerciële exploitatie van haven- of luchthaveninfrastructuur en de aanleg daarvan met het oog op een dergelijke exploitatie, een economische activiteit. .
  • De omstandigheid dat een entiteit voor de uitoefening van een deel van haar activiteiten over overheidsprerogatieven beschikt, vormt geen beletsel om haar als onderneming aan te merken. Dat bepaalde activiteiten van de zeehavens bevoegdheden van openbaar gezag vormen die niet-economisch van aard zijn, zoals de controle en de veiligheid van het verkeer op zee, en milieu-inspectie, betekent niet dat de havenbedrijven niet als onderneming kunnen worden aangemerkt.
  • Ook diensten van algemeen belang kunnen een economisch karakter hebben. De aard van de activiteiten is in dit verband doorslaggevend. Het begrip ‘economische activiteiten’ is immers gebaseerd op feitelijke elementen, met name het bestaan van een markt voor de betrokken diensten, en is niet afhankelijk van nationale keuzen of beoordelingen.
  • Het argument van de zeehavens dat de haventarieven niet worden bepaald door een bedrijfseconomische logica, invulling geven aan de publieke missie, maakt niet dat geen sprake is van een economische activiteit. Ook als goederen en diensten zonder winstoogmerk worden aangeboden, belet dit niet dat de entiteit die deze op de markt aanbiedt als een onderneming moet worden beschouwd, wanneer dit aanbod concurreert met dat van andere marktdeelnemers die wel winst nastreven. Volgens het Gerecht houden de zeehavens bij de vaststelling van de tarieven wel degelijk rekening met de marktomstandigheden. De tarieven vormen duidelijk een belangrijk instrument bij het handelsbeleid dat havens aanwenden om derden gebruik te laten maken van hun haveninfrastructuur.
  • De economische activiteiten van de havens zijn volgens het Gerecht niet onlosmakelijk verbonden met en niet noodzakelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden van openbaar gezag, maar kunnen daarvan worden losgekoppeld, waardoor zij voor de economische activiteiten als onderneming kunnen worden aangemerkt.
  • En ten slotte betekent het feit dat wanneer een luchthaven, of, in dit geval een haven, anders dan via een concessie, wordt geëxploiteerd door een overheidsbedrijf of een bedrijf met bevoegdheden van openbaar gezag, niet dat er geen sprake is van een economische activiteit.

Over de selectiviteit van de belastingmaatregel

  • Voor belastingmaatregelen is het onderzoek naar de selectiviteit van een maatregel bedoeld om uit te maken of die maatregel ‘bepaalde ondernemingen of bepaalde producties’ begunstigt in de zin van artikel 107, lid 1 VWEU, dan wel een algemene maatregel van fiscaal beleid is die zonder onderscheid van toepassing is op alle ondernemingen op het nationale grondgebied.
  • Het onderzoek dat moet worden uitgevoerd impliceert dat eerst het referentiekader waarvan de betreffende maatregel deel van uitmaakt moet worden afgebakend. In dat opzicht wordt een feitelijk onderzoek uitgevoerd naar de maatregel die de vrijstelling vormt voor de zeehavens.
  • De betreffende maatregel betreft een vrijstelling voor zeehavens, die een uitzondering vormt op de algemene regel op grond waarvan vennootschappen zijn onderworpen aan vennootschapsbelasting en rechtspersonen anders dan vennootschappen aan rechtspersonenbelasting.
  • In dit verband onderzoekt het Gerecht of de zeehavens onder de definitie van vennootschap vallen onder de toepasselijke Belgische regels. Nu dit het geval is, concludeert het Gerecht dat voor de zeehavens ten opzichte van de overige vennootschappen een afwijkende behandeling geldt.
  • De belastingmaatregel wordt selectief geacht te zijn omdat deze afwijkt van het referentiekader en een verschil invoert tussen de zeehavens en andere aan vennootschapsbelasting onderwerpen vennootschappen, hoewel die zich gelet op het doel van dit referentiekader in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden.

Conclusie

Deze uitspraak vormt een voortzetting van de reeds ingezette lijn in de rechtspraak, dat bij het aanbieden van infrastructuur door overheden in de regel wordt aangenomen dat sprake is van een economische activiteit. Ook de aanleg van de infrastructuur kan een economische activiteit vormen als deze niet los kan worden gezien van de exploitatie ervan. De financiering van dergelijke infrastructuur kan dus staatssteun opleveren. Aan deze conclusie staat niet in de weg dat het desbetreffende (overheids)bedrijf ook bevoegdheden van openbaar gezag kan uitoefenen.

Met vragen over dit arrest kunt u contact opnemen met Unique Pellekaan of Wiarda Geelhoed of één van onze andere advocaten van het team Omgevingsrecht (Ingeborg Wind-Middel, Meriam Bauman en Wessel de Weijer)

Alleen de Europese Commissie mag oordelen over de verenigbaarheid van steun onder de AGVV

HvJ EU 29 juli 2019, zaak C-654/17, ECLI:EU:C:2019:634

In een recent arrest (HvJ EU 29 juli 2019, zaak C-654/17, ECLI:EU:C:2019:634) heeft het Hof van Justitie een uitspraak gedaan die relevant is voor de toepassing van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (de AGVV) door lidstaten.

Relevantie

  • Wanneer een lidstaat steun verleent onder de AGVV levert dit slechts een vermoeden op dat de steun verenigbaar is met de interne markt. Uitsluitend de Commissie is bevoegd is om te beoordelen of steun verleend onder de AGVV verenigbaar is met de interne markt.
  • Steun die aan alle voorwaarden van de AGVV voldoet, kan derhalve niet geacht worden door de Commissie als verenigbaar met de interne markt te zijn goedgekeurd.
  • Steun die de drempel voor individuele aanmelding onder de AGVV overschrijdt en die derhalve dient de worden aangemeld bij de Commissie, wordt eveneens niet geacht te zijn goedgekeurd zijn voor het deel van de steun dat de drempel niet overschrijdt.

Toelichting

Aanleiding

Aanleiding voor de zaak vormde een door Duitsland verrichtte melding van regionale steun aan BMW ten behoeve van de productie van elektrische auto’s in Leipzig. Aangezien de omvang van steun de drempel van de AGVV overschreed, werd de steun ter hoogte van ruim 45 miljoen euro gemeld onder de richtsnoeren voor regionale steun. De Commissie keurde van dit bedrag slechts 17 miljoen euro goed als verenigbare steun. Aangezien dit goedgekeurde steunbedrag lager was dan het bedrag van 22,5 miljoen euro dat Duitsland op grond van de AGVV zou hebben kunnen verlenen, stelde Duitsland beroep in tegen de beschikking. Het Gerecht EU verwierp het beroep in eerste aanleg. (ECLI:EU:T:2017:599).

In hoger beroep lagen twee vragen voor. De eerste vraag betrof de wijze waarop Commissie gehouden is om de ‘mededeling betreffende een diepgaande beoordeling van regionale steun’ (mededeling 2009) toe te passen. De tweede vraag betrof de klacht van Duitsland dat de Commissie ten onrechte het goedgekeurde bedrag op grond van de individuele steunmelding had beperkt tot een lager bedrag dan op grond van AGVV zou kunnen worden verstrekt. Volgens Duitsland heeft de Commissie met de vaststelling van de AGGV de bevoegdheid aan de lidstaten overgedragen om de verenigbaarheid te beoordelen van steun die de drempel voor individuele aanmelding niet overschrijdt.

Belangrijkste overwegingen

Eerste vraag

  • Ten aanzien van de eerste vraag oordeelt het Hof dat de Commissie met toepassing van de mededeling 2009 niet gehouden is om een onderzoek naar de positieve effecten en negatieve effecten van de investeringssteun te doen als zij heeft vastgesteld dat de steun niet noodzakelijk is ‘als stimulans’ om de investering in de betrokken regio te doen.
  • Steun waarvan het bedrag meer bedraagt dan wat noodzakelijk is voor een investering in de steunregio, kan niet verenigbaar worden verklaard louter omdat deze steun geen negatief effect heeft op de mededinging.

Tweede vraag

  • Ten aanzien van de tweede vraag stelt het Hof allereerst vast dat de beoordeling van de verenigbaarheid van een steunmaatregel bij uitsluiting is voorbehouden aan de Commissie, hetgeen volgt uit het VWEU. Het feit dat de Commissie de AGVV heeft vastgesteld, maakt dan ook niet dat de Commissie daarmee de bevoegdheid tot het geven van een oordeel over de verenigbaarheid van steun onder de AGVV heeft overgedragen aan de lidstaten. De Commissie zou dan immers in strijd handelen met het VWEU.
  • Het Hof overweegt voorts dat de aanmeldingsverplichting van steun alleen niet geldt als aan alle voorwaarden van de AGVV wordt voldaan. Indien niet aan alle voorwaarden voor toepassing is voldaan moet de steun onrechtmatig worden geacht. Het Hof herhaalt hier eerdere rechtspraak (o.a. HvJ EU 5 maart 2019, Eesti Pagar, ECLI:EU:C:2019172), waaruit volgt dat in het geval van onrechtmatige steun zowel de nationale rechterlijke instanties als de bestuursorganen dienen te verzekeren dat consequenties worden getrokken, met name wat betreft de geldigheid van uitvoeringshandelingen en de terugvordering van strijdige steun. Ook kan de Commissie ambtshalve of naar aanleiding van een klacht onderzoek doen naar steun die in strijd met de AGVV is verleend. 
  • Als steun volgens een lidstaat aan de voorwaarden van de AGVV voldoet dan wordt hoogstens vermoed dat de steun verenigbaar is met de interne markt. Of wordt voldaan aan de voorwaarden van de AGVV kan voor een nationale rechter, voor een nationale autoriteit en voor de Commissie ter discussie worden gesteld. De Commissie blijft echter als enige bevoegd om deze steun verenigbaar te verklaren. Het maakt daarbij niet uit of de steun de drempel voor individuele aanmelding al of niet overschrijdt.
  • Voorts stelt het Hof vast dat steun die door een lidstaat onder de AGVV is verleend, niet kan worden beschouwd als goedgekeurd door de commissie. De bevoegde autoriteiten onderzoeken of overeenkomstig deze verordening verleende steun in een concreet geval aan de daarin voorgelegde voorwaarden voldoet, zonder dat zij evenwel bevoegd zijn om te beslissen omtrent de verenigbaarheid ervan. Alleen een besluit van de Commissie kan deze goedkeuring verschaffen.
  • Steun die de drempel overschrijdt, valt niet onder de AGVV en moet worden aangemeld. Deze steun kan niet worden beschouwd als steun die is goedgekeurd voor zover het gaat om het deel van de steun dat deze drempel niet overschrijdt. Dat is zeker niet het geval wanneer niet is aangetoond dat dit deel van de steun voldoet aan alle in deze AGVV vastgelegde materiële voorwaarden met name die met betrekking tot het stimulerend effect.

Conclusies en relevantie voor de Nederlandse praktijk

Het arrest biedt inzicht in de functie die de AGVV vervult binnen het stelsel van Europese staatssteunregels. Een kennisgevingsprocedure op grond van de AGVV heeft niet tot gevolg dat de steun daarmee verenigbaar is met de interne markt. Hoogstens wordt vermoed dat de steun verenigbaar is met de interne markt. De commissie is bij uitsluiting bevoegd om hierover een oordeel te vellen.

Met vragen over dit arrest kunt u contact opnemen met Unique Pellekaan of Wiarda Geelhoed of één van onze andere advocaten van het team Omgevingsrecht (Ingeborg Wind-Middel, Meriam Bauman en Wessel de Weijer)

Planologisch verbod op verkenningsonderzoek aardgas kan ruimtelijk relevant zijn

ECLI:NL:RVS:2019:3765

Kunnen regels in een bestemmingsplan, die verkennings- en opsporingsonderzoek naar de aanwezigheid van aardgas verbieden, ruimtelijk relevant en dus op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geoorloofd zijn? Die vraag beantwoordde de Afdeling in haar uitspraak van 6 november 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3765). Spoiler-alert(!): het betreffende bestemmingsplan sneuvelt. Toch is de uitspraak interessant, omdat de Afdeling een (zij het minuscule) opening laat voor het planologisch verbieden van verkenningsonderzoek.

Relevantie

  • De minister van Economische Zaken en Klimaat (hierna: “de minister”) heeft belang bij de mogelijkheid om (seismisch) verkenningsonderzoek uit te voeren, om zo de diepe ondergrond en alle bodemschatten die zich daarin bevinden in kaart te brengen.
  • Voor zover dergelijk (seismisch) verkenningsonderzoek geluid- of trillinghinder veroorzaakt, heeft het ruimtelijke impact. Dat betekent dat met het planologisch uitsluiten van verkenningsonderzoek een ruimtelijk relevant doel in de zin van artikel 3.1, eerste lid, van de Wro wordt nagestreefd.
  • Om verkenningsonderzoek te kúnnen uitsluiten, moet worden aangetoond dat er binnen het plangebied bestemmingen of functies aanwezig zijn die bijzonder gevoelig zijn voor geluid- en/of trillinghinder, ook al is die hinder van tijdelijke duur.
  • Bovendien moet in de plantoelichting stevig worden gemotiveerd dat de gevoeligheid van de bestemming of functie van dien aard is, dat het belang bij de bescherming van die bestemming of functie prevaleert boven het hiervoor beschreven (kennelijk) zwaarwegende belang van de minister. De praktijk zal moeten uitwijzen of in het concrete geval aan die motiveringsplicht kan worden voldaan.

Smallingerland blokkeert verkennings- en opsporingsonderzoek; minister stapt naar de rechter

De minister van Economische Zaken en Klimaat (hierna: “de minister”) is belast met de besluitvorming over o.a. winnings- en opsporingsvergunningen voor geothermie, aardgas en andere delfstoffen. Niet alleen onder de Groningse bodem ligt een gasreservoir; verspreid over het land zijn ook veel zogeheten ‘kleine velden’ aangetroffen. Met het terugschroeven van de gaswinning uit het Groningenveld is het belang van gaswinning uit deze kleine velden flink toegenomen. Maar gezien de problematiek in Groningen staan decentrale overheden niet om deze verschuiving te springen. De juridische mogelijkheden om invloed op deze ontwikkeling uit te oefenen, zijn echter zeer beperkt.

Ook onder de Friese bodem, o.a. rondom Drachten, bevinden zich kleine velden, waaruit al jaren gas wordt gewonnen. Uit angst voor schade door aardbevingen probeert de gemeente Smallingerland nieuwe gaswinning van haar grondgebied te weren. Met haar eigen energiebeleid beoogt zij juist de bestaande energie-infrastructuur met aardgas te transformeren naar een infrastructuur met duurzame energiebronnen. Om dit beleid planologisch te verankeren, stelde de raad medio 2018 het bestemmingsplan “Buitengebied 2013, 2e herziening” vast. In dit plan werd bestaand gebruik voor gaswinning gerespecteerd, maar werden nieuwe ontwikkelingen (verkennings- en opsporingsonderzoek) binnen de bestemming “Agrarisch – met waarden” expliciet als ‘strijdig gebruik’ aangemerkt. Daarnaast schrapte de raad de mogelijkheid om voor dit verboden gebruik een ‘binnenplanse’ omgevingsvergunning te verlenen. De minister, die zijn ‘Kleineveldenbeleid’ gefrustreerd zag, ging tegen dit plan in beroep bij de Afdeling.

De ruimtelijke (ir)relevantie van planregels die verkennings- en opsporingsonderzoek blokkeren

Beroep is ontvankelijk, ondanks ontbreken zienswijze minister

Saillant is allereerst dat de raad, schijnbaar om geen ‘slapende ministers’ wakker te maken, verzuimd had om de kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan aan de minister toe te zenden. Dat had echter volgens de Afdeling op grond van artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wro wél gemoeten. De verplichte kennisgeving van de terinzagelegging van plannen met bovengemeentelijke belangen (zoals de gaswinning) moet immers juist voorkomen dat de terinzagelegging de betrokken diensten van o.a. het Rijk ontgaat (zo volgt uit de MvT bij de Wro; Kamerstukken II, 2002/03, 28916, nr. 3, blz. 98). De Afdeling concludeert dan ook dat het beroep van de minister ontvankelijk is, aangezien hem redelijkerwijs niet kon worden verweten dat hij geen zienswijze had ingediend (zie artikel 6:13 Awb).

Vooroverleg ten onrechte achterwege gelaten

Naast de verplichte kennisgeving liet de raad – in strijd met artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – ook het verplichte overleg met de minister achterwege, bij de voorbereiding van het plan. Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting bespreekt de Afdeling vervolgens echter óók de inhoudelijke beroepsgronden van de minister.

Ruimtelijke relevantie van de planregels

De Afdeling stelt voorop dat de door de raad gekozen bestemming ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Wro moet worden verantwoord vanuit een ‘goede ruimtelijke ordening’. Dit betekent dat met de planregels een ruimtelijk relevant doel moet worden nagestreefd.

Dat is volgens de Afdeling niet het geval, voor zover de raad het verkennings- en opsporingsonderzoek heeft uitgesloten om de doelen van zijn energiebeleid te verwezenlijken. Hoewel duurzaamheid op zichzelf een milieuaspect betreft, gaat het de raad daarbij namelijk niet zozeer om de milieugevolgen van het verkennings- en opsporingsonderzoek, maar om de milieugevolgen van het gebruik van aardgas als brandstof door de samenleving. In zoverre heeft de planregeling niet tot doel het ruimtegebruik van de gronden in het plangebied of de invloed van dat ruimtegebruik op de omliggende gronden te regelen en is de regeling, wegens het ontbreken van een ruimtelijk relevant doel, in strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro.

Ook het uitsluiten van verkennings- en opsporingsonderzoek vanwege angst voor aardbevingen als gevolg van de winning van gas, is naar het oordeel van de Afdeling niet geoorloofd. Verkennings- en/of opsporingsonderzoek leidt immers op zichzelf niet tot de door de raad gevreesde aardbevingen, althans zo valt volgens de Afdeling redelijkerwijs aan te nemen.

Kan verkennings- of opsporingsonderzoek dan helemaal niet met een bestemmingsplan worden gereguleerd? Jawel, zegt de Afdeling: bij seismisch onderzoek wordt de bodem in trilling gebracht. Dit kán tot een bepaalde mate van geluid- of trillinghinder leiden. Dat betekent dat dergelijk verkenningsonderzoek ruimtelijke impact kán hebben en dat de raad, met het tegengaan daarvan, een ruimtelijk relevant doel in de zin van artikel 3.1, eerste lid, van de Wro nastreeft.

Belangenafweging

Dat het plan sneuvelt, zit ‘m in de belangenafweging; volgens de Afdeling heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een algemeen verbod in het hele plangebied voor het doen van verkenningsonderzoek in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De raad had namelijk niet gemotiveerd dat op of in de buurt van de in het plan betrokken gronden sprake is van bestemmingen of functies die een bijzondere gevoeligheid hebben voor geluid of trillingen, laat staan dat daaraan een groter gewicht had moeten toegekend dan aan het belang van de minister bij het behoud van de mogelijkheid om verkenningsonderzoek te doen. Met verkenningsonderzoek kan immers kennis worden vergaard over de diepe ondergrond en álle bodemschatten die zich daarin bevinden; daarbij gaat het niet alleen om aardgas en aardolie, maar ook om zout, aardwarmte en aquifers van water.

Belang voor de praktijk

Op gemeentelijk grondgebied kunnen bestemmingen of functies aanwezig zijn die bijzonder gevoelig zijn voor geluid- en/of trillinghinder, ook al is die hinder van tijdelijke duur. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan beschermde natuur- of stiltegebieden of instabiele bouwwerken. Uit deze uitspraak lijkt te volgen dat een (in ruimte beperkt) verbod op het uitvoeren van verkenningsonderzoek in de buurt van dergelijke functies niet bij voorbaat ongeoorloofd moet worden geacht. Wel zal dan goed gemotiveerd moeten worden dat de gevoeligheid van de bestemming of functie van dien aard is, dat het belang bij de bescherming van die bestemming of functie prevaleert boven het (kennelijk) zwaarwegende belang van de minister bij het behoud van de mogelijkheid om verkenningsonderzoek te doen. Of aan deze motiveringsplicht kan worden voldaan, zal in de praktijk nog moeten blijken. 

Met vragen over dit arrest kunt u contact opnemen met Unique Pellekaan of Wiarda Geelhoed of één van onze andere advocaten van het team Omgevingsrecht (Ingeborg Wind-Middel, Meriam Bauman en Wessel de Weijer)

Let op! Voor schenkingen op papier verandert de box-3 heffing.

In september 2019 heeft de staatssecretaris van Financiën een brief naar de Tweede Kamer gestuurd over de voorgenomen wijziging van de box 3-heffing per 1 januari 2022. Hoewel het wetsvoorstel pas in de zomer van 2020 verwacht wordt, is het belangrijk hier toch alvast rekening mee te houden.

De strekking van de nieuwe box 3 belasting is dat spaarders worden ontzien. Keerzijde is dat beleggers zwaarder worden belast. Schenkingen op papier, ook de reeds bestaande, zullen vallen onder de noemer ‘beleggingen’.

In familieverband lijken de plannen nadelig uit te pakken.

Een ‘schenking op papier’ heet ook wel een ‘schenking onder schuldigerkenning’. Hierbij wordt in een notariële akte vastgelegd dat ouders hun kind over een bepaalde tijd een bedrag geven. Bijvoorbeeld omdat zij het geld nu nog niet kunnen of willen missen.

In situaties waarin ouders een schuld hebben aan kinderen, zoals het geval is bij een schenking op papier, zal de vordering bij de kinderen zwaarder worden belast dan de schuld bij de ouders aan aftrek oplevert.

Uitwerking concreet nadeel voor een schenking op papier

In de huidige situatie wordt bij de ouders de hele schuld in mindering gebracht op de bezittingen. Dat levert voor ouders een besparing op van 5,33% fictief rendement. In het nieuwe voorstel mag maar 3,03% aan rente in aftrek gebracht worden. Het verschil van 2,3% wordt dan tegen 33% belast.

Bij een schenking op papier van € 100.000 kan de box 3-heffing daardoor voor ouders € 760 hoger uitvallen (33% x 2,3% x € 100.000). Ook bij het kind wordt de vordering zwaarder belast dan nu het geval is. Bij een dergelijke schenking kan de box 3 heffing voor het kind zo’n € 1.250 hoger uitvallen (omdat er gerekend wordt met een fictief rendement van 5,33% in plaats van 1,8% nu).

Als de ouders voldoende liquide middelen hebben, dan kunnen zij overwegen om de schenking op papier af te lossen. Hierdoor vermindert hun box 3-vermogen daadwerkelijk. Het kind kan er dan voor kiezen om het ontvangen bedrag  te gebruiken voor een gedeeltelijke aflossing van een hypothecaire lening of (deels) als spaargeld in box 3 aan te houden. Wat is verstandig? Dat is afhankelijk van de situatie en blijft maatwerk.

Wat te doen?

Betekent dit dat het voor ouders helemaal niet meer voordeling is om een schenking op papier aan hun kinderen te doen? Nee zeker niet, maar ook dit hangt af van de specifieke situatie. Overweegt u dit jaar nog een schenking op papier te doen? Neemt u dan deze plannen vast mee in uw overwegingen en laat u tijdig adviseren!

Voor de reeds gedane schenking op papier is het belangrijk om het wetsvoorstel af te wachten. Pas dan kan worden bekeken of er inderdaad actie vereist is.

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met Fleur van de Venne en Jolien van Ham.