Natuurbescherming: stilstandvoorziening voor Windpark De Slufter houdt (opnieuw) geen stand

Natuurbescherming: stilstandvoorziening voor Windpark De Slufter houdt (opnieuw) geen stand

In een eerder bericht schreven wij over de uitspraak van 16 augustus 2017 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) over Windpark De Slufter. De Afdeling vernietigde toen verschillende voorschriften die de staatssecretaris van Economische Zaken aan de ontheffing van verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet (Ffw) had verbonden, waaronder de verplichting tot het treffen van een stilstandvoorziening. Deze ontheffing is nodig voor de voorgenomen vervanging van 17 windturbines bij de Slufterdam op de Maasvlakte in Rotterdam, door 14 nieuwe, grotere windturbines.

Wij signaleerden destijds dat de Afdeling met deze uitspraak de deur expliciet heeft opengezet voor het verbinden van voorschriften aan ontheffingen, die verder gaan dan met het oog op de gunstige staat van beschermde soorten geboden is. Wél hebben we benadrukt dat de Afdeling in zo’n geval hoge eisen stelt aan de motivering van het besluit. Zeker wanneer de voorschriften tot aanzienlijke kosten (kunnen) leiden bij de ontheffinghouder.

Heel recent heeft de Afdeling de onderbouwing van de (in bezwaar gewijzigde) stilstandvoorziening voor Windpark de Slufter opnieuw getoetst. Benieuwd naar het vervolg? Lees dan verder.

Hernieuwde besluitvorming: minister houdt voet bij stuk, stilstandvoorziening is nodig

Na de uitspraak van 16 augustus 2017 was de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bevoegd om op het bezwaar van Nuon Wind Development B.V. en Eneco Wind B.V. (hierna tezamen: Nuon) te beslissen. In navolging van de staatsecretaris vond ook hij dat de stilstandvoorziening voor de windturbines van Windpark De Slufter nodig was, kort gesteld omdat de gunstige staat van instandhouding van diverse vogelsoorten in de toekomst in het geding zou kunnen komen. De stilstandvoorziening kon volgens hem jaarlijks 75% van het aantal slachtoffers onder trekvogels voorkomen, hetgeen neerkwam op ongeveer 160 vogelslachtoffers per jaar. Ter onderbouwing verwees hij naar het rapport “Stilstandsvoorziening windturbines Eemshaven” van Bureau Waardenburg van 11 november 2016, waarin de resultaten zijn neergelegd van het onderzoek naar de mogelijkheden om aanvaringen van vogels met windturbines in de Eemshaven te voorkomen door middel van een stilstandvoorziening. Het productieverlies van windenergie door stilstand vond de minister niet zodanig groot, dat van een stilstandvoorziening moest worden afgezien.

Motivering stilstandvoorziening opnieuw onvoldoende

Nuon zag dat (uiteraard) anders. In beroep bij de Afdeling voerde zij aan dat het nut van de stilstandvoorziening beperkt is. Ook wees zij erop dat de ecologische omstandigheden op de locatie van Windpark De Slufter niet vergelijkbaar zijn met die in de Eemshaven, zodat de minister zijn besluit niet op het rapport van Bureau Waardenburg had mogen baseren. Dit standpunt van Nuon vond bevestiging in een notitie, waarin Bureau Waardenburg heeft toegelicht dat de verdichting van de trekstroom, oftewel stuwing, in de Eemshaven uitzonderlijk is. Zo komt bij de Eemshaven een groot deel van de over Nederland trekkende vogels samen voordat zij de oversteek over zee maken. Iets soortgelijks doet zich op de locatie van Windpark De Slufter niet voor, aldus Bureau Waardenburg.

In reactie hierop heeft de minister (heel kort samengevat) betoogd dat de Eemshaven en de locatie van Windpark De Slufter voor wat betreft de ligging en de plaatselijke en ecologische omstandigheden wél voldoende vergelijkbaar zijn.

De minister heeft de hiervoor weergegeven inhoud van de notitie van Bureau Waardenburg als zodanig echter niet bestreden. Evenmin heeft hij eigen onderzoek gedaan naar de locatie van Windpark De Slufter. Om die reden volgt de Afdeling zijn standpunt niet. Zij concludeert dat de minister het rapport “Stilstandsvoorziening windturbines Eemshaven” van Bureau Waardenburg niet aan zijn besluit ten grondslag had mogen leggen en dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat met een stilstandvoorziening een reductie van het aantal slachtoffers onder nachtelijke trekvogels met 75% kan worden bereikt. Bovendien, zo oordeelt te Afdeling, heeft de minister het belang van een stilstandvoorziening ten onrechte laten prevaleren boven het belang van Nuon om geen kosten voor die voorziening te maken. De Afdeling verklaart het beroep van Nuon gegrond en vernietigt de beslissing op bezwaar, waardoor het besluit van 22 juli 2016, zoals dit luidde na de uitspraak van 16 augustus 2017, herleeft.

Les voor de praktijk

Als gesteld heeft het bevoegd gezag een zware motiveringsplicht als het ervoor kiest om (onverplicht) voorschriften aan een ontheffing te verbinden, die tot aanzienlijke kosten (kunnen) leiden bij de ontheffinghouder. Deze recente uitspraak van de Afdeling bevestigt dat maar weer. Ons eerdere advies om niet alleen de evenredigheid maar ook de effectiviteit van de voorgeschreven maatregel(en) zo concreet mogelijk, liefst met actuele (eigen) deskundigenrapporten, te onderbouwen, staat met deze uitspraak dus nog recht overeind.

Heb je vragen, neem dan contact op met Meriam Bauman.

Kwijtschelden van studiekosten kost u mogelijk meer dan u denkt

Kwijtschelden van studiekosten kost u mogelijk meer dan u denkt

Studiekostenbeding of opleidingsovereenkomst

Stel dat u als werkgever een studie of opleiding van de werknemer betaalt, maar u wilt wel (gedeeltelijk) terugbetaald worden als de werknemer na het behalen van het diploma uw organisatie binnen een bepaalde periode verlaat. Dan kunt u een studiekostenbeding of een opleidingsovereenkomst sluiten met daarin een terugbetalingsverplichting.

Wat als de werknemer na opzegging niet wil terugbetalen

Als uw werknemer vervolgens daadwerkelijk opzegt en niet wil terugbetalen, slaat het uur der waarheid. Kunt u als werkgever nakoming afdwingen van het afgesproken studiekostenbeding of de opleidingsovereenkomst? In mijn praktijk worden werkgevers om de oren geslagen met tal van argumenten waarom de werknemer helemaal niet gehouden zou zijn om terug te betalen.

Nog daar gelaten wat de juridische waarde van deze argumenten is, staat u als werkgever voor een moeilijke keuze. Moet u de strijd aan gaan? Het gaat om een relatief laag bedrag, er is altijd een risico dat u verliest en geld terugvorderen van de (armlastige) werknemer wordt ook niet als sympathiek gezien. Kortom, u komt in de verleiding om de werknemer in kwestie de resterende opleidingsschuld dan maar kwijt te schelden.

Het niet inroepen van de terugbetalingsverplichting ziet de Belastingdienst als loon over loon

Alleen hier doet zich een merkwaardig fiscaal fenomeen voor. De Belastingdienst ziet het niet inroepen van de terugbetalingsverplichting, ofwel de kwijtschelding, als loon en over loon moet loonbelasting geheven worden. De vraag die eventueel nog bij u kan opkomen, is “hoe komt de Belastingdienst hier achter”. Dat is een hele praktische, maar u moet zich natuurlijk afvragen of u zo wilt denken en daarnaast zijn de armen van de Belastingdienst langer dan u wellicht denkt…

Voor de goede orde, studie- en opleidingskosten zijn gericht vrijgesteld voor de werkkostenregeling (WKR) en komen aldus niet ten laste van de vrije ruimte. Ook het daadwerkelijk terugbetalen ervan bij uitdiensttreding is fiscaal goed geregeld, waarbij het afhankelijk is van wie terugbetaalt (de werknemer of de opvolgende werkgever) welke spelregels daarbij gelden.

Kwijtschelden?

Dan de kwijtschelding. Omdat loon alles is wat de werknemer als voordeel ontvangt op grond van zijn dienstbetrekking, ongeacht of dat in geld of in natura is, is een kwijtgescholden bedrag ook loon. Normaliter moet een loonbestanddeel individueel verloond worden, zodat de belasting daarover kan worden ingehouden en afgedragen. In geval van kwijtschelding ziet de werknemer dan gebeuren dat hij belasting moet betalen over iets wat hij niet direct ervaart als iets wat hij krijgt. U ziet de discussie al ontstaan. In dat geval kan de werkkostenregeling (WKR) wellicht uitkomst bieden.

De werkkostenregeling (WKR) kan uitkomst bieden

Loonbestanddelen die door de werkgever als eindheffingsbestanddelen voor de WKR zijn aangewezen hoeven niet individueel verloond te worden, maar mogen buiten de werknemer om verwerkt worden. Voor de aanwijzing voor de WKR is er wel een horde te nemen: is het gebruikelijk om het betreffende loonbestanddeel in de WKR te laten meelopen? Dit noemen we de gebruikelijkheidstoets. Vanuit doelmatigheid heeft de Belastingdienst aangegeven dat tot € 2.400 per werknemer per jaar alle aan hem of haar gegeven loonbestanddelen die ten laste van de vrije ruimte gaan, voldaan is aan de gebruikelijkheidstoets. Blijft de kwijtschelding inclusief de overige vergoedingen en verstrekkingen (denk aan een kerstpakket, maar ook aan de fiets uit het fietsplan en het personeelsfeest buiten de werkplek, etc.) aan de betreffende werknemer binnen die doelmatigheidsnorm, dan is alleen nog van belang dat uw organisatie voldoende vrije ruimte heeft.

Onvoldoende vrije ruimte

Als er niet voldoende vrije ruimte is, heeft de werkgever een financiële strop. Over de overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever namelijk 80% WKR-eindheffing verschuldigd. Die kan niet op de werknemer verhaald worden. Eindheffing is belastingheffing voor rekening van een werkgever en mag nooit worden verhaald op de werknemer; daarmee is het een kostenpost voor uw organisatie. (Terzijde: er is discussie onder fiscalisten of aanwijzing voor de WKR überhaupt wel mogelijk is ten aanzien van vergoedingen en verstrekkingen die werknemers ontvangen bij uitdiensttreding, omdat de WKR normaliter alleen kan worden toegepast op loon uit tegenwoordige dienstbetrekking; ik ga hier nu niet verder op in.)

De weg naar de rechter

Stel dat u wel de poot stijf houdt en u gaat naar de rechter, maar die beslist in uw nadeel waardoor werknemer niets hoeft terug te betalen. Dan is er fiscaal niets aan de hand, want als werkgever heeft u niets kwijtgescholden en is er om die reden geen loon.

Zoals u leest, kan het niet inroepen van de terugbetalingsverplichting ofwel kwijtschelding van studiekosten u meer kosten door de fiscale wetgeving. Wat was de slogan van de Belastingdienst? Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker….

Wilt u meer weten over een studiekostenbeding of een opleidingsovereenkomst met een terugbetalingsbepaling en hoe dat arbeidsrechtelijk én fiscaal goed neer te zetten? Neem dan contact met Eef van de Wiel.

Trip helpt rechtbankmedewerkster naam te zuiveren: dubbel vrijspraak!

Trip helpt rechtbankmedewerkster naam te zuiveren: dubbel vrijspraak! 

Het zal je maar overkomen… Je leeft al jarenlang gelukkig samen met je echtgenoot in een gezellig huis in het mooie Drenthe. Zelf heb je een respectabele baan bij de rechtbank en je man werkt al jarenlang als heftruckchauffeur bij een distributiecentrum. Het pensioen is in zicht, maar voordat het zover is mag er nog een aantal jaren gewerkt worden. Dit is ook helemaal niet erg. Het werk is leuk en tegenwoordig mag je in je handen knijpen als je allebei al zo lang voor één werkgever mag werken.

Maar dan ineens…

Manlief komt op een dag thuis en vertelt dat een collega die ook al jarenlang bij het bedrijf werkt wordt verdacht van fraude. Een recherchebureau doet onderzoek en stelt uiteraard ook vragen. Meneer vertelt de rechercheur dat hij wel eens heeft vermoed dat er iets niet helemaal in de haak zou kunnen zijn. Iedereen wist dat de collega om wie het gaat op grotere voet leefde dan gelet op zijn inkomen verklaarbaar was. Meer dan een vermoeden is dit alleen nooit geweest. Had hij dit moeten melden bij zijn werkgever? Wat als zijn vermoeden helemaal niet terecht zou blijken?

Nooit heeft meneer kunnen voorzien wat de gevolgen zouden zijn van zijn eerlijkheid. Meneer wordt niet alleen ontslagen; hij wordt ook nog eens vervolgd door het Openbaar Ministerie omdat hij verdacht wordt van het medeplegen van de fraude. En tot overmaat van ramp wordt mevrouw hierin ook nog eens meegezogen omdat zij van de fraude zou hebben geprofiteerd.

De wereld op z’n kop

De koppen in de kranten liegen er niet om. “Rechtbankmedewerkster verdacht van betrokkenheid bij palletdiefstal”, “Rechtbankmedewerkster Assen met verlof gestuurd om rol in palletdiefstal”, “Palletroof: verdachte medewerkster rechtbank Assen nog steeds aan het werk”. Gelet op de grote aandacht van de media ziet de werkgever van mevrouw zich zelfs genoodzaakt mevrouw te schorsen. In, maar ook buiten het dorp wordt over het echtpaar gepraat. De wereld staat totaal op z’n kop.

Vier jaar later

Sinds de dag dat de fraude aan het licht kwam zijn al meer dan vier jaren verstreken. Vier jaren leven in een nachtmerrie. Vier jaren van schaamte. Immers, “waar rook is, is vuur” zal men denken.

Maar de dag waar het echtpaar lang op heeft gewacht is kort geleden aangebroken. De rechtbank heeft eindelijk maar toch over de zaak geoordeeld. Een verrassing mag het eigenlijk niet zijn. Mevrouw en haar echtgenoot zijn allebei vrijgesproken. Een litteken zal altijd blijven, maar het echtpaar kan weer verder. En wij zijn ontzettend blij dat wij hieraan een bijdrage hebben mogen leveren. We hebben er steeds op gehamerd dat ieder bewijs van betrokkenheid van het echtpaar ontbreekt. Daar was de rechtbank het volledig mee eens.

Heeft u vragen over deze uitspraak of andere strafrechtgerelateerde vragen, neem dan vooral contact op met mr. Hilda Meijer of mr. Peter Koops.