Regeerakkoord Rutte III: gevolgen voor het arbeidsrecht

Regeerakkoord Rutte III: gevolgen voor het arbeidsrecht

Het arbeidsrecht in de huidige vorm knelt volgens het kabinet voor werkgevers én werknemers en er worden (te) veel verantwoordelijkheden bij de werkgevers neergelegd. In deze blog benoem ik in hoofdlijnen de maatregelen die het kabinet van plan is te treffen om een nieuwe balans aan te brengen op de arbeidsmarkt.

Ontslagrecht

Het ontslagrecht wordt versoepeld doordat de cumulatie van meerdere ontslaggronden mogelijk wordt (bijvoorbeeld verwijtbaar handelen gecombineerd met disfunctioneren en een verstoorde arbeidsrelatie). Hier staat voor de werknemer tegenover dat de rechter een extra vergoeding kan toekennen van maximaal de helft van de transitievergoeding.

Transitievergoeding

De opbouw van de transitievergoeding verandert op twee punten. Ten eerste krijgen werknemers vanaf het begin van hun arbeidsovereenkomst recht op een transitievergoeding in plaats van pas na twee jaar. Ten tweede bedraagt de opbouw van de transitievergoeding ook voor arbeidsovereenkomsten langer dan tien jaar 1/6 maandsalaris per gewerkt halfjaar (nu is dat vanaf het tiende jaar 1/4 maandsalaris per gewerkt halfjaar). De overgangsregeling voor 50-plussers blijft gehandhaafd. De opbouw van de transitievergoeding blijft voor een werknemer die langer dan tien jaar in dienst is na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar dus 1/2 maandsalaris per gewerkt halfjaar. Verder wordt de mogelijkheid verruimd om scholingskosten in mindering te brengen op de transitievergoeding.

De last tot betaling van de transitievergoeding wordt verlicht (met name voor werkgevers in het MKB). Werkgevers ontvangen een compensatie voor de verschuldigde transitievergoeding bij ontslag van een werknemer wegens een langdurige arbeidsongeschiktheid. Verder zijn werkgevers geen transitievergoeding verschuldigd bij een ontslag om bedrijfseconomische redenen als een cao-regeling van toepassing is. Ook worden de criteria van de overbruggingsregeling transitievergoeding voor kleine werkgevers (tot 25 werknemers) verruimd en daardoor eenvoudiger.

Ketenregeling

De ketenregeling wordt verruimd. In het geval van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd ontstaat pas een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd nadat een periode van drie jaar in plaats van twee jaar is verstreken. Daarnaast komt de mogelijkheid om in sectoren waarin sprake is van terugkerend tijdelijk werk de tussenpoos van zes maanden (waarna de teller weer op nul gaat) te verkorten.

Proeftijd

De mogelijkheden voor een langere proeftijd worden verruimd. Indien een werkgever direct een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangaat met een werknemer wordt de maximale proeftijd verlengd van twee naar vijf maanden. Bij arbeidsovereenkomsten met een duur van langer dan twee jaar wordt de maximale proeftijd verlengd van twee naar drie maanden.

Loondoorbetaling bij ziekte

De verplichting van loondoorbetaling bij ziekte wordt verkort van twee naar één jaar voor kleine werkgevers (tot 25 werknemers). Het opzegverbod tijdens ziekte blijft wel twee jaar. De loondoorbetaling tijdens het tweede ziektejaar en een aantal re-integratieverplichtingen gaan over naar het UWV. De kosten hiervan worden collectief gedekt door de kleine werkgevers door een uniforme lastendekkende premie.

Verder wordt de periode waarvoor de premiedifferentiatie geldt in de WGA verkort van tien naar vijf jaar. Daarmee wordt voor alle werkgevers de periode waarover risico wordt gelopen beperkt in het geval een werknemer arbeidsongeschikt wordt. Na de periode van premiedifferentiatie wordt een collectieve, uniforme premie geheven.  

Payrolling

Payrolling als zodanig blijft mogelijk, maar wordt zo vormgegeven dat het enkel dient om de werkgevers te ontzorgen. Het soepeler arbeidsrechtelijk regime van de uitzendovereenkomst zal niet langer meer van toepassing zijn op payrolling: werknemers die in dienst zijn bij het payroll-bedrijf dienen qua primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden gelijk te worden behandeld in vergelijking tot de werknemers bij de inlener.

ZZP’ers

De huidige Wet DBA (de wet die modelcontracten voor zzp’ers voorschrijft) wordt vervangen door een nieuwe wet die aan de ene kant echte zelfstandigen zekerheid moet bieden dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst en aan de andere kant schijnzelfstandigheid moet voorkomen. Zo wordt in deze wet bepaald dat er altijd sprake is van een arbeidsovereenkomst bij een laag tarief in combinatie met een langere duur van de overeenkomst of een laag tarief in combinatie met het verrichten van reguliere arbeidsactiviteiten. Een tarief tussen de 15 en 18 euro zal waarschijnlijk als laag tarief worden aangemerkt en een langere duur zal waarschijnlijk worden gedefinieerd als langer dan drie maanden.

De modelovereenkomsten worden afgeschaft. Voor zzp’ers waarvan het tarief hoger ligt dan het ‘lage’ tarief wordt een opdrachtgeversverklaring ingevoerd. Deze verklaring wordt aan opdrachtgevers verstrekt via het invullen van een webmodule Met deze opdrachtgeversverklaring krijgt een opdrachtgever zekerheid vooraf en wordt hij gevrijwaard van loonbelasting en premieswerknemersverzekeringen (tenzij de webmodule niet naar waarheid is ingevuld). 

Of alle maatregelen daadwerkelijk worden ingevoerd en wanneer dat het geval is, is afwachten. Ik houd u op de hoogte!

Mocht u vragen hebben over dit onderwerp of andere arbeidsrecht gerelateerde vragen neem dan contact op met mr. Femke Westra

 

 

 

 

Koop breekt geen huur (maar soms wel in stukjes)

Koop breekt geen huur (maar soms wel in stukjes)

HR 6 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2560 

Inleiding; koop breekt geen huur

Een overeenkomst bindt alleen de partijen die deze zijn aangegaan. Dat is in ieder geval het uitgangspunt, waarop ons recht een aantal uitzonderingen kent. Eén daarvan is de regel die wel kort wordt samengevat als “koop breekt geen huur.” Deze regel is neergelegd in artikel 7:226 van het Burgerlijk Wetboek. Het doel daarvan is het beschermen van de huurder tegen het verdwijnen van zijn rechten door de overdracht van het gehuurde. Het ligt immers voor de hand dat huurbescherming (of ontruimingsbescherming) weinig zin heeft als daar door overdracht van het gehuurde een einde aan zou kunnen worden gemaakt. Daarom zorgt de wet ervoor dat de verkrijger van rechtswege verhuurder wordt.

Dat koop geen huur breekt, is een wat korte samenvatting van de wettelijke regeling. Zo tast ook overdracht door een schuldeiser (bijvoorbeeld een hypotheekhouder bij executie) de huurovereenkomst niet aan (tenzij een huurbeding geldt, maar dat is een ander onderwerp). Uitgifte in erfpacht van het verhuurde valt ook onder de regel. De bescherming van de huurder is intussen beperkt tot de eigenlijke huurovereenkomst. Bedingen die weinig met de huur te maken hebben, gaan niet mee over op de nieuwe verhuurder. Dat geldt bijvoorbeeld als hoofdregel voor koopopties en voorkeursrechten van koop.

Het arrest; gedeeltelijke overdracht

Onze wet neemt als uitgangspunt dat de verhuurde zaak als geheel wordt overgedragen. Maar wat nu als slechts een gedeelte van een verhuurde zaak wordt verkocht en geleverd aan een derde? In een arrest van 6 oktober 2017 oordeelde de Hoge Raad over een zaak waarin die vraag aan de orde was. Het betrof overigens een zaak die speelde op Sint Maarten, maar omdat voor de uitleg van de toe te passen regel wordt aangesloten bij het Nederlands recht (wat ook past bij het zogeheten concordantiebeginsel) maakt dit niet uit.

Heel kort samengevat ging de zaak over een huurder van een perceel grond waarop deze een opstal had gebouwd, waarna het deel van het gehuurde waarop de opstal stond werd overgedragen aan een derde. Die derde meende niet aan de huurovereenkomst gebonden te zijn. Het gerechtshof gaf de nieuwe eigenaar gelijk, omdat niet de gehele zaak waarop de huurovereenkomst betrekking heeft was overgedragen. De Hoge Raad komt tot een ander oordeel.

Alhoewel uit de parlementaire geschiedenis lijkt te volgen dat de wetgever artikel 7:226 buiten toepassing heeft willen laten bij overdracht van een gedeelte van een verhuurde zaak, blijkt niet dat hij de huurder in die gevallen bescherming heeft willen onthouden. Dat zou in sommige gevallen onaanvaardbaar inbreuk kunnen doen op de beschermingsgedachte. Daarom, zo oordeelt de Hoge Raad, moet worden aanvaard dat door een extensieve (ruime) uitleg kan worden voorzien in bescherming van de huurder bij een gedeeltelijke overdracht. Die extensieve uitleg kan ertoe leiden dat de huurverhouding in twee of meer huurovereenkomsten wordt gesplitst. Per geval zal moeten worden beoordeeld of zo’n splitsing tot een zinnig resultaat leidt.

Als eenmaal vaststaat dat de huurovereenkomst overgaat en wordt gesplitst, zal het voor de huurder niet meteen duidelijk zijn welk deel van de huurprijs hij aan welke verhuurder moet voldoen (het zijn inmiddels immers twee of meer). De Hoge Raad overweegt daarover dat zolang de huurder geen kennis heeft genomen van de overdracht, hij aan de oorspronkelijke verhuurder kan betalen. Daarna niet meer, maar de huurder mag wel de betaling opschorten totdat hem door de (oude en nieuwe) verhuurders duidelijk is gemaakt aan wie hij welk bedrag moet betalen. De huurder zelf is voor het aanbrengen van deze splitsing niet verantwoordelijk.

Tot besluit

Uit het arrest blijkt dat een gedeeltelijke overdracht van een verhuurde zaak ertoe kan leiden dat twee of meer huurovereenkomsten ontstaan. Koop kan huur dus wel in stukjes breken. Hoe die (puzzel)stukjes eruit zien, hangt af van de wijze waarop de oorspronkelijke huurovereenkomst wordt gesplitst. Daarbij ligt de verantwoordelijkheid bij de verhuurders, niet bij de huurder. Het arrest geeft alvast een regel die “in  beginsel” ten aanzien van de huurbetalingsverplichting kan worden toegepast. Maar hoe het zit met – bijvoorbeeld – onderhoudsverplichtingen zal nog moeten blijken. De wijze van splitsing kan ook relevant zijn voor niet-huurbedingen. Een koopoptie gaat immers – in beginsel – niet van rechtswege over. Als zo’n beding ziet op het gedeelte van de zaak dat wordt overgedragen, kan het niet tegen de nieuwe verhuurder worden uitgeoefend. Ongetwijfeld kunnen hier nog veel voorbeelden aan worden toegevoegd. Duidelijk is dat er huurrechtelijke nog wel wat te puzzelen valt.

Wellicht kan discussie worden voorkomen door nieuwe afspraken met de huurder te maken, zodat meteen duidelijk is hoe de huurovereenkomst wordt gesplitst en de rechten en verplichtingen worden verdeeld. Dat komt neer op het beëindigen van de oude en het aangaan van nieuwe huurovereenkomsten. In alle andere gevallen zal de rechter moeten beoordelen hoe de wettelijke regeling uitpakt. Bij gedeeltelijke verkoop van een verhuurde zaak is dat dus iets om over na te denken en op te anticiperen.

Mocht u vragen over dit onderwerp of andere huurgerelateerde onderwerpen, neem dan vooral contact op met mr. Elmer van der Kamp

Onteigening Hedwigepolder: gaat de Hoge Raad om?

Onteigening Hedwigepolder: gaat de Hoge Raad om?

Parket bij de Hoge Raad d.d. 29-09-2017, zaaknummer 16/04028, ECLI:NL:PHR:2017:980  

Een door de Kroon verworpen beroep op zelfrealisatie dient door de onteigeningsrechter ten volle te worden getoetst, dit ter voorkoming dat sprake is van schending van het “fair trial”-beginsel en de bescherming van het recht op eigendom, zoals vastgelegd in het EVRM.

De ‘introductie’ van de redelijkheid en billijkheid in onteigeningsland i.r.t. de kosten van zelfrealisatie, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen te realiseren “lucratieve” en “niet-lucratieve” bestemmingen; bij “niet lucratieve” bestemmingen behoeft de eigenaar niet zelf de kosten van zelfrealisatie te dragen.

Conclusie A-G

Op 29 september jl. heeft waarnemend Advocaat-Generaal mr. J.C. van Oven geconcludeerd dat de Hoge Raad het onteigeningsvonnis inzake de Hedwigepolder (Rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 8 juni 2016) dient te vernietigen. Het betreft hier een advies aan de Hoge Raad, dat onderdeel is van de cassatieprocedure en een vooruitblik geeft op wat mogelijk het oordeel van de Hoge Raad zal worden. Gelet op de inhoud van de conclusie is bepaald niet uit te sluiten dat de Hoge Raad anders dan voorheen zal gaan beslissen. Daarom is het verstandig dat de onteigeningspraktijk daarvan reeds nu kennis neemt, er rekening mee houdt en voorzover nodig op anticipeert.

Rijksinpassingsplan

Deze onteigening betreft ruim 305 ha, in eigendom bij één eigenaar, in de gemeente Hulst (Zeeuws Vlaanderen), ten behoeve van de uitvoering van het Rijksinpassingsplan Hertogin Hedwigepolder. Aan dit rijksinpassingsplan ligt ten grondslag het Verdrag tussen Nederland en het Vlaams Gewest d.d. 21 december 2005, dat voorziet in enerzijds verruiming van de Westerschelde en anderzijds de ontwikkeling van zgn. estuariene natuur in Nederland (600 ha) en Vlaanderen (1100 ha).  

Unieke onteigeningszaak

Volgens A-G van Oven betreft het hier een “unieke onteigeningszaak”, die de Hoge Raad op deels onteigeningsrechtelijk “terra incognita” brengt. Reeds daarom is de conclusie van de A-G zeer lezenswaardig; diverse voor de onteigeningspraktijk relevante onderwerpen komen uitgebreid aan de orde en worden in een hedendaags daglicht geplaatst. Het hoofditem betreft het door de eigenaar gedane beroep op zelfrealisatie en daarmee verband houdende vraagstukken.

Volle toetsing verwerping zelfrealisatieverweer

De belangrijkste reden dat A-G van Oven de Hoge Raad adviseert het onteigeningsvonnis te vernietigen is dat de rechtbank ten onrechte het zelfrealisatieverweer van de eigenaar niet ten volle heeft getoetst.

Toelichting

Volle toetsing van KB bij verwerping van zelfrealisatieverweer

In de voorafgaande administratieve onteigeningsprocedure heeft de eigenaar een “zelfrealisatie”-verweer gevoerd dat door de Kroon is verworpen. Volgens A-G van Oven dient, in afwijking van eerdere (vaste) HR-jurisprudentie, deze verwerping in de gerechtelijke onteigeningsprocedure niet enkel (verregaand) marginaal maar vol getoetst te worden. Zou dat niet gebeuren, dan komt het Koninklijk Besluit (waarmee aan de Staat is toegestaan tot gerechtelijke onteigening over te gaan) in de gevarenzone van art. 6 EVRM en art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM, aldus A-G van Oven.

Achtergrond van het advies aan de Hoge Raad om verwerping van zelfrealisatieverweren vol te gaan toetsen is de visie van A-G van Oven dat de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure “weliswaar volgens de regels der kunst is verlopen maar dat die procedure als ‘eerlijk proces’ een farce is.” A-G van Oven acht dan ook een grondiger toetsing van het onteigeningsbesluit nodig, als betere bescherming van de eigenaar.

In de kern betreft het bij verwerping van een zelfrealisatieverweer vol toetsen van het onteigeningsbesluit de vraag naar de onteigeningsnoodzaak. In dat verband acht A-G van Oven o.m. de volgende onderdelen relevant.

Serieus overleg

Volgens de eigenaar heeft de Staat geen overleg willen voeren over zelfrealisatie en over een door de eigenaar aan de Staat voorgelegd concept voor een in verband daarmee tussen de eigenaar en de Staat te sluiten overeenkomst. A-G van Oven acht deze stellingen “hoogst relevant in deze zeer bijzondere zaak.” Aldus de A-G kan de onteigeningsnoodzaak niet worden aangenomen voordat de Staat serieus pogingen heeft ondernomen om met de eigenaar overeenstemming te bereiken over een regeling (waarvoor de eigenaar een voorstel heeft gedaan) die voorziet in de realisering door de eigenaar zelf van de estuariene natuur op de percelen van de eigenaar conform het rijksinpassingsplan. In verband hiermee is ook relevant de door de Staat opgeworpen vraag over de mate van concreetheid van het zelfrealisatieplan.   

Voldoende concreet

Door de Staat is betoogd dat een beroep op zelfrealisatie alleen kan worden aanvaard wanneer de eigenaar een duidelijk omlijnd (voldoende concreet) plan tot zelfrealisatie heeft ingediend, waarvan in het onderhavige geval geen sprake zou zijn geweest. Aldus A-G van Oven heeft de Staat hiermee geprobeerd de Hoge Raad de vraag te laten beantwoorden wat ‘rechtens’ onder een (voldoende) concreet plan moet worden verstaan. De A-G is van mening dat de Hoge Raad “er niet aan zou moeten beginnen om het onteigeningsrecht te verrijken met concrete maatstaven met behulp waarvan kan worden vastgesteld of een plan van de eigenaar om zelf te realiseren de noodzaak tot onteigening wegneemt.” Dat hangt volgens A-G van Oven geheel af van de omstandigheden van het geval, waarvan de beoordeling aan de feitenrechter is voorbehouden.

In het onderhavige geval vond de rechtbank voldoende dat de eigenaar het rijksinpassingsplan wil realiseren “conform de plannen van de Staat”. Die eigen plannen van de Staat voorzagen (nog) niet (i) in een uiteenzetting welk archeologisch, geotechnisch en grondonderzoek moet plaatsvinden, (ii) in een uitwerking van de maatvoering door een ingenieursbureau, (iii) in een aanvraag op basis van dit plan van vergunningen en een ontheffing, (iv) in het kunnen maken van een bestek met dit plan op basis waarvan de uitvoering van het werk kan worden aanbesteed. Dit levert volgens A-G van Oven géén aanwijzing op dat de plannen van de Staat wèl, maar die van de eigenaar niet serieus kunnen worden genomen. In dit verband heeft A-G van Oven ook erop gewezen dat de Staat het maken van de concrete plannen voor de ontwikkeling van het intertijdengebied op basis van het voormelde Verdrag aan het Vlaams Gewest moet overlaten. De door de eigenaar voorgenomen zelfrealisatie kan dus eenvoudigweg door de eigenaar worden uitbesteed (al dan niet via de Staat) aan het Vlaams Gewest, dat volgens het Verdrag toch al voor alles moet zorgen.

Kortom: in lijn van het rechtbankvonnis, maar ook eerdere Kroon-jurisprudentie acht A-G van Oven het voldoende dat de eigenaar heeft verklaard “dat hij bereid en in staat is de bestemmingen op zijn gronden geheel conform het rijksinpassingsplan en de verdere openbare stukken zoals de uitvoeringsbesluiten te realiseren.” en kan aan de eigenaar niet worden verweten dat hij geen concreter plan heeft overgelegd dan zijn toezegging om het plan uit te voeren conform het rijksinpassingsplan.

Niet alle gronden in eigendom

Door de Staat is eveneens betoogd dat het beroep op zelfrealisatie reeds moest stranden omdat de eigenaar niet beschikt over alle gronden die nodig zijn voor de realisering van het project. De rechtbank oordeelde dat dit niet aan zelfrealisatie in de weg hoeft te staan, omdat de eigenaar “had aangeboden de ontbrekende percelen alsnog in eigendom te verwerven.” Volgens A-G van Oven heeft de Staat hiermee verlangd dat de Hoge Raad “het onteigeningsrecht uitbreidt met een door de Staat bedachte rechtsregel, n.l. dat een beroep op zelfrealisatie moet worden verworpen indien de eigenaar ten tijde van het KB niet beschikt over de eigendom van alle voor het te realiseren werk benodigde gronden.” A-G van Oven ziet ook voor een dergelijke rechtsregel geen reden, omdat ook “op dit vlak veel, zo niet alles, af hangt van de omstandigheden van het geval.”

Kosten van zelfrealisatie      

Blijkens het KB dat aan het onteigeningsvonnis ten grondslag ligt, is voor een gerechtvaardigd beroep op zelfrealisatie vereist “dat de eigenaar bereid en in staat moet zijn om de bestemmingen zonder voorbehoud – en derhalve onvoorwaardelijk – en voor eigen risico en rekening zelf te realiseren.”

A-G van Oven vindt het echter “al hoogst onbillijk” om van de eigenaar als zelfrealisator te verlangen dat hij de kosten draagt van de in het algemene belang noodzakelijk geachte ontpoldering van de Hedwigepolder, die zal meebrengen dat zijn agrarisch gebruikte gronden zullen veranderen in buitendijkse estuariene natuurgronden.

Maar bovendien van de eigenaar te verlangen dat hij die kosten draagt terwijl de Staat die kosten (op basis van voormeld Verdrag) zou kunnen declareren bij de Belgische overheid, lijkt A-G van Oven “buiten alle proporties”, ofwel “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid – die ook bij de toepassing van het onteigeningsrecht niet uit het oog mogen worden verloren – onaanvaardbaar.”

In verband met het voorgaande heeft A-G van Oven nog opgemerkt het te betreuren dat hij niet in staat is zijn ferme visie met opinies van gezaghebbende auteurs of rechtspraak van de Hoge Raad te onderbouwen, echter deze zaak de Hoge Raad nu eenmaal op onteigeningsrechtelijk “terra incognita” (onbekend terrein) brengt, waar het juridisch instinct, of liever: het (al of niet aangeboren) rechtvaardig-heidsgevoel een richtingwijzer oplevert die men serieus heeft te nemen.

A-G van Oven heeft er verder op gewezen dat de Staat een rechtsregel wenst te introduceren, inhoudende “dat van de eis voor zelfrealisatie dat de eigenaar de bestemming op eigen kosten realiseert niet kan worden afgeweken, ook niet indien het gaat om een project dat niet lucratief is.” Volgens de A-G is voor een dergelijke nieuwe rechtsregel geen reden, hetgeen hij als volgt heeft toegelicht.

De vraag of een zelfrealisatieverweer kan worden gehonoreerd, is een vraag naar de noodzaak van de onteigening. Die noodzaak ontbreekt indien de eigenaar bereid en in staat is het werk dat op het onteigende tot stand moet worden gebracht (binnen redelijke tijd) zelf te realiseren. Die noodzaak ontbreekt naar de mening van de A-G eveneens “indien de eigenaar bereid en in staat is dat werk te realiseren terwijl de onteigenende partij de kosten daarvan draagt.” Als de eigenaar bereid en in staat is het werk te realiseren mits een ander (b.v. de onteigenende partij) de kosten draagt, valt of staat de onteigeningsnoodzaak volgens de A-G “met het antwoord op de vraag of de onteigenende partij door te weigeren de kosten te dragen redelijk handelt.” In het algemeen zal, zo lijkt de A-G, een weigering van de onteigenende partij om de kosten te dragen van realisering van een “lucratieve” bestemming niet onredelijk zijn. Echter in het onderhavige geval gaat het om een “niet lucratieve” bestemming. In het algemeen belang moeten de grotendeels agrarisch gebruikte percelen van de eigenaar in buitendijks natuurterrein worden herschapen. Naar de mening van A-G van Oven “is zeer wel denkbaar dat in een zodanig geval de onteigenende partij onredelijk handelt als hij het zelfrealisatievoornemen van de eigenaar belemmert door de kosten daarvan (die ook gemaakt zouden moeten worden als de onteigening wel doorgaat) niet te willen dragen.

Ook volle toetsing onderhandelingsplicht?

De conclusie van A-G van Oven lijkt te impliceren dat naast verwerping van een zelfrealisatieverweer door de onteigeningsrechter, eveneens ten volle getoetst moet worden de verwerping van een verweer inzake het niet in achtnemen van de onderhandelingsplicht die (op basis van Kroon-jurisprudentie) ook geldt voor de periode voorafgaand aan het onteigeningsbesluit.

Gaat de Hoge Raad om?

In deze volgens de A-G unieke onteigeningszaak heeft hij o.m. geconcludeerd dat de onteigenings-rechter een door de Kroon – in het onteigeningsbesluit – verworpen beroep op zelfrealisatie ten volle dient te toetsen en in dat verband de Staat, de Kroon en de rechtbank de door de eigenaar voorgenomen zelfrealisatie niet mochten afkeuren omdat de eigenaar de kosten daarvan niet wilde dragen. Of en in hoeverre de Hoge Raad dit advies van de A-G zal volgen, zal duidelijk worden wanneer de Hoge Raad in deze onteigeningszaak uitspraak doet. In bevestigend geval zal dit betekenen dat de Hoge Raad een nieuwe weg inslaat, mede in afwijking van eerdere jurisprudentie, en daarmee “om gaat”. Voor de onteigeningspraktijk kan dit reeds nu gevolgen hebben, vandaar dat dit reeds nu onder de aandacht wordt gebracht. Zodra de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan, zal ook daarover worden gepubliceerd.

Voor meer informatie over deze uitspraak kunt u contact opnemen met mr. Jan Veldhuis