Elektronische signalering voor overheden

In deze nieuwsbrief aandacht voor vier uiteenlopende uitspraken:

  1. Meriam Bauman gaat in op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 februari 2019 waarin de Afdeling haar rechtspraak over de formele rechtskracht van sanctiebesluiten nuanceert.
  2. Simon Lautenbag bespreekt een arrest van het Hof van Justitie EU van 19 december 2018 over de verplichting om bij het aanbesteden van raamovereenkomsten de maximaal af te nemen hoeveelheden te vermelden en de mogelijkheid dat de raamovereenkomst haar werking verliest en opnieuw moet worden aanbesteed.
  3. De tweede bijdrage van Meriam Bauman gaat over de Afdelingsuitspraak van 13 februari 2019. Daarin staat de betwisting van de ontvangst van door een bestuursorgaan verzonden stukken centraal. Die verzending is door een andere partij dan PostNL uitgevoerd.
  4. Elmer van der Kamp gaat in op een arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2019 dat ziet op het causaal verband tussen schade en een vernietigd besluit.

Heeft u suggesties voor te bespreken onderwerpen of uitspraken in deze nieuwsbrief? Dan kunt u ze mailen naar Elmer van der Kamp.


Meriam Bauman

Afdeling formuleert uitzondering op de formele rechtskracht van sanctiebesluiten 

ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:624

Relevantie:

  • De leer van de formele rechtskracht brengt mee dat in de bestuursrechtelijke procedure over het besluit tot invordering van dwangsommen de rechtmatigheid van het sanctiebesluit niet meer ter discussie kan worden gesteld, indien laatstgenoemd besluit onherroepelijk is.
  • Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft onlangs haar eigen rechtspraak hierover genuanceerd en daarmee een uitzondering geformuleerd op de formele rechtskracht van sanctiebesluiten. In deze uitspraak komen meerdere invorderingsaspecten aan de orde.

Wilt u meer weten over deze beschikking, neem dan contact op met Meriam Bauman

Lees meer


Simon Lautenbach

Verplichting tot het vermelden van maximum af te nemen hoeveelheden in raamovereenkomsten

Hof van Justitie EU 19 december 2018, ECLI:EU:C:2018:1034 (C-216/17)

Relevantie:

  • Een aanbestedende dienst kan in een aanbesteding opnemen dat het mogelijk is dat een andere aanbestedende dienst ook gebruik kan maken van de raamovereenkomst;
  • De mogelijkheid dat een andere aanbestedende dienst mogelijk gebruik zal maken dient duidelijk te worden vermeld in de oproep tot mededinging (de aankondiging);
  • De aanbestedende dienst is bij het aanbesteden van een raamovereenkomst verplicht de maximum hoeveelheid af te nemen leveringen, diensten of werken te specificeren;
  • Het ontbreken van de maximum hoeveelheid is in strijd met de beginselen van transparantie en gelijke behandeling;
  • Indien de maximum hoeveelheid wordt overschreden verliest de raamovereenkomst zijn werking en dient opnieuw te worden aanbesteed.


Wilt u meer weten over dit arrest, neem dan contact op met Simon Lautenbag

Lees meer


Meriam Bauman
Over ‘zenden en ontvangen’: afdeling nuanceert bewijsvermoeden 

ABRvS 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:424

Relevantie:

Sinds jaar en dag hanteert de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) een vaste lijn wanneer de geadresseerde de ontvangst van stukken van het bestuursorgaan betwist:

  • Als het bestuursorgaan kiest voor niet-aangetekende verzending per post, dient het aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk naar het juiste adres is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het stuk op dat adres.
  • Heeft het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk gemaakt, dan ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde om voormeld vermoeden te ontzenuwen. Dat kan hij doen door feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 10 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4617 en 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1771.

In de hierna te bespreken uitspraak nuanceert de Afdeling deze vaste lijn: het onder 1 bedoelde bewijsvermoeden geldt uitsluitend indien gebruik wordt gemaakt van de diensten van PostNL.

Wilt u meer weten over deze beschikking, neem dan contact op met Meriam Bauman

Lees meer


Elmer van der Kamp

Vernietigd besluit en causaal verband; de Hoge Raad verduidelijkt

Hoge Raad 15 maart 2019, ECI:NL:HR:2019:354

Relevantie:

  • Ook in gevallen waarin schade is ontstaan door een onrechtmatig besluit, moet het conditio sine qua non-verband worden vastgesteld door de situatie zoals zij zich in werkelijkheid heeft voorgedaan te vergelijken met de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige gedraging achterwege was gebleven.
  • Bij deze vergelijking heeft het gerechtshof terecht beoordeeld hoe de schadelijdende partij in de hypothetische situatie feitelijk zou hebben gehandeld.


Wilt u meer weten over deze beschikking, neem dan contact op met Elmer van der Kamp

Lees meer

Foto’s op internet en het auteursrecht van de fotograaf

Van poezenfilmpjes tot het unboxen van de nieuwste telefoons: het internet staat vol met informatie, video’s en foto’s. Dat deze informatie toegankelijk is, betekent echter nog niet dat het ‘van’ iedereen is.

Een foto die op het internet circuleert is vaak auteursrechtelijk beschermd. De foto moet los worden gezien van het gefotografeerde: bij het maken van een foto maakt de fotograaf vaak creatieve keuzes, zoals de belichting, sluitertijd, hoek, etc. Die creatieve keuzes leiden ertoe dat een foto auteursrechtelijk beschermd is.

Wanneer de foto wordt gekopieerd en zonder toestemming wordt gebruikt voor bijvoorbeeld een eigen nieuwsbericht, kan op het auteursrecht van de fotograaf inbreuk worden gemaakt. De fotograaf lijdt dan schade die hij of zij kan verhalen op de inbreukmaker.

Het overkwam een ondernemer die op zijn website zes foto’s plaatste van ‘dieren in nood’. Voor de plaatsing van de foto’s had hij geen toestemming van de fotograaf verkregen, terwijl hij ook de naam van de fotograaf niet had vermeld.

De rechtbank Noord-Holland oordeelde in een recent gepubliceerde uitspraak (ECLI:NL:RBNHO:2018:11702) dat de ondernemer het auteursrecht van de fotograaf had geschonden. Het maakte daarbij niet uit dat de ondernemer hierbij geen commercieel gewin heeft gehad en zich van geen kwaad bewust was. Het auteursrecht is een sterk recht. De ondernemer moest daarom de schade van de fotograaf vergoeden: de kosten die de fotograaf als gebruikelijke licentievergoeding hanteert én de volledige kosten van de advocaat van de fotograaf.

Vermoedt u dat iemand uw foto gebruikt zonder toestemming óf wordt u aangesproken op een schending van een auteursrecht, neem dat contact op met mr. Merel Aaftink.

Partneralimentatie is fiscaal aftrekbaar

“Less is more”…Door de verlaging van het tarief van aftrekposten, betaalt u vanaf 2020 misschien meer partneralimentatie!

Partneralimentatie is fiscaal aftrekbaar

Bij de berekening van de hoogte van partneralimentatie wordt rekening gehouden met het belastingvoordeel. De alimentatieplichtige partner kan de betaalde partneralimentatie opvoeren als aftrekpost. De partner die de alimentatie ontvangt, moet deze als inkomen opgeven in de aangifte inkomstenbelasting en betaalt hier vervolgens inkomstenbelasting over.

Even een rekenvoorbeeld voor de alimentatieplichtige partner: als u € 1.000,– bruto per maand partneralimentatie betaalt en u valt in de hoogste belastingschijf van 51,75%, dan heeft u in 2019 als alimentatieplichtige een belastingvoordeel van € 517,50 per maand. U betaalt uiteindelijk dus € 482,50 netto per maand aan partneralimentatie.

Vanaf 2020 stapsgewijs minder belastingaftrek

Op Prinsjesdag werd het nieuwe Belastingplan 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden. In het belastingplan stelde het kabinet voor om een aantal aftrekposten in de inkomstenbelasting te beperken. Hieronder valt ook een beperking van de belastingaftrek voor partneralimentatie.
Inmiddels heeft de Eerste Kamer op 18 december 2018 met dit belastingplan ingestemd, waardoor het tarief aftrekposten voor hogere inkomens de komende jaren stapsgewijs wordt verlaagd.

Schematisch ziet die verlaging voor de hoogste schijf er als volgt uit:

De wijziging raakt alimentatieplichtigen met een inkomen van meer dan € 68.507,– bruto per jaar. Als de vastgestelde partneralimentatie niet kan worden gewijzigd, betalen deze alimentatieplichtigen netto dus meer!

Toegepast op het rekenvoorbeeld: als u nog steeds € 1.000,– bruto partneralimentatie betaalt en u valt in het hoogste belastingtarief, dan krijgt u in 2023 een bedrag van € 370,50 per maand terug van de belastingdienst en betaalt u netto € 629,50 per maand aan alimentatie.
Dat scheelt nogal!

En nu dan?

Het kan zijn dat u al partneralimentatie betaalt. De partneralimentatie die is vastgesteld en/of vastgelegd in een beschikking zal in beginsel doorbetaald moeten worden. U kunt samen met uw ex-partner in onderling overleg een herberekening (laten) maken waarbij de nieuwe aftrekpercentages worden toegepast. Mocht u er samen niet uitkomen, dan kunt u een wijzigingsprocedure starten. De kans van slagen hangt af van de afspraken die u al heeft gemaakt en hoe de rechter met dergelijke verzoeken om zal gaan. Hierover kunnen wij u natuurlijk adviseren.

Overigens, mocht u op dit moment in een scheidingstraject verwikkeld zijn, dan is het verstandig om bij het maken van afspraken over partneralimentatie alvast met deze fiscale wijzigingen rekening te houden.

Heeft u vragen over uw partneralimentatie? Neem dan contact met mij op via 06 – 55 00 2 45 of l.ahlers@triplaw.nl

Sanctierecht: waar moet ik als ondernemer op letten?

Sanctierecht: waar moet ik als ondernemer op letten?

Sanctierecht is nu niet het eerste wat bij ondernemers opkomt als zij hun producten verkopen of diensten leveren. Er niet over nadenken of niet weten wat het is, kan (helaas) leiden tot invallen van de FIOD, problemen met de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer van de Douane (CDIU) en strafrechtelijke boetes en zelfs celstraffen. De boetes kunnen oplopen tot € 830.000,00 per overtreding of 10% van de jaaromzet als het hoogste boetebedrag te ‘mild’ is. Kortom, alle reden om als ondernemer iets te weten van sanctierecht.

Wat is sanctieregelgeving?
Sancties zijn strafmaatregelen van een land of landen gericht op handhaving of herstel van de internationale vrede en veiligheid en bevordering van de internationale rechtsorde. Sancties zijn er in allerlei soorten in maten, zoals wapenembargo’s, financiële beperkingen (zoals bevriezen van tegoeden), reisbeperkingen en handelsbeperkingen.

Om welke producten en diensten gaat het?
Voor strategische goederen en foltergoederen is het vanzelfsprekend dat de handel hierin strikt gereguleerd is. Het wordt al ingewikkelder als het gaat om zogeheten dual-use goederen. Dat zijn goederen die in principe bestemd zijn voor civiele toepassingen, maar ook gebruikt kunnen worden voor militaire doeleinden. Dergelijke goederen kunnen vergunningplichtig zijn of het kan zelfs verboden zijn om deze te exporteren. Meestal zijn de bedrijven die met de voormelde handel te maken hebben, al goed geïnformeerd.

Ook ‘gewone’ ondernemers moeten opletten
Dat kan anders liggen voor ondernemingen die louter ‘civiele’ diensten of producten leveren. Het zit doorgaans niet in hun natuur om tot op de bodem uit te zoeken wie de eindgebruiker van de dienst of het product is én of er niet onverhoopt wordt geleverd voor verboden projecten. Een voorbeeld daarvan betreft de vermeende betrokkenheid van onder andere Akzo en Mammoet bij de bouw van de Krimbrug. Het Openbaar Ministerie is van mening dat elke betrokkenheid bij de bouw van die brug verboden is op grond van Europese sanctieregels én vervolgd momenteel tal van bedrijven die daarbij betrokken zouden zijn geweest.

Tal van nietsvermoedende ondernemers zijn nu verdachte
De vervolging van deze ‘gewone’ bedrijven is nieuw en heeft een hoge prioriteit gekregen binnen het OM. Voorheen werden doorgaans slechts professionele vervoerders vervolgd, omdat van hen meer oplettendheid mag worden verwacht. Ook wanneer de verboden gedraging kristalhelder is werd er vervolgd. Een voorbeeld betreft het leveren van wapens aan de Tamil Tijgers of Charles Taylor. Nu is het zo dat ook nietsvermoedende bedrijven geconfronteerd kunnen worden met vervolging, als zij niet voldoende hebben onderzocht wat de eindbestemming van hun product is.

Elke ondernemer is dus politieagent?
Kortom, het Openbaar Ministerie verwacht van elke ondernemer dat hij controleert wat de eindbestemming van zijn product of dienst is én of de eindgebruiker niet een gesanctioneerde partij is. Elke ondernemer is dus – als een soort politieagent – verplicht om zijn relaties te controleren op een vermelding op een sanctielijst. Deze controle zal bij nationale handel doorgaans niet lastig zijn, maar wordt ingewikkelder bij internationaal zaken doen. Dit vraagt dan ook om een protocol op maat. Door het Ministerie zijn al enkele handvatten gegeven voor een Intern Nalevingsprogramma in een Richtlijn, maar van geval tot geval blijft onduidelijk hoe een goed nalevingsprogramma eruit moet zien.

Trip adviseert
Trip kan die onduidelijkheid wegnemen door een op maat gesneden protocol te ontwerpen. Daarnaast adviseren wij bij overleggen met het CDIU, het OM en staan wij verdachten bij met betrekking tot Sanctieregels. Indien u als ondernemer vragen heeft over sanctieregelgeving, neem dan contact op met Peter Koops.

Mocht u over bovenstaande vragen hebben, neem dan contact op met Peter Koops

Geheimhoudingsplicht versus openbaarheid: advocaten en de Wet openbaarheid van bestuur

Geheimhoudingsplicht versus openbaarheid: advocaten en de Wet openbaarheid van bestuur

Documenten die persoonlijke beleidsopvattingen bevatten én zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad (denk dan bijvoorbeeld aan e-mailcorrespondentie, interne adviezen en gespreksverslagen), zijn op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) in principe niet openbaar. Het is alweer even geleden dat de Afdeling met haar uitspraak van 20 december 2017 een nieuwe lijn heeft uitgezet, waar het gaat om documenten met persoonlijke beleidsopvattingen van externe derden, zoals bijvoorbeeld adviesbureaus of advocaten.

Zeer recent, op 27 februari 2019, kreeg deze uitspraak een interessant vervolg. Daarover lees je hierna meer. Maar eerst even ter opfrissing: hoe zat het tot eind 2017 met stukken van externe derden? En hoe zit het sindsdien?

De oude versus de nieuwe lijn

Uitgangspunt was en is dat documenten van derden die niet tot de kring van de overheid behoren tóch kunnen worden aangemerkt als documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad.

Vaste jurisprudentie van de Afdeling vóór 20 december 2017
De oude lijn hield in dat een document met persoonlijke beleidsopvattingen van een externe derde geacht moest worden te zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad, als hij de bedoeling had dat het document zou dienen voor hemzelf of voor het gebruik door anderen binnen de overheid. Om die reden vermelden advocaten vaak (vetgedrukt en onderstreept) op hun aan de overheid gerichte stukken dat ze niet-openbaar zijn en persoonlijke beleidsopvattingen bevatten, bedoeld voor intern beraad. Het idee hierachter is dat, wanneer deze stukken ‘geWobt’ worden, er dan in ieder geval geen misverstand kan bestaan over het interne karakter ervan.

Vaste jurisprudentie van de Afdeling vanaf 20 december 2017
De lijn die de Afdeling met haar uitspraak van 20 december 2017 heeft uitgezet, houdt echter in dat een document van een externe derde, dat is opgesteld met het oog op intern beraad, alleen onder de uitzonderingsrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob kan vallen, als deze derde geen ander belang heeft dan het bestuursorgaan vanuit de eigen ervaring en deskundigheid een opvatting te geven over een bestuurlijke aangelegenheid. Aan een beraad ontvalt dus het interne karakter, wanneer daarbij een externe is betrokken die een eigen belang behartigt dat als zodanig bij het beraad een rol speelt. In dat geval adviseert hij immers niet of niet uitsluitend in het belang van het bestuursorgaan dat hem om advies vraagt, maar wordt zijn inbreng (mede) ingegeven door een eigen belang bij de uitkomst van het beraad. De vermelding van het oogmerk (‘intern beraad’) op het desbetreffende stuk sorteert in dat geval dus geen effect.

De aanleiding: Praxis versus het college van burgemeester en wethouders van Almelo

Het geschil dat aanleiding gaf tot deze nieuwe lijn, betrof een Wob-verzoek van Praxis. Zij had het college van burgemeester en wethouders van Almelo (hierna: het college) verzocht om documenten te verstrekken met betrekking tot het vooroverleg tussen het college en Hornbach over, kort gezegd, de aanvraag van een omgevingsvergunning en de verlening daarvan. Het college weigerde (onder andere) om (i) e-mails van de advocaat van Hornbach aan ambtenaren van de gemeente en (ii) verslagen van gesprekken tussen vertegenwoordigers van Hornbach en ambtenaren van de gemeente openbaar te maken, omdat ze persoonlijke beleidsopvattingen zouden bevatten. Het primaire besluit werd in bezwaar gehandhaafd, maar de Afdeling zette een streep door de beslissing op bezwaar: Hornbach had namelijk een eigen belang gehad bij het beraad, zodat zij – noch haar advocaat – in dit geval kon worden aangemerkt als externe derde die uitsluitend adviseert in het belang van het betrokken bestuursorgaan.

Maar hoe verhoudt deze ‘nieuwe’ openbaarheid van documenten met persoonlijke beleidsopvattingen van de advocaat zich tot diens geheimhoudingsplicht als bedoeld in artikel 11a van de Advocatenwet? Op grond van die bepaling heeft immers te gelden (voor zover niet bij wet of bij verordening van het college van afgevaardigden anders is bepaald) dat de advocaat tot geheimhouding is verplicht ten aanzien van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn beroepsuitoefening als zodanig kennis neemt. Die verplichting geldt niet alleen voor hem, maar óók voor zijn medewerkers en personeel en andere betrokken personen.

Het vervolg: Wob versus Advocatenwet

Voor het antwoord op die vraag keren we terug naar Almelo, want Praxis had na de uitspraak van 20 december 2017 van de Afdeling nog een beslissing op bezwaar van het college tegoed. Het college had intussen (kennelijk) kennisgenomen van de uitspraak die de Afdeling reeds eerder dat jaar had gedaan, in een andere Wob-zaak.

Die uitspraak ging, heel kort samengevat, over de weigering van de Deken van de Orde van Advocaten van Overijssel om een onderzoeksrapport over klachten tegen een advocaat en twee advocatenkantoren openbaar te maken. De Deken stelde in dat verband dat in de Advocatenwet een bijzondere regeling is getroffen voor de openbaarmaking van tuchtrechtelijke beslissingen en bestuursrechtelijke sancties, die derogeert aan de Wob.
Voor zover in dit kader relevant, overwoog de Afdeling dat in artikel 11a van de Advocatenwet een geheimhoudingsplicht voor de advocaat en in artikel 45a een afgeleide geheimhoudingsplicht voor de Deken is neergelegd. Voormelde bepalingen dienen ter bescherming van de vertrouwensrelatie tussen de advocaat en zijn cliënt. De Deken zal naar aanleiding van een klacht soms de beschikking krijgen over informatie waarop de geheimhoudingsplicht van de advocaat van toepassing is. De Afdeling oordeelde dat op deze informatie de Wob niet van toepassing is, omdat daarmee afbreuk zou worden gedaan aan de goede werking van de Advocatenwet.


Het college weigerde, onder verwijzing naar artikel 11a van de Advocatenwet, opnieuw om (passages uit) documenten die afkomstig zijn van de advocaat van Hornbach openbaar te maken. Hieraan legde het college (onder meer) ten grondslag dat de gevraagde informatie onder de geheimhoudingsplicht van de advocaat valt en dat de Wob daarom niet op die informatie van toepassing is. Volgens het college kon een parallel worden getrokken met artikel 2:57 van de Aanbestedingswet en met de regelgeving over medische dossiers. Praxis was het hier uiteraard niet mee eens en ging opnieuw in beroep bij de Afdeling. Zij voerde (onder meer) aan dat de hier bedoelde geheimhoudingsplicht mogelijk van toepassing is op correspondentie tussen de advocaat en zijn cliënt, maar niet op standpunten die een advocaat namens een cliënt deelt met anderen, zoals ambtenaren van de gemeente. De Afdeling bevestigt dat:


“Artikel 11a van de Advocatenwet bevat een geheimhoudingsplicht voor advocaten, hun medewerkers en personeel en andere betrokken personen. Anders dan de bepalingen waar het college op heeft gewezen, te weten artikel 2:57 van de Aanbestedingswet en de artikelen 457 en 458 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, regelt artikel 11a van de Advocatenwet niet in welke gevallen onder de geheimhoudingsplicht vallende informatie mag worden verstrekt. Derhalve bevat deze bepaling geen bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter. De in artikel 11a van de Advocatenwet neergelegde geheimhoudingsplicht richt zich voorts niet tot ontvangers van een door een advocaat opgesteld stuk. Het college heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat die geheimhoudingsplicht eraan in de weg staat dat de Wob van toepassing is op de stukken die de advocaat van Hornbach heeft opgesteld en aan medewerkers van de gemeente heeft gezonden.” (onderstreping toegevoegd)

De Afdeling merkt tot slot nog op dat de hiervoor (kort) besproken uitspraak van 15 maart 2017 niet tot een ander oordeel leidt. Die uitspraak gaat over klachtdossiers die onder de Deken van de Orde van Advocaten zijn komen te berusten in het kader van zijn toezicht op advocaten: dat is niet vergelijkbaar met de documenten waar deze zaak over gaat. Ook de andere weigeringsgronden die het college aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd, zijn volgens de Afdeling niet aan de orde; de hernieuwde beslissing op bezwaar werd daarom vernietigd en het primaire besluit werd herroepen, voor zover het college daarbij geweigerd had de betreffende passages openbaar te maken. Dat is zuur voor het college, aangezien het (naar zijn zeggen) bij openbaarmaking van de vertrouwelijk toegezonden stukken het risico loopt dat Hornbach een schadeclaim indient.

Gevolgen voor de (Wob-)praktijk

Maar ook voor advocaten (en andere externe derden) die – louter – in het belang van hun cliënten overleg plegen met de overheid, heeft de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2017 gevolgen gehad. Sinds deze uitspraak mogen zij er immers niet meer vanuit gaan dat hun inbreng onder de uitzonderingsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob valt. Omdat openbaarheid thans het uitgangspunt is, kunnen ze minder vrijelijk over de rechtspositie van hun cliënten met vertegenwoordigers van de overheid van gedachten wisselen en zullen ze, in het belang van hun cliënten, in hun contacten met de overheid goed op hun woorden moeten letten. De uitspraak van 27 februari 2019 van de Afdeling bevestigt dit op een ander vlak: waar het gaat om de Wob wordt de advocaat – en zijn cliënt – slechts in zeer uitzonderlijke gevallen beschermd door de geheimhoudingsplicht van artikel 11a van de Advocatenwet.

Voor overheden volgt uit deze jurisprudentie dat zij er verstandig aan doen om in overeenkomsten, waarin vertrouwelijkheid wordt afgesproken over de communicatie met (de advocaten van) hun contractspartij(en) en/of derden, een uitzondering op te nemen voor documenten die onder de Wob vallen. Deze uitspraak onderstreept dat.

Documenten van externe derden die ingevolge de nieuwe lijn van de Afdeling niet meer geacht worden te zijn opgesteld voor intern beraad, kunnen overigens nog wel onder een of meer andere uitzonderingsgronden van de Wob vallen. Dat dient uiteraard van geval tot geval te worden beoordeeld en (indien aan de orde) per grond te worden gemotiveerd.

Mocht u over het bovenstaande vragen hebben, neem dan contact op met Meriam Bauman