Balans gezocht: de WWZ wordt aangepast

Een aantal maanden geleden schreef mijn kantoorgenote Femke Westra al over het concept-voorstel van de wet Arbeidsmarkt in Balans (de Wab). Na internetconsultatie en advies van de zijde van de Raad van State is het definitieve wetsvoorstel op 7 november 2018 bij de Tweede Kamer ingediend. Uit dit definitieve wetsvoorstel en de memorie van toelichting hierop blijkt, dat de voorgenomen belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de WWZ de volgende zijn:

Verlenging proeftijd
Bij kortdurende dienstverbanden tot 2 jaar verandert er, als de Wab wordt aangenomen, voor wat betreft de proeftijd niets. Maar indien een tijdelijke arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor 2 jaar of meer, mag onder de Wab een proeftijd van (maximaal) 3 maanden worden afgesproken en bij een vast dienstverband ‘zelfs’ (maximaal) 5 maanden.

De gedachte is dat werkgevers, als ze langer de tijd krijgen om hun personeel ‘te testen’, eerder bereid zullen zijn om direct een langer of zelfs vast dienstverband aan te bieden. De vraag is echter of met deze wijziging het beoogde doel wordt bereikt. De volgende voorgestelde wijziging zou dat wel eens kunnen belemmeren.

Uitbreiding ketenregeling
Als het aan het kabinet ligt, mogen straks namelijk weer 3 opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd met een totale maximumduur van 3 jaar (in plaats van nu 2 jaar) worden aangeboden. Net als onder de WWZ het geval is, zal een eventuele 4e opvolgende arbeidsovereenkomst (ongeacht de totale duur) in alle gevallen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zijn. Ook wordt voorgesteld om de “pauzeperiode” tussen 2 arbeidsovereenkomsten bij cao te kunnen terugbrengen naar 3 maanden in geval van terugkerend tijdelijk werk en een uitzondering te maken voor tijdelijke invalkrachten in het primair onderwijs die een leerkracht vervangen wegens ziekte. In de kern betekent de Wab, dat de werkgever dus meer mogelijkheden heeft om (nog) geen vast dienstverband aan te bieden.

Een extra combinatie ontslaggrond
Gebleken is ook dat werkgevers terughoudend zijn met het aanbieden van een vast dienstverband. Niet in de laatste plaats omdat er nog maar weinig mogelijkheden zijn voor werkgevers om een rechter succesvol te verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Onder de WWZ moet de werkgever een wettelijke ontslaggrond kiezen. En de gekozen ontslaggrond moet voldragen zijn. Een half disfunctioneringsdossier mag bijvoorbeeld niet worden opgeteld bij een (grotendeels) verstoorde verhouding. Onder de Wab wordt dat anders. Het wordt mogelijk om de verschillende ontslaggronden te combineren, dus bij elkaar op te tellen. Dat kan de werkgever wel een extra vergoeding kosten van maximaal 0,5 x de transitievergoeding. Het kabinet meent dat het zo makkelijker wordt het dienstverband te beëindigen en werkgevers zouden daarom sneller een vast dienstverband willen aanbieden.

Overige wijzigingen
Naast de hiervoor genoemde wijzigingen verandert er nog meer met de Wab als het aan het kabinet ligt. In vogelvlucht:

  • een werknemer krijgt vanaf dag 1 recht op de transitievergoeding;
  • indien in de proeftijd wordt opgezegd, kan de werkgever alleen rechten ontlenen aan een concurrentiebeding in geval van noodzaak wegens zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen;
  • de opbouw van de transitievergoeding wordt over het gehele dienstverband hetzelfde berekend (elk half dienstjaar 1/6 maandsalaris en naar rato bij het niet volmaken van een half dienstjaar);
  • er komt een regeling voor kleine werkgevers ter compensatie van de transitievergoeding als zij hun bedrijf moeten sluiten als gevolg van pensionering of ziekte;
  • werknemers die op payrollbasis werken, krijgen dezelfde arbeidsvoorwaarden als de werknemers die in dienst zijn bij de opdrachtgever, met uitzondering van pensioen;
  • de rechtspositie van oproepkrachten wordt gewijzigd; en
  • de ww-premie is niet langer afhankelijk van de sector waarin het bedrijf actief is, maar van de vraag welk type arbeidsovereenkomst (bepaalde tijd of onbepaalde tijd) de werkgever aan zijn werknemer(s) aanbiedt.

Status
De Raad van State heeft kritisch geadviseerd op het op 7 november jl. ingediende wetsvoorstel. Tijdens de behandeling in de Tweede en de Eerste Kamer zal dan ook moeten blijken of de wet uiteindelijk daadwerkelijk wordt aangenomen en welke wijzigingen wellicht nog zullen worden doorgevoerd in het wetsvoorstel.

De zoektocht naar balans is dus nog niet ten einde en het is dan ook maar de vraag of de beoogde datum van inwerkingtreding (1 januari 2020) gehaald zal worden.

Update: Op 5 februari 2019 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel Wet Arbeidsmarkt in Balans aangenomen. Hierbij zijn een aantal wijzigingen doorgevoerd. Onder meer de mogelijkheid tot een proeftijd van vijf maanden bij een vast dienstverband is geschrapt uit het wetsvoorstel. De Eerste Kamer streeft er naar om de behandeling van het wetsvoorstel af te ronden voor de Kamerwisseling in juni 2019.

Wilt u meer informatie over dit onderwerp of advies, neem dan contact op met mr. Willemijn Bos.

Is overhevelen van vermogen naar een spaargeld-bv interessant voor u?

Is overhevelen van vermogen naar een spaargeld-bv interessant voor u?

Heeft u al eens overwogen uw spaargeld onder te brengen in een spaargeld-B.V.? Dit kan direct voordeel voor u opleveren. Lees verder om te beoordelen of deze mogelijkheid voor u interessant is.

Belastingdruk in box 3
Ieder jaar moet u over het saldo van uw vermogen per 1 januari inkomstenbelasting betalen in box 3. De belastingheffing in deze box is niet gebaseerd op het werkelijk door u behaalde rendement, maar op een forfaitair rendement, een fictief rendement. Het maakt daardoor voor de door u te betalen belasting over uw vermogen dus niet uit hoeveel rendement u daadwerkelijk met uw vermogen heeft gerealiseerd. Over het forfaitaire rendement wordt vervolgens 30% belasting geheven.

Rendementspercentages box 3 voor 2019
Op Prinsjesdag 2018 heeft het kabinet de rendementspercentages voor box 3 zoals die zullen gelden voor 2019 bekendgemaakt.

Het forfaitaire rendement in de inkomstenbelasting als % van box 3-vermogen is als volgt vastgesteld:

Van                   tot                    forfaitair rendement      box 3 tarief       effectieve belasting

€ 0                    € 30.360           0%                               30%                 0%

€ 30.360           € 102.010         1,94%                          30%                 0,58%

€ 102.010         € 1.020.096      4,45%                          30%                 1,34%

€ 1.020.096      onbeperkt         5,6%                            30%                 1.68%

Zoals valt af te lezen uit de tabel betaalt u procentueel meer belasting naarmate u meer vermogen heeft.

Hoe werkt de Spaargeld-B.V.?
Het kan ook anders. U kunt uw spaargeld van box 3 naar box 2 overhevelen. Als u dit doet voor 1 januari 2019, kunt u mogelijk direct voordeel behalen.

Door uw vermogen in te brengen in een door u op te richten B.V., valt dat vermogen vanaf dat moment niet meer in box 3. Als tegenprestatie voor het door u in te brengen vermogen ontvangt u de aandelen in de door u opgerichte B.V. Deze aandelen maken vanaf dat moment, ter vervanging van het ingebrachte box 3-vermogen, onderdeel uit van uw vermogen in box 2.

In tegenstelling tot de regeling die geldt voor box 3 wordt in box 2 het werkelijk door de B.V. gerealiseerde rendement belast. Hierover dient door uw B.V. vennootschapsbelasting te worden afgedragen. Deze belasting gaat in de komende jaren stapsgewijs omlaag. Het verlaagde tarief voor winst tot en met € 200.000,00 gaat van 20% naar 19% in 2019. In de jaren daarna daalt het tarief verder naar 16,5% in 2020 en uiteindelijk naar 15% in 2021. Verder gaat het reguliere tarief voor winst boven € 200.000,00 van 25% in 2019 naar 22,55% in 2020 en uiteindelijk 20,50% in 2021.

Wordt door de B.V. rendement behaald en wilt u dit op enig moment in uw privévermogen ontvangen, dan kunt u als aandeelhouder van de B.V. tot een dividenduitkering aan uzelf als aandeelhouder besluiten. Over ontvangen dividenduitkeringen bent u in box 2 een belastingtarief van 25% verschuldigd. U kunt er ook voor kiezen het rendement in de B.V. te behouden en dus niet uit te keren. Zolang u niet tot uitkering overgaat, stelt u de belastingheffing in box 2 uit. Dit kan uiteraard zeer interessant voor u en uw B.V. zijn.

In veel gevallen zal het bedrag dat u per saldo aan vennootschapsbelasting en box 2-heffing betaalt over het daadwerkelijk behaalde rendement van uw spaargeld lager uitvallen dan de box 3-heffing over het forfaitair rendement.

Spaargeld belastingvrij terugbetalen
Het spaargeld dat u op deze wijze in uw B.V. heeft ingebracht kunt u in de toekomst ook weer uit uw B.V. halen. Dit kan belastingvrij plaatsvinden doordat u de nominale waarde van de aandelen in het kapitaal van de B.V. door een statutenwijziging verlaagt. De verlaging kan vervolgens aan u als aandeelhouder worden uitgekeerd.

Wanneer voor u interessant?
Of het voor u voordeliger is om in de B.V. te sparen dan wel het vermogen in box 3 aan te houden, hangt voornamelijk af van het werkelijk door u behaalde rendement. Daarbij moet u uiteraard in geval van keuze voor sparen in de B.V. ook rekening houden met bijkomende kosten, zoals notariskosten, bankkosten en accountantskosten.

Voor nadere informatie over dit onderwerp en voor het verzorgen van de oprichting van een spaargeld-B.V. nodigt mevrouw mr. Simone Frugte u van harte uit om telefonisch dan wel per e-mail contact met haar op te nemen.