Overheid wil het aantal vechtscheidingen terugdringen

Overheid wil het aantal vechtscheidingen terugdringen

Echtscheiding: de cijfers

In 2016 handelden rechters bijna 35.000 echtscheidingen af. Dat is veel, maar ruim 1.000 echtscheidingen minder dan het jaar daarvoor. Deze cijfers heeft het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie bekend gemaakt.

Vechtscheiding

Bij deze echtscheidingen waren bijna 35.000 kinderen betrokken. In ongeveer 12,5% van deze gevallen, wilde één van de beide partners niet scheiden. Als één van beide partners niet wil scheiden, is dat vaak het begin van een vechtscheiding. Over de hoofden van de kinderen wordt geruzied over alimentatie, zorgverdeling, co-ouderschap et cetera. Dat levert spanning en onzekerheid op en kinderen hebben daar uiteraard last van.

Wat wil de overheid hieraan doen?

Het regeerakkoord plaatst het terugdringen van vechtscheidingen hoog op de politieke agenda en stelt hier extra budget voor beschikbaar. Uit allerlei overleggen met diverse disciplines (denk aan: Kinderombudsman, rechters, advocaten, psychologen) is het voorstel gekomen om een ‘gezinsadvocaat’ aan te stellen. Deze kerngroep is druk bezig de contouren te schetsen van de rol van de gezinsadvocaat.

Regiefunctie voor gezinsadvocaat

De kerngroep geeft aan dat de gezinsadvocaat rekening moet houden met het welzijn en de wensen en belangen van de kinderen en beide ouders. De gezinsadvocaat krijgt dan vooral een regiefunctie en begeleidt scheidende ouders als een casemanager.

Onze sectie familierecht volgt deze ontwikkeling op de voet.

Tot het zover is, blijft het belangrijk dat echtscheidingsadvocaten vooral het belang van de kinderen goed voor ogen houden. Ook als de scheidende ouders daar door de emoties niet toe in staat zijn. Onze echtscheidingsadvocaten zijn aangesloten bij de Vereniging van Familierecht Advocaten en Scheidingsmediators (vFAS) en behartigen als mediator bij echtscheidingen de belangen van beide partijen en hun kinderen.

Ook als zij als advocaat de belangen van een van de echtgenoten behartigen houden ze de belangen van de kinderen scherp in de gaten.

Mocht u vragen hebben over dit onderwerp of andere scheidingsgerelateerde onderwerpen, neem dan vooral contact met ons op.

 

De statutair directeur (deel 1) – Benoeming en indiensttreding

DE STATUTAIR DIRECTEUR – (deel I) Benoeming en indiensttreding

Iedere rechtspersoon heeft een bestuurder. Dat is degene die de vennootschap rechtsgeldig kan vertegenwoordigen bij bijvoorbeeld het aangaan van overeenkomsten. Soms is de bestuurder een andere vennootschap, soms is het een natuurlijk persoon. Soms is de bestuurder zelfstandig bevoegd en soms moet hij samen met anderen beslissen. Dit is per rechtspersoon verschillend en staat beschreven in de statuten van de vennootschap, bestuursreglement of aandeelhoudersovereenkomst.

Die statutair directeur heeft dus vaak vergaande bevoegdheden en vrijheden en is veelal ook het visitekaartje van de onderneming. Een statutair directeur moet het vertrouwen genieten van de aandeelhouders. Zij willen immers dat de vennootschap goede resultaten boekt en daarom zoeken ze de juiste persoon om de vennootschap te leiden. Als dat uiteindelijk niet goed gaat, zo is de gedachte, moet de vennootschap ook zelf kunnen besluiten afscheid te nemen van haar statutair directeur, zonder dat een rechter dat afscheid kan belemmeren.

Dat staat haaks op het arbeidsrecht, dat juist gekenmerkt wordt door bescherming van de “zwakkere” werknemer. Het ontslag van een werknemer is over het algemeen niet zo eenvoudig te bewerkstelligen.

De positie van de statutair directeur die op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de vennootschap waar hij leiding aan geeft, bevindt zich dus op het snijvlak van beide rechtsgebieden. Er moet aandacht zijn voor die dubbele band: de arbeidsrechtelijke en de vennootschapsrechtelijke. Zowel bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst, als bij beëindiging van het dienstverband speelt die bijzondere positie een belangrijke rol. Deze keer ga ik het hebben over het aangaan van de arbeidsovereenkomst.

Aangaan arbeidsovereenkomst statutair directeur

  • Een statutair bestuurder is pas statutair bestuurder, als hij als zodanig is benoemd door de aandeelhoudersvergadering van de vennootschap. Om bewijsproblemen te voorkomen, moet er een schriftelijk aandeelhoudersbesluit zijn waarin de benoeming is vastgelegd. Iemand die alleen als bestuurder in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is ingeschreven zonder rechtsgeldig aandeelhoudersbesluit, is géén statutair bestuurder!

  • In een concern kan de vennootschap die door de statutair directeur wordt geleid, zelf bestuurder zijn van een andere vennootschap. Vraag is dan hoe de bevoegdheden van de statutair directeur zijn geregeld in bijvoorbeeld de statuten van de dochtervennootschap. Het is zinvol hier van tevoren over na te denken en daar afspraken over te maken in de arbeidsovereenkomst.

  • De statutair bestuurder neemt in het aansprakelijkheidsrecht een aparte positie in. Enerzijds is hij werknemer, anderzijds kan hij ook het beleid van de werkgever bepalen. Daarnaast kan hij vennootschapsrechtelijk onderwerp van een bestuurdersaansprakelijkheidsdiscussie zijn.

  • Ander punt van aandacht is om vast te stellen bij welke vennootschap de statutair bestuurder uiteindelijk in dienst treedt. Is dat bij dezelfde vennootschap als die hij bestuurt of een andere vennootschap. Dit is van belang voor de ontslagbescherming, waarover in het volgende blog meer.

  • De statuten kunnen bijzondere bepalingen bevatten over hoe een nieuwe statutair bestuurder wordt benoemd. Zo kan er een bindende voordracht zijn of kunnen er bepaalde stemverhoudingen zijn voorgeschreven. Kijk daar altijd naar!

  • Als er binnen de vennootschap een ondernemingsraad (OR) is, heeft deze adviesrecht ten aanzien van een voorgenomen besluit tot benoeming van een statutair directeur.

  • Bij een statutair directeur wordt de bezoldiging over het algemeen vastgesteld door de aandeelhoudersvergadering. Bij gesprekken met een beoogd bestuurder is het zinvol om helderheid te hebben over deze formele gang van zaken en daarnaast ook ruggespraak te houden met de aandeelhoudersvergadering. Het is erg vervelend als de aandeelhoudersvergadering achteraf niet akkoord blijkt te gaan met een zwaar bevochten arbeidsvoorwaardenpakket.

  • Omdat de statutair bestuurder bepaalde ontslagbescherming mist, maar er ook een afbreukrisico geldt bij een langslepend conflict, wil de bestuurder vaak bij het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden ook al afspreken welke vergoeding bij beëindiging van het dienstverband wordt betaald. Bij die vergoedingen kan bijvoorbeeld ook onderscheid worden gemaakt naar verschillende redenen van vertrek (disfunctioneren, overdracht van aandelen, fusie, splitsing etc.)

  • Wanneer de werkgever een instelling is in de (semi)publieke sector, kan de Wet Normering Topinkomens (WNT) van toepassing zijn. Hierin staan beperkingen opgenomen ten aanzien van de bezoldiging en de ontslagvergoedingen van topfunctionarissen.

Veel verschillende punten om mee rekening te houden dus… Bel gerust voor overleg en advies!

Zie over het ontslag van de statutair directeur het volgende blog!

Heeft u vragen over benoeming en indiensttreding van een statutair bestuurder of andere arbeidsrechtgerelateerde onderwerpen, neem dan vooral contact op met mr. Katrina Suls

 

Goodwill valt niet onder tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten bij dringend eigen gebruik

Goodwill valt niet onder tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten bij dringend eigen gebruik

In zijn arrest van 16 februari 2018 gaat de Hoge Raad in op de omvang van de tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten bij huurbeëindiging op grond van dringend eigen gebruik. Eventuele goodwill die de huurder voor een nieuwe bedrijfslocatie moet betalen, valt hier niet onder.

Dringend eigen gebruik en tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten

Eén van de gronden waarop een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte (in de zin van artikel 7:290 BW) kan worden opgezegd, is dringend eigen gebruik. Als de verhuurder het gehuurde, kort gezegd, duurzaam in eigen gebruik wil nemen en daar voldoende wezenlijk belang bij heeft, zal de rechter de huurovereenkomst beëindigen. In dat geval kan de rechter bij de toewijzing een bedrag vaststellen dat de verhuurder aan de huurder (of eventueel de bevoegde onderhuurder) moet betalen ter tegemoetkoming in diens verhuis- en inrichtingskosten.

Het gaat hierbij uitdrukkelijk om een tegemoetkoming in de verhuis- en in richtingskosten van de opgezegde huurder. De rechter hoeft de verhuurder dus niet te verplichten om de volledige verhuis- en inrichtingskosten aan de huurder te vergoeden. Het gaat niet om schadevergoeding, laat staan om een volledige schadeloosstelling. Dat zou ook niet passen bij een op zichzelf rechtsgeldige opzegging van een huurovereenkomst.

Wat valt onder de tegemoetkoming?

De vraag die in het arrest van de Hoge Raad van 16 februari 2018 aan de orde werd gesteld, is of onder de verhuis- en inrichtingskosten ook een vergoeding voor goodwill valt. Het gaat dan om de goodwill die de huurder moet betalen om een andere bedrijfslocatie (‘going concern’)  te verwerven.

De Hoge Raad oordeelt dat de wet de rechter niet een algemene bevoegdheid toekent om een schadeloosstelling toe te kennen, maar enkel tot toekenning van een vergoeding voor in de wet specifiek omschreven kostenposten. De in de wet genoemde verhuis- en inrichtingskosten hebben betrekking op het feitelijk betrekken van een nieuwe bedrijfsruimte. Een vergoeding voor goodwill ziet daar niet op, maar op de winstverwachting van het in de nieuwe bedrijfsruimte uit te oefenen bedrijf. Kortom, voor een vergoeding voor goodwill die betaald moet worden voor de verwerving van een nieuwe bedrijfslocatie is geen plaats.

Einde oefening voor goodwill?

Ja en nee. Met het arrest is duidelijk dat de tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten bij de opzegging van bedrijfsruimte geen door de huurder in verband met de verhuizing te betalen goodwill omvat. Blijkt echter achteraf dat de verhuurder niet werkelijk de bedoeling had om het gehuurde persoonlijk in duurzaam gebruik te nemen, dan is de verhuurder jegens de huurder tot schadevergoeding gehouden. Het is goed denkbaar dat zowel verloren goodwill (van de oude locatie) als het moeten betalen van goodwill (voor de nieuwe locatie) daarbij in aanmerking kunnen worden genomen. Daarnaast kan de huurder een vergoeding van de verhuurder vorderen, indien de verhuurder na de opzegging voordeel geniet vanwege het eerder door de huurder in het (voormalig) gehuurde uitgeoefende bedrijf. Dat voordeel kan onder andere uit goodwill bestaan. Het gaat dan echter om de goodwill die de huurder achterlaat, niet om goodwill die de huurder moet verwerven. Goodwill verwerven voor een nieuwe locatie blijft dus voor rekening van de huurder.

Wilt u meer weten over dit arrest of andere huurgerelateerde onderwerpen, neem dan vooral contact op met Elmer van der Kamp

Belangrijk arrest HvJ EU over toepassing van de Dienstenrichtlijn bij bestemmingsplanregels over detailhandel

Belangrijk arrest HvJ EU over toepassing van de Dienstenrichtlijn bij bestemmingsplanregels over detailhandel

Inleiding

Kort gezegd heeft de Dienstenrichtlijn ten doel belemmeringen voor de vrijheid van vestiging voor dienstverleners in een interne dienstenmarkt te verwijderen. Dienstverrichters dienen in staat te worden gesteld hun dienstenactiviteit op de interne dienstenmarkt te ontplooien door zich daar te vestigen of door gebruik te maken van het vrije verkeer van diensten.

Op 30 januari 2018 heeft het Hof van Justitie van de EU (het Hof) naar aanleiding van (prejudiciële) vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een lang verwacht arrest gewezen over de toepassing van de Dienstenrichtlijn in het omgevingsrecht, meer specifiek over hoe de Dienstenrichtlijn moet worden toegepast bij bestemmingsplanregels over detailhandel (ECLI:EU:C:2018:44).

In dit (uitgebreide) blog worden met name twee aspecten van arrest besproken, te weten of detailhandel in goederen kan worden gekwalificeerd als een dienst in de zin van artikel 4 lid 1 Dienstenrichtlijn en of overweging 9 van de preambule van de Dienstenrichtlijn eraan in de weg staat dat bestemmingsplanregels, die gaan over detailhandel, aan de Dienstenrichtlijn kunnen worden getoetst.

Ik sluit af met suggesties voor praktische toepassing van dit arrest in de praktijk.

De casus

De casus die blijkens de verwijzingsuitspraak aan de vragen van de Afdeling ten grondslag ligt (en waarover de Afdeling nog uitspraak moet doen) betreft de geografische afbakening van reguliere en perifere detailhandel in het bestemmingsplan Stad Appingedam. De vraag is of dit is toegestaan.

Visser Vastgoed Beleggingen B.V. (Visser Vastgoed) bezit winkelpanden aan het Woonplein in Appingedam, een locatie gelegen buiten het centrum en – kort gezegd – bestemd voor perifere (volumineuze) detailhandel. Het is namelijk beleid van de gemeente om volumineuze detailhandel, waarbij het ‘doelgericht aankopen doen’ leidend is, buiten de binnenstad te houden. Dit type winkels is vanwege de ruimtelijke effecten volgens de gemeente moeilijk inpasbaar in de binnenstad. In de visie van de gemeente kan dan vervolgens de binnenstad behouden blijven voor ‘recreatief winkelen’ en ‘boodschappen doen’. Door winkels voor recreatief winkelen samen met horeca en cultuur in de binnenstad te clusteren, wordt de leefbaarheid in het centrum bevorderd en structurele leegstand in de binnenstad zoveel mogelijk voorkomen.

Visser Vastgoed wenst op enig moment haar winkelpand op het Woonplein te verhuren aan Bristol, een discounter in schoenen en kleding. Visser Vastgoed heeft beroep ingesteld tegen de vaststelling van het bestemmingsplan omdat het bestemmingsplan op het Woonplein deze vorm van (reguliere) detailhandel niet toestaat.

Op dit punt is de planregeling volgens Visser Vastgoed in strijd met de Dienstenrichtlijn. Er zou geen sprake zijn van een “dwingende reden van algemeen belang” (bescherming van een goede ruimtelijke ordening en het milieu of stedelijk milieu) om de vestiging van reguliere detailhandel te beperken. Er zou bijvoorbeeld helemaal niet voldoende zijn onderbouwd, dat in de binnenstad een onaanvaardbare leegstand dreigt.

Eerdere rechtspraak van de Afdeling over de toetsing van planregels inzake detailhandel aan de Dienstenrichtlijn

Volgens de Afdeling is detailhandel in goederen geen dienst in de zin van de Dienstenrichtlijn

De Afdeling oordeelde eerder in een uitspraak van 25 juni 2104 en een uitspraak van 18 maart 2015, dat detailhandel moet worden aangemerkt als de verkoop van goederen en daarom niet onder de Dienstenrichtlijn zou vallen. Bestemmingsplanregels zouden dan ook niet aan de Dienstenrichtlijn kunnen worden getoetst. De Afdeling leidde dit onder meer af uit rechtspraak van het Hof uit 2005 en ‘een analyse van de Dienstenrichtlijn zelf’.

De Afdeling negeerde (terechte) argumentatie dat onder meer uit het Handboek voor de implementatie van de Dienstenrichtlijn 2007, de Mededeling van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de Dienstenrichtlijn van 8 juni 2012 (COM (2012) 261) en de Mededeling van de Commissie Een Europees Actieplan inzake detailhandel van 31 januari 2013 (COM (2013) 36) blijkt, dat in ieder geval de Europese Commissie vindt dat detailhandel onder de werking van de Dienstenrichtlijn valt. De Afdeling overwoog hieromtrent bijvoorbeeld dat het voornoemde Handboek niet wettelijk bindend is.

Mede gelet op het feit dat de Dienstenrichtlijn een breed toepassingsbereik heeft, stuitten deze overwegingen van de Afdeling op kritiek. Mijns inziens terecht is derhalve in de kwestie bestemmingsplan Stad Appingedam opnieuw aan de orde gesteld, dat detailhandel in goederen moet worden gezien als een dienst in de zin van de Dienstenrichtlijn.

Volgens de Afdeling is de Dienstenrichtlijn ingevolge overweging 9 niet van toepassing op bestemmingsplannen

Op grond van overweging 9 van de Dienstenrichtlijn is de Dienstenrichtlijn in beginsel niet van toepassing op voorschriften inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw. Dit geldt dus ook voor bestemmingsplannen, tenzij het bestemmingsplan beoogt dienstenactiviteiten specifiek te reguleren.

Volgens de Afdeling zijn voorschriften uit bestemmingsplannen regels die dienstenactiviteiten niet specifiek reguleren. Het zijn (slechts) regels die dienstverrichters bij de uitvoering van de dienstenactiviteit in acht moeten nemen, op dezelfde wijze als natuurlijke personen die als particulier handelen. Derhalve is volgens de Afdeling de Dienstenrichtlijn überhaupt niet van toepassing op bestemmingsplannen (zie bijvoorbeeld ABRS 16 april 2014, nr. 201303704/1).

Wat vindt het Hof van Justitie van de Europese Unie?

Detailhandel in goederen kwalificeert als een dienst

Anders dan de Afdeling, verklaart het Hof voor recht dat detailhandel in goederen wel degelijk een dienst is als bedoeld in artikel 4 lid 1 Dienstenrichtlijn. Het gaat hierbij volgens Hof niet alleen om de rechtshandeling verkoop maar ook om bijvoorbeeld het geven van advies of het bieden van klantenservice, welke services afhankelijk van de betrokken winkelier aanzienlijke verschillen kunnen vertonen.

Er is sprake van een economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt. Het Hof verwijst nog naar artikel 57 VWEU dat diensten van commerciële aard als dienst definieert. Ook verwijst het Hof naar artikel 33 Dienstenrichtlijn, waaruit volgt dat de diensten waarop de Dienstenrichtlijn betrekking heeft zeer diverse, voortdurend veranderende activiteiten betreffen, met de uitdrukkelijke vermelding dat tot die activiteiten diensten behoren die zowel aan bedrijven als aan particulieren worden verleend, zoals de distributiehandel.

Overweging 9 van de preambule staat niet in de weg aan toetsing van de regels van het bestemmingsplan aan de Dienstenrichtlijn

Het Hof oordeelt eveneens dat overweging 9 niet in de weg staat aan toetsing van de planregels aan de Dienstenrichtlijn, omdat het bestemmingsplan (in dit geval) specifiek voor dienstverrichters gevolgen kan hebben. In de kwestie Appingedam hebben de planregels volgens het Hof immers als specifiek doel om geografische zones aan te wijzen waar bepaalde activiteiten in verband met detailhandel zich kunnen vestigen. De regels zijn hiermee volgens het Hof uitsluitend gericht op personen die activiteiten in de geografische gebieden willen gaan ontwikkelen, met uitsluiting van personen die handelen als particulier.

Gevolg: aan evaluatie onderworpen eisen als bedoeld in artikel 15 Dienstenrichtlijn

Het Hof stelt vast dat de planregels, zijnde algemeen verbindende voorschriften, ‘eisen’ zijn zoals bedoeld in artikel 4 lid 7 van de Dienstenrichtlijn. Dergelijke eisen dienen op grond van artikel 15 Dienstenrichtlijn door de lidstaat aan evaluatie te worden onderworpen.

In dit verband wordt overigens opgemerkt dat bestemmingsplannen volgens de parlementaire geschiedenis van de Dienstenwet niet onder de screenings- en notificatieverplichtingen van de Dienstenrichtlijn vallen. Blijkens de handreiking Screening en notificatie van de regelgeving in het kader van de Dienstenrichtlijn zou dit volgen uit ‘een analyse van hoe bestemmingsplannen in Nederland zijn ingericht’, e.e.a. mede in het licht van overweging 9 van de preambule. Al in 2011 constateerde ik dat dit opmerkelijk was, juist omdat in bestemmingsplannen dus de mogelijkheid bestaat dat dienstenactiviteiten, waaronder detailhandel, specifiek wordt gereguleerd (zie I.J. Middel en A.R. Klijn, Ruimtelijk plannen met de Dienstenrichtlijn: een verslag van de VNG juridische tweedaagse, Gst. 2011, 119). 

Het Hof oordeelt echter, dat artikel 15 lid 1 Dienstenrichtlijn rechtstreekse werking heeft en lidstaten een verplichting oplegt om hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan te passen en in overeenstemming te laten brengen met artikel 15 lid 3 Dienstenrichtlijn.

Op grond van artikel 15 lid 3 Dienstenrichtlijn moet vervolgens I) worden bezien of sprake is van typen eisen als bedoeld in artikel 15 lid 2. Als dit aan de orde is dan moet II) worden gecontroleerd of de eisen 1) niet-discriminatoir; 2) noodzakelijk en 3) evenredig zijn.

Toepassing: casus bestemmingsplan Stad Appingedam

De regels uit het bestemmingsplan Stad Appingedam zijn eisen als bedoeld in artikel 15 lid 2 Dienstenrichtlijn, omdat sprake is van een geografische (territoriale) beperking. Het is vervolgens aan de Afdeling om te beoordelen of wordt voldaan aan de eisen van non-discriminatie, noodzakelijkheid en evenredigheid. Het Hof geeft nog mee dat dergelijke eisen noodzakelijk kunnen zijn wegens dwingende redenen van algemeen belang (zoals bescherming van het stedelijk milieu) en wijst erop dat het verbod in het bestemmingsplan strekt tot behoud van de leefbaarheid in het centrum van Appingedam en tot het voorkomen van leegstand in het stedelijk gebied.

Conclusie en wenken voor de praktijk

Voor wat betreft de casus bestemmingsplan Stad Appingedam heeft het Hof een helder kader meegegeven aan de Afdeling: indien kan worden gesteld dat de betrokken planregels zijn gerechtvaardigd wegens een dwingende reden van algemeen belang (zoals bescherming van het stedelijk milieu), dan is de noodzakelijkheid van de regeling een gegeven. Indien deze ‘hobbel’ is genomen, dient de Afdeling nog te beoordelen of de regels niet-discriminatoir en evenredig zijn.

Het is voor wat betreft de noodzakelijkheidstoets overigens nog wel de vraag in hoeverre door het bevoegd gezag moet worden aangetoond, dat daadwerkelijk de leefbaarheid van de binnenstad in Appingedam in het geding is. Immers is een veel gehoorde discussie of het werkelijk nodig is om de binnenstad levendig te maken met reguliere detailhandel. Dit kan immers mogelijk ook door andere concepten of ideeën op de binnenstad los te laten. Ik pleit ervoor dat de Afdeling met zorg argumentatie hieromtrent afweegt, omdat hierover in de praktijk zeer wezenlijke discussies gevoerd worden.

Zo heeft het Planbureau voor de Leefomgeving bijvoorbeeld in haar notitie “De bestendige binnenstad” (15 december 2014) aangegeven, dat “de angst voor uitholling van binnensteden (…) deels ongegrond [is]. De leegstand van winkels en kantoren neemt weliswaar toe, maar er zijn veel mogelijkheden om deze panden een andere functie te geven.”

Overheden vs. initiatiefnemers

Voor overheden geldt dat zij bij het opstellen van planregels die specifiek betrekking hebben op de uitoefening van een dienst, zich er goed van moeten vergewissen dat deze planregels voldoen aan de eisen van non-discriminatie, noodzakelijkheid en evenredigheid.

Dit zal echter vermoedelijk al snel het geval zijn, indien het nationaal ruimtelijk ordeningsrecht voldoende in acht wordt genomen. Ingevolge artikel 3.1 Wro moet immers een bestemmingsplan worden opgesteld in het kader van een goede ruimtelijke ordening (lees: een dwingende reden van algemeen belang). Conform artikel 1.1.2 Bro (in samenhang met artikel 14 lid 5 Dienstenrichtlijn) is economisch ordenen expliciet niet toegestaan. Brancheren is dan weer wel toegestaan ingevolge artikel 3.1.2 lid 2b Bro. Daarnaast moeten de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht worden genomen.

Zolang de eisen die in planregels gesteld worden aan de vestiging van detailhandel in goederen zijn gegrond op argumenten van ruimtelijke kwaliteit en sprake is van een ruimtelijk relevant motief, zal mijns inziens niet snel sprake zijn van een planregeling die in strijd is met de Dienstenrichtlijn.

In zoverre is derhalve de betekenis van de Dienstenrichtlijn, vind ik, ook beperkt. Immers de gestelde kaders volgen in principe al uit ons nationale recht.

Initiatiefnemers zullen moeten trachten aannemelijk te maken, waarom hun ontwikkeling dient te worden gefaciliteerd en waarom sprake is van een goede ontwikkeling op de juiste plek (nut en noodzaak). Er zullen ruimtelijk relevante argumenten moeten worden aangedragen om dit te ondersteunen en er moet beargumenteerd worden waarom de ruimtelijke effecten van de ontwikkeling acceptabel zijn.

Slot

Mocht u vragen hebben over de toepassing van de Dienstenrichtlijn bij ruimtelijke besluiten, aarzel dan niet om contact met op te nemen met Ingeborg Wind. Zij treedt graag op als sparringpartner.