Hattrick: Trip wint pleitwedstrijden bij drie rechtbanken

Hattrick: Trip wint pleitwedstrijden bij drie rechtbanken

In de afgelopen weken vonden bij de rechtbank Noord-Nederland (locaties Groningen, Leeuwarden en Assen) de regionale pleitwedstrijden plaats. Deze pleitwedstrijden worden georganiseerd door de Jonge Balies van de betreffende (voormalige) arrondissementen. Jonge advocaten van verschillende advocatenkantoren strijden tegen elkaar in de rechtbank. Wie heeft het beste betoog, komt met de beste argumenten en weet de jury te overtuigen?

Nadat mr. Unique Pellekaan al de jury van de rechtbank Groningen had weten te overtuigen, won ook mr. Simon Lautenbag bij de rechtbank in Leeuwarden de pleitwedstrijd. De druk op Asser collega mr. Mirjan Middelbrink was dan ook hoog. Maar koelbloedig en vol overtuigingskracht sprak de Drentse jury louter lovende woorden en mocht ook zij zich winnaar van de regionale pleitwedstrijd noemen.

“Uiteraard vinden wij dat de kwaliteit van onze juristen meer dan bovengemiddeld moet zijn. De lat ligt hoog. Wij zijn dan ook bijzonder content dat ook de verschillende rechtbanken deze mening zijn toegedaan”, aldus een uiterst tevreden Jeroen Reiziger (dagelijks bestuurder Trip Advocaten & Notarissen).

Wie Trip zal vertegenwoordigen bij de landelijke pleitwedstrijd is nog onbekend.

Artikel 41a Onteigeningswet is niet van toepassing op het pachtrecht

ARTIKEL 41A ONTEIGENINGSWET IS NIET VAN TOEPASSING OP HET PACHTRECHT 

Hoge Raad d.d. 20-04-2018, datum publicatie 20-04-2018, zaaknummer 16/06181

ECLI:NL:HR:2018:648 

Relevantie:

  • Artikel 41a Ow, dat de artikelen 40-41 Ow (behoudens voor zover de daarop volgende artikelen anders meebrengen) van overeenkomstige toepassing verklaart op rechten die door onteigening geheel of gedeeltelijk vervallen, ziet slechts op de in artikel 4 Ow genoemde rechten en dus niet op het pachtrecht.  
  • Wanneer een pachter ten tijde van de onteigening krachtens zijn rechtsverhouding met de verpachter in geval van beëindiging van zijn pachtrecht ten gunste van een derde, van laatstgenoemde een vergoeding kon bedingen, levert het verlies van die mogelijkheid geen vermogensschade op.
  • Voor zover de schade die is gelegen in het missen van deze vergoeding in redelijkheid als een gevolg van de onteigening valt aan te merken, komt zij bij de vaststelling van de in art. 42a Ow bedoelde schadeloosstelling als inkomensschade voor vergoeding in aanmerking. Daarbij is onder meer van belang of, en zo ja op welke termijn de pachter, de onteigening weggedacht, zijn pachtrecht tegen vergoeding aan een opvolgend pachter zou hebben doen overgaan. 

Procedure bij rechtbank Overijssel

Ten name van de provincie Overijssel is bij vonnis van 10 juni 2015 vervroegd de onteigening uitgesproken van perceel Kampen, P 4916, ter grootte van 2.64.19 ha. Kampereiland Vastgoed BV was eigenaar van het onteigende.

De pachter van het onteigende is in de onteigeningsprocedure op de voet van art. 3 lid 2, tweede volzin, Ow tussengekomen.

Het onteigende is ter onteigening aangewezen bij Koninklijk Besluit van 27 oktober 2014, (Stcrt. 2014, 31428), ten behoeve van de aanleg van een hoogwatergeul (het Reevediep) vanaf de rivier de IJssel in de gemeente Kampen tot aan het Drontermeer in de gemeente Dronten, met bijkomende werken.

Het onteigeningsvonnis is op 20 augustus 2015 ingeschreven in de openbare registers.

De provincie heeft de pachter vervangende pachtgronden aangeboden.

De rechtbank de aan de pachter te betalen schadeloosstelling bepaald op € 137.933,00. Daarvan maakt deel uit een bedrag van € 26.419,00 ter zake van vermogensschade.

Door de provincie ingestelde (sprong)cassatie  

Tegen voormelde oordeel van de rechtbank, betreffende de aan de pachter toegekende schadeloosstelling, is door de provincie (sprong)cassatie ingesteld.

De (rechts- en motiverings)klachten van de provincie richtten zich tegen hetgeen de rechtbank, met betrekking tot de door haar als vermogensschade aangemerkte schade van de pachter, heeft overwogen:

De rechtbank is van oordeel dat als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening moet worden aangemerkt schade van [verweerder] wegens het verlies van een bedrag van € 1,00/m2 voor de “overdracht” van het pachtrecht op het onteigende, die de afgaande pachter van de opkomende pachters in dit gebied pleegt te ontvangen. De rechtbank acht de toepasselijkheid van dit “systeem” genoegzaam bevestigd gezien in de (eerder) door partijen ingenomen standpunten hieromtrent. Of dit systeem in de toekomst stand zal houden, valt te bezien, maar op de peildatum moet de toepasselijkheid daarvan als reëel worden aangenomen. [verweerder] heeft immers nu afstand moeten doen van het pachtrecht op het onteigende, zodat het niet gaat om een onzekere toekomstige gebeurtenis. Bovendien acht de rechtbank de conclusie van de deskundigen niet onjuist dat, ingeval deze schade (bij wijze van vermogensschade) niet wordt aangenomen, dit gevolgen in positieve zin zal meebrengen voor de berekening van de inkomensschade.

Voor vergoeding van deze schade bij wijze van “asset” acht de rechtbank een juridische grondslag gelegen in artikel 42a van de onteigeningswet in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het niet vergoeden van deze schade zou naar het oordeel van de rechtbank tot een onredelijke uitkomst leiden.

(…)

De rechtbank volgt evenmin het standpunt van de provincie dat [verweerder] een soortgelijke vergoeding van € 1,00/m2 is verschuldigd, althans dat een daarmee corresponderend bedrag op de schade in mindering moet worden gebracht, voor de uitbreiding van het pachtareaal met 4.61.50 ha. Daaraan staat niet alleen in de weg dat de provincie niet als een afgaande pachter is aan te merken doch ook dat niet valt in te zien dat reëel is te voorzien dat [verweerder] in de toekomst bij een overgang van de pacht van deze gronden een dergelijke vergoeding zal ontvangen.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat als vermogensschade aan [verweerder] het bedrag van € 26.419,00 moet worden vergoed.

Blijkens deze klachten is door de Provincie het navolgende betoogd:

  • de rechtbank is kennelijk met de deskundigen van oordeel dat in dit geval art. 40b Ow in verbinding met de schakelbepaling van art. 41a Ow op de pachtersschade van [verweerder] van toepassing is;
  • de rechtbank miskent daarbij dat art. 41a Ow alleen ziet op beperkte zakelijke rechten als bedoeld in art. 4 Ow, die vatbaar zijn voor afzonderlijke onteigening, en niet op een persoonlijk (pacht)recht;
  • voor zover de rechtbank zou hebben geoordeeld dat ingevolge art. 41a Ow in verbinding met art. 40b lid 1 Ow de werkelijke waarde van het pachtrecht moet worden vergoed, is dit in strijd met het recht, nu de werkelijke waarde als bedoeld in art. 40b lid 1 Ow naar haar aard slechts betrekking heeft op het onteigende, waartoe niet behoort het persoonlijk recht van pacht, dat als gevolg van art. 59 lid 3 Ow met de inschrijving van het onteigeningsvonnis komt te vervallen;
  • voor zover de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen dat een pachter volledige schadeloosstelling toekomt en dat ‘vermogensschade’ (in algemene zin) daarvan niet is uitgesloten, heeft zij miskend dat art. 42a Ow een specifieke regeling geeft voor schadeloosstelling van de pachter.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad heeft de klachten van de Provincie gegrond verklaard en in verband daarmee het navolgende overwogen (onderstreping JJV):

  • Een pachtrecht kan anders dan de in art. 4 Ow genoemde rechten (het recht van opstal, erfpacht, vruchtgebruik, gebruik, bewoning, beklemming en huurkoop) niet worden onteigend. Het vervalt op grond van art. 59 lid 3, eerste volzin, Ow door de inschrijving van het vonnis waarbij de verpachte zaak wordt onteigend.

  • Art. 40b lid 1 Ow geeft de rechthebbende op een onteigende zaak aanspraak op vergoeding van de werkelijke waarde van die zaak. De pachter kan niet worden aangemerkt als rechthebbende op de onteigende zaak. Aan zijn pachtrecht komt geen werkelijke waarde toe in de zin van deze bepaling. Om die reden moet worden aangenomen dat art. 41a Ow, dat de art. 40-41 Ow (behoudens voor zover de daarop volgende artikelen anders meebrengen) van overeenkomstige toepassing verklaart op rechten die door de onteigening geheel of gedeeltelijk vervallen, slechts ziet op de in art. 4 Ow genoemde rechten en dus niet op het pachtrecht (vgl. ook de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.9).

  • De art. 42-46 Ow regelen de schadeloosstelling voor het door de onteigening geheel of gedeeltelijk vervallen van rechten. Art. 42a Ow ziet op schade van een pachter als gevolg van de onteigening. De daarin geregelde schadeloosstelling strekt ertoe de pachter in geval van onteigening van de verpachte onroerende zaak in de toestand te brengen waarin hij, de onteigening weggedacht, zou hebben verkeerd.

  • In het onderhavige geval dient tot uitgangspunt dat [verweerder] als pachter ten tijde van de onteigening krachtens zijn rechtsverhouding met de verpachter in geval van beëindiging van zijn pachtrecht ten gunste van een derde, van laatstgenoemde een vergoeding kon bedingen. Anders dan de rechtbank kennelijk (in navolging van de deskundigen) heeft aangenomen, levert het verlies van die mogelijkheid geen vermogensschade op. De verwachting in geval van overgang van het pachtrecht een vergoeding van de opvolgend pachter te kunnen bedingen maakt immers niet dat het pachtrecht ‘werkelijke waarde’ heeft in de zin van art. 40b lid 1 Ow (zie hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3). Voor zover de schade die is gelegen in het missen van deze vergoeding in redelijkheid als een gevolg van de onteigening valt aan te merken, komt zij bij de vaststelling van de in art. 42a Ow bedoelde schadeloosstelling als inkomensschade voor vergoeding in aanmerking. Daarbij is onder meer van belang of, en zo ja op welke termijn de pachter, de onteigening weggedacht, zijn pachtrecht tegen vergoeding aan een opvolgend pachter zou hebben doen overgaan.

  • Indien de pachter als gevolg van de onteigening voordelen geniet, dienen deze voordelen, voor zover dat redelijk is, mede in aanmerking te worden genomen bij de vaststelling van de schadeloosstelling.

  • In het licht van het voorgaande geeft het oordeel van de rechtbank dat het verlies van de mogelijkheid om ter zake van het onteigende aanspraak te kunnen maken op een vergoeding van een opvolgend pachter, als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking komt, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Wilt u meer weten over dit arrest, neem dan contact op met mr. Jan Veldhuis

Wetsvoorstel Wet arbeidsmarkt in balans: wat verandert er?

Wetsvoorstel Wet arbeidsmarkt in balans: wat verandert er?

 In het Regeerakkoord Rutte 3 heeft het kabinet aangekondigd een aantal maatregelen te treffen om de balans op de arbeidsmarkt te herstellen. Met deze maatregelen wil het kabinet het voor werkgevers aantrekkelijker maken om mensen in (vaste) dienst te nemen. Deze week heeft de Minister Koolmees het concept wetsvoorstel Wet arbeidsmarkt in balans gepubliceerd. Hierbij in het kort de belangrijkste wijzigingen uit het concept wetsvoorstel op een rij.

Ontslagrecht

Het ontslagrecht wordt versoepeld doordat de cumulatie van meerdere ontslaggronden mogelijk wordt. Nu moet de werkgever nog volledig aan één van de acht in de wet genoemde ontslaggronden voldoen. Er komt een nieuwe negende grond in de wet die het mogelijk maakt om meerdere ontslaggronden met elkaar te combineren (bijvoorbeeld verwijtbaar handelen gecombineerd met disfunctioneren en een verstoorde arbeidsrelatie). Een soort vangnet, voor als het niet lukt om helemaal te voldoen aan één grond. Hier staat voor de werknemer tegenover dat de rechter een extra vergoeding kan toekennen van maximaal de helft van de transitievergoeding.

Ketenregeling

De ketenregeling wordt verruimd. In het geval van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd ontstaat pas een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd nadat een periode van drie jaar in plaats van twee jaar is verstreken.

Daarnaast komt de mogelijkheid om in sectoren waarin sprake is van terugkerend tijdelijk werk de tussenpoos van zes maanden (waarna de teller weer op nul gaat) te verkorten tot drie maanden.

Verder wordt bepaald dat de ketenregeling ten aanzien van werknemers die ter vervanging van docerend of ondersteunend personeel werkzaam zijn in het primair onderwijs niet van toepassing zal zijn.

Transitievergoeding

De opbouw van de transitievergoeding verandert op twee punten. Ten eerste wordt in de wet geschrapt dat een werknemer pas nadat zijn arbeidsovereenkomst twee jaar heeft geduurd aanspraak kan maken op een transitievergoeding. Werknemers krijgen dus vanaf het begin van hun arbeidsovereenkomst direct recht op een transitievergoeding.

Ten tweede wordt in de wet geschrapt dat de opbouw van de transitievergoeding vanaf het tiende jaar 1/4 maandsalaris per gewerkt halfjaar bedraagt. Ook voor arbeidsovereenkomsten langer dan tien jaar heeft dan dus te gelden dat de transitievergoeding 1/6 maandsalaris per gewerkt halfjaar bedraagt.

Verder wordt voorgesteld dat een werkgever bij het UWV een verzoek tot compensatie van een betaalde transitievergoeding kan indienen wanneer de arbeidsovereenkomst met de werknemer is beëindigd (ook wanneer er sprake is van een beëindiging met wederzijds goedvinden) in de volgende gevallen:

  • wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.
  • bij een bedrijfsbeëindiging wegens pensionering of ziekte van de werkgever (dit wordt nog verder uitgewerkt in aanvullende regelgeving).

Ten aanzien van de overbruggingsregeling voor kleine werkgevers (tot 25 werknemers) heeft nog te gelden dat de criteria waaronder werkgevers een beroep kunnen doen op deze regeling zullen worden verruimd. Hoe de criteria zullen komen te luiden, laat het wetsvoorstel zich nog niet over uit. Ook de mogelijkheden om kosten die betrekking hebben op scholing om de inzetbaarheid van de werknemer buiten zijn eigen functie te vergroten in mindering te brengen op de transitievergoeding, zullen worden verruimd. Het Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding zal hiertoe worden aangepast. Hoe deze aanpassing eruit zal zien, staat niet beschreven in het wetsvoorstel.

Oproepovereenkomst

Ten aanzien van arbeidsovereenkomsten zonder een vaste arbeidsomvang, zoals het geval is bij nulurencontracten en min-max contracten, wordt het volgende in de wet opgenomen:

  • de werknemer kan door de werkgever niet verplicht worden aan een oproep om arbeid te verrichten gehoor te geven, indien de werkgever de tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht niet ten minste vier dagen van te voren schriftelijk of elektronisch aan de werknemer heeft bekend gemaakt;
  • de werkgever is loon verschuldigd aan de werknemer over de afgezegde uren indien hij de oproep binnen vier dagen voor aanvang van het tijdstip van de arbeid pas intrekt.
  • de werkgever is verplicht is om elke keer na een periode van twaalf maanden aan de werknemer een aanbod te doen met een eenduidig vastgelegd aantal uren. Dit aanbod dient ten minste gelijk te zijn aan het gemiddelde aantal uren dat de werknemer per maand heeft gewerkt in de voorafgaande twaalf maanden.

Proeftijd 

De maximale proeftijd in arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd wordt verlengd. Hiermee wordt beoogd om het voor een werkgever aantrekkelijker te maken om direct een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te gaan. Zo wordt in de wet geregeld dat in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd een proeftijd van maximaal vijf maanden mag worden overeengekomen in plaats van maximaal twee maanden.

Payrolling

In de wet worden artikelen opgenomen die specifiek zien op payrolling. Daarin wordt onder meer bepaald dat werknemers die op payrollbasis werken dezelfde arbeidsvoorwaarden krijgen als de werknemers die in dienst zijn bij de opdrachtgever, met uitzondering van pensioen waar een eigen regeling voor geldt.

Premiedifferentiatie WW  

Tot slot wordt met het concept wetsvoorstel geregeld dat werkgevers een lagere WW-premie gaan betalen voor een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd dan voor een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Hiermee wordt eveneens beoogd het aangaan van arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd te stimuleren.

Het wetsvoorstel betreft natuurlijk nog slechts een concept. Dit concept is nu eerst voor internetconsultatie voorgelegd tot en met 7 mei 2018. Dit betekent dat iedere werknemer en werkgever de gelegenheid heeft om op het concept wetsvoorstel te reageren. Minister Koolmees heeft laten weten het wetsvoorstel nog voor de zomer naar de Raad van State te willen sturen en vervolgens naar de Tweede Kamer. Of het concept wetsvoorstel in de huidige vorm uiteindelijk zal worden ingevoerd, is afwachten. Ik houd u op de hoogte!

Mocht u vragen hebben over dit onderwerp of andere arbeidsrecht gerelateerde vragen neem dan contact op met mr. Femke Westra.