Cameratoezicht: veiligheid versus privacy

Cameratoezicht: veiligheid versus privacy

Onlangs werd mr. Margje Rupert geïnterviewd door RTV Drenthe over het onderwerp “cameratoezicht door particulieren”. Aanleiding voor het interview is de 100.000ste deelnemer aan het project Camera in Beeld. Dit project is een initiatief van de politie waarbij in een database is geregistreerd wie over een beveiligingscamera beschikt. Met behulp van die database hoopt de politie misdaden sneller op te kunnen sporen. Het belang van de politie ligt met name bij beelden van de openbare ruimte. Maar wat is er nu eigenlijk toegestaan als het gaat om het filmen van de openbare ruimte en wat niet?

Voorwaarden bij cameratoezicht door particulieren

Particulieren mogen de openbare ruimte filmen voor zover het in beeld brengen van die ruimte onvermijdelijk is ter beveiliging van personen en goederen die aan hun zorg zijn toevertrouwd. Bestaat het doel van de particulier uit toezicht houden op de openbare plaats, dan is cameratoezicht door een particulier niet toegestaan. Toezicht in het belang van de openbare orde valt namelijk onder de verantwoordelijkheid van de gemeente.

Als particulier mag je dus slechts een klein deel van de openbare ruimte filmen en alleen voor zover dat noodzakelijk is voor de beveiliging van jouw goederen en personen die in zorg aan je zijn toevertrouwd. Aan dit toezicht zijn wel regels verbonden. Particulier cameratoezicht is geregeld in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Hieruit volgt onder meer dat cameratoezicht alleen is toegestaan wanneer er ook andere beveiligingsmaatregelen zijn getroffen, terwijl die maatregelen onvoldoende effectief zijn en redelijkerwijs niet kunnen worden uitgebreid. Daarbij dient altijd een privacytoets plaats te vinden tussen enerzijds de belangen van de particulier en anderzijds de belangen van klanten en werknemers. Het is bijvoorbeeld niet toegestaan te filmen op het toilet, in een pashokje, of behandelruimte. Voor de sauna geldt dat er niet mag worden gefilmd op plaatsen waar bezoekers ontkleed kunnen zijn. Men mag zich dan onbespied wanen.

Heimelijk cameratoezicht is alleen toegestaan wanneer zich bijzondere omstandigheden voordoen en is aan strikte regels gebonden. Dit betekent dat de particulier gehouden is melding te maken van het feit dat er gefilmd wordt. De camera’s moeten zichtbaar zijn opgehangen en er moet (met bordjes) kenbaar worden gemaakt dat er cameratoezicht wordt gehouden. Die regel geldt ook voor bewoners die een vaste camera aan hun woning hebben hangen. Ook dan val je onder de werking van de Wbp. Wordt er niet voldaan aan de informatieplicht dan kan dit een strafbaar feit opleveren. Met alle negatieve gevolgen van dien. Los van een eventuele geldboete kan dit bijvoorbeeld gevolgen hebben voor het verkrijgen van een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG). De camerabeelden mogen in beginsel vier weken bewaard blijven.

Kort samengevat: om camera’s op te mogen hangen moet er sprake zijn van een gerechtvaardigd belang, het toezicht moet noodzakelijk zijn, er moet een privacytoets zijn uitgevoerd en er geldt een informatieplicht.

Big Brother is watching you

Maar hoe zit het nu met de database van de politie? De politie kijkt niet mee met beelden. Alleen wanneer er sprake is van een misdrijf kijkt zij welke camera’s in de buurt hangen en vordert zij, indien nodig, de beelden op. Die beelden mogen ook als bewijs worden gebruikt in een strafzaak. Begrijpelijk dat de politie belang heeft bij deelname aan de database. Maar is dit belang nu zo groot dat wij daar onze privacy voor prijs moeten geven? Anders gezegd is het in de huidige maatschappij noodzakelijk dat er méér toezicht wordt gehouden door middel van camera’s waarbij iedere beweging tegenwoordig wordt gevolgd?

Cameratoezicht heeft eigenlijk alleen maar effect wanneer het als ultiem middel wordt ingezet in gevallen van ernstige overlast- of geweldproblematiek. In de overige gevallen leidt het slechts tot schijnveiligheid waarbij de criminaliteit zich aanpast aan de camera’s. Incidenten verplaatsen zich ofwel naar het gebied waar geen camera’s hangen of criminelen zorgen ervoor dat zij onherkenbaar in beeld komen door een capuchon over het hoofd te trekken of een masker te dragen. Daar komt bij dat de criminaliteitscijfers in Nederland wederom verder zijn gedaald. In 2014 was er sprake van een daling van 23% ten opzichte van 2007. En in 2015 werden er nog eens 5% minder misdrijven geregistreerd dan in 2014. Hieruit blijkt dat de reeds getroffen maatregelen meer dan voldoende zijn en de noodzaak voor nog meer toezicht ontbreekt. En als die noodzaak ontbreekt lijkt een steeds verdergaande inbreuk op de privacy niet toegestaan.

Voor meer informatie over de do’s en don’ts bij cameratoezicht door particulieren kan je kijken op de website van de Autoriteit Persoonsgegevens of contact opnemen met mr. Margje Rupert.

 

 

Dienstverband laten ‘slapen’ om geen transitievergoeding te hoeven betalen, is toegestaan

Dienstverband laten ‘slapen’ om geen transitievergoeding te hoeven betalen, is toegestaan

Sinds de invoering van de Wet Werk en Zekerheid heeft de werknemer die na twee jaar ziekte wegens langdurige arbeidsongeschiktheid wordt ontslagen, recht op de transitievergoeding.

Dat betekent dat de werkgever in geval van een zieke werknemer niet alleen twee (mogelijk drie) jaar het loon moet doorbetalen, maar dat hij ook nog de transitievergoeding verschuldigd is. Ook al is de kans reëel dat die transitievergoeding niet gebruikt wordt waarvoor die bedoeld was, namelijk de begeleiding van de ene naar de andere baan.

Sterker nog, zelfs als de werknemer recht heeft op een IVA-uitkering (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten), heeft hij bij beëindiging van zijn dienstverband recht op de transitievergoeding. Dat is helemaal merkwaardig, want een IVA-uitkering wordt uitsluitend toegekend aan werknemers die zowel volledig, als duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Die werknemers re-integreren dus zeer waarschijnlijk nooit meer. Bovendien hebben zij recht op de IVA-uitkering tot aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.

Eerlijk of niet, wettelijk is de transitievergoeding verplicht als je het dienstverband beëindigt. Werkgevers voorkomen in de praktijk de kosten van de transitievergoeding door het ‘slapende’ dienstverband met de zieke werknemer te laten voortduren. Dat brengt voor de werkgever wel een risico met zich mee. De werknemer in kwestie kan (theoretisch) herstellen en dan zijn functie en bijpassend loon opeisen.

Enige tijd werd wel betoogd dat er voor werkgevers nog een tweede risico zou bestaan aan het laten voortduren van het ‘slapende’ dienstverband. De werkgever zou  het risico lopen dat een rechter zijn handelwijze zou verbieden, althans zou kwalificeren als slecht werkgeverschap. Minister Asscher had in de Tweede Kamer op 3 september 2015 al over deze kwestie opgemerkt dat in zijn ogen een dergelijke handelwijze in ieder geval niet getuigde van ‘fatsoenlijk werkgeverschap’.

De strijd lijkt echter in het voordeel van de werkgevers gestreden, zeker na het  onlangs door het Gerechtshof Den Haag gewezen arrest. Daarin bevestigt het hof de lijn in de jurisprudentie van de kantonrechters: het staat de werkgever vrij om al dan niet de beëindiging van het dienstverband van een werknemer die meer dan twee jaar arbeidsongeschikt is na te streven.

Het hof oordeelde dat: “Een wettelijke verplichting voor een werkgever om een arbeidsovereenkomst waaraan door de werknemer wegens aanhoudende arbeidsongeschiktheid geen invulling meer kan worden gegeven, te doen eindigen” niet bestaat. Ook niet als de werkgever door het slapend laten voortbestaan van het dienstverband probeert “om op die manier te ontkomen aan het betalen aan [de werknemer] van de transitievergoeding bij het einde van de arbeidsovereenkomst.” De handelwijze levert geen tekortkoming op in nakoming van de arbeidsovereenkomst en getuigt evenmin van slecht werkgeverschap of van misbruik van bevoegdheid.

Overigens wijst het Hof er wel fijntjes op dat ‘de keuze voor het laten voortduren van de arbeidsovereenkomst (…) niet zonder verplichting (is). Immers zo [werkneemster] onverwacht alsnog herstelt, is [de werkgever] verplicht tot re-integratie-inspanningen.”

Heeft u vragen over dit onderwerp, dan kunt u contact opnemen met mr. Eef van de Wiel

 

Belangrijke termijn voor werknemers bij ontslag op staande voet

Belangrijke termijn voor werknemers bij ontslag op staande voet

Sinds de invoering van de wet Werk en Zekerheid (WWZ) per 1 juli 2015 gelden in het arbeidsrecht harde termijnen. Wanneer een werknemer het bijvoorbeeld niet eens is met een aan hem gegeven ontslag op staande voet, dan heeft hij (maar) twee maanden de tijd om hiertegen actie te ondernemen. Waar een werknemer vóór 1 juli 2015 kon volstaan met een eenvoudige brief aan zijn werkgever, is het nu noodzakelijk een verzoekschrift in te dienen bij de rechtbank. De werknemer zal de rechtbank in dat verzoekschrift moeten vragen het ontslag op staande voet te vernietigen. Is dit verzoek te laat, dan staat het ontslag op staande voet vast en kan de werknemer daar niets meer aan doen.

Het bewaken van de termijnen is dus cruciaal. Bij een werknemer die eerder dit jaar tegen zijn ontslag op staande voet opkwam bij de Rechtbank Midden-Nederland, ging het mis. Zijn advocaat had zes dagen voor afloop van de vervaltermijn van twee maanden wel aan de werkgever laten weten dat hij het niet eens was met het ontslag op staande voet, maar had geen verzoekschrift ingediend bij de rechtbank. Dit kwam de werknemer duur te staan.

De kantonrechter oordeelde in die zaak dat de vervaltermijn van twee maanden fataal is: de werknemer was te laat, zodat de kantonrechter niet kon beoordelen of de werknemer gelijk had. Het ontslag op staande voet stond vast en daar kon de kantonrechter niets meer aan doen. Ook de argumenten dat de werkgever zou hebben gehandeld in strijd met goed werkgeverschap en onrechtmatig zou hebben gehandeld, mochten de werknemer niet baten.

Deze werknemer heeft dus geen inkomen meer én zeer waarschijnlijk geen recht op een WW-uitkering.

Wanneer de werknemer te laat is, zal de kantonrechter geen coulance betrachten, hoe schrijnend ook. Zelfs een verzoekschrift dat één minuut te laat(!) is ingediend, is te laat, aldus de rechtbank Midden-Nederland in een zaak van een andere werknemer. Juist én tijdig handelen is kortom noodzakelijk!

Heeft u vragen over dit onderwerp, dan kunt u contact opnemen met mr. Merel Aaftink.

 

 

Hoe stuit je verjaring van dwangsommen bij lopende procedures?

Hoe stuit je  verjaring van dwangsommen bij lopende procedures?

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 27 juli 2016, zaaknummer 201503536

Relevantie:

  • Veel gemeenten schorten de inning van dwangsommen op in afwachting van de uitkomst van procedures tegen de last onder dwangsom c.q. de invorderingsbeschikking.
  • Daarmee wordt nogal eens géén stuiting van de verjaring bewerkstelligd.
  • De Afdeling komt in deze uitspraak overheden enigszins tegemoet: stuiting van verjaring wordt eerder aangenomen, maar dat is beperkt tot bijzondere gevallen.
  • Waarom niet gewoon de verjaring stuiten door een herhaalde aanmaning (artikel 4:112 Awb)? Of anders: verjaringstermijn verlengen door uitstel van betaling (artikel 4:94 Awb). 

Inning opschorten zolang procedures lopen…

Nogal wat overheden staken de inning van dwangsommen in afwachting van de uitkomst van bestuursrechtelijke procedures over de last onder dwangsom en invorderingsbeschikking (en soms ook het onderliggende besluit, zoals een vergunning). Juist dan is het zaak de verjaringstermijn in de gaten te houden en tijdig te stuiten. En daar kan het al gauw fout gaan, zie ABRvS 5 augustus 2015, nr. 201406288 voor een klassiek voorbeeld: de mededeling dat hangende de bezwaar- respectievelijk (hoger)beroepsprocedure het invorderingstraject wordt opgeschort, stuit of verlengt de verjaring niet: het is geen wettelijke stuitingshandeling en ook geen uitstel van betaling.

Ook in de uitspraak van 27 juli 2016 ging het om het aanhouden van verdere invordering hangende de procedures over de last onder dwangsom. De gemeente Noordwijk leek de fout in te gaan, maar de Afdeling stak een reddende hand uit en dat leverde de gemeente een paar ton op. Hierna volgen eerst enkele basisregels van stuiting van de verjaring; daarna volgt een bespreking van de uitspraak van de Afdeling en wat die daaraan heeft veranderd. Ten slotte enkele praktijktips hoe je, ook tijdens een procedure, verjaring kunt voorkomen.

Stuiting is aan strikte regels gebonden

Stuiting brengt mee dat met aanvang van de volgende dag, een nieuwe verjaringstermijn van (bij dwangsommen) een jaar begint te lopen (artikel 4:110, eerste lid; alle in dit stuk genoemde artikelen zijn van de Awb). Verjaring wordt gestuit door “een daad van rechtsvervolging” (artikel 4:105, eerste lid), zoals het uitbrengen van een dagvaarding (hier verder niet relevant), door een erkenning van de schuldenaar van het recht op betaling (artikel 4:105, tweede lid), door een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112), door een beschikking tot verrekening of een dwangbevel dan wel door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel, zoals beslaglegging (artikel 4:106). NB: een invorderingsbeschikking stuit de verjaring niet.

Andere mogelijkheden voor de overheid om verjaring van dwangsommen te stuiten kent de Awb niet. Althans, zo leek het, tot aan genoemde uitspraak van 27 juli 2016.

Gemeente stuit met een “aanzegging” – die de Awb niet kent

B&W van Noordwijk hadden een investeringsmaatschappij een last onder dwangsom opgelegd tot het opknappen van haar verpauperde pand. Er werd een bedrag van enkele tonnen aan dwangsommen verbeurd. In vlot tempo verzond de gemeente aanmaningen in de zin van artikel 4:112, betekende dwangbevelen en ging vervolgens (bij gebreke van betaling) over tot beslaglegging op het pand.

De gemeente besloot voorzichtig (en waarschijnlijk verstandig) om niet alvast tot inning (door executoriale verkoop van het pand) over te gaan maar de uitkomst van de bestuursrechtelijke procedures tegen de last onder dwangsom af te wachten. Die procedures duurden ruim twee jaar. Om verjaring te voorkomen had de gemeente bij deurwaardersexploot de investeringsmaatschappij tijdig aangezegd dat zij onverkort aanspraak maakte op de dwangsommen en dat daarmee de verjaring was gestuit, zo was in het exploot vermeld.

“Aanzegging” soms effectief

De vraag was of met zo’n aanzegging de verjaring was gestuit. De investeringsmaatschappij vond van niet: een dergelijke aanzegging wordt immers niet in de Awb genoemd als middel om te stuiten. Het betrof ook geen aanmaning in de zin van artikel 4:112: die moet voor de aangeschrevene de onmiskenbare waarschuwing bevatten dat als hij niet tijdig betaalt, na afloop van de daarin vermelde betalingstermijn, dwanginvordering zal volgen. Een dergelijke mededeling stond niet in de “aanzegging” en die kon dus niet als aanmaning gelden.

Maar de Afdeling oordeelde dat de verjaring, met deze aanzegging, wel degelijk tijdig was gestuit. Volgens de Afdeling was de aanzegging een mededeling waarbij de gemeente zich ondubbelzinnig haar recht op nakoming (lees: betaling) voorbehoudt. Gezien de omstandigheden van het geval stelt de Afdeling deze aanzegging gelijk met de hiervoor genoemde, wettelijk erkende stuitingshandelingen (zie de artikelen 4:105 en 4:106): de gemeente had reeds aangemaand (in de zin van artikel 4:112), dwangbevelen betekend en beslag gelegd. De investeringsmaatschappij was derhalve ampel in de gelegenheid gesteld te betalen en was gewaarschuwd dat invorderingsmaatregelen zouden worden getroffen en de kosten daarvan zouden worden verhaald. “Van het college mocht onder de hiervoor vermelde omstandigheden niet worden gevergd opnieuw een aanmaning overeenkomstig artikel 4:112 van de Awb te versturen”, aldus de Afdeling.

Ook met de “aanzegging” was tijdig gestuit; de gemeente had haar bevoegdheid tot invordering dus niet door verjaring verloren.

Drie aandachtspunten

  • Een aanzegging (uitgebracht bij deurwaardersexploot) kan als stuitingshandeling fungeren mits daarvóór (i) is aangemaand overeenkomstig artikel 4:112, (ii) een dwangbevel is uitgevaardigd en (iii) beslag is gelegd. Wanneer één van deze drie elementen ontbreekt, is onzeker of ook dan kan worden volstaan met een dergelijke aanzegging. In de inningspraktijk zal lang niet altijd aan alle drie vereisten zijn voldaan. 
  • Impliciet oordeelt de Afdeling dat de gemeente de verjaring óók had kunnen stuiten door nogmaals een aanmaning overeenkomstig artikel 4:112 te versturen, zie (eveneens impliciet) reeds ABRvS 6 mei 2015, zaaknummer 201401555, r.o. 9. In de literatuur is enige discussie óf een dergelijke, herhaalde aanmaning de verjaring stuit. Als dat wel zo is (en daar lijken genoemde uitspraken van de Afdeling sterk op te duiden), dan kun je daarmee tamelijk eenvoudig verjaring voorkomen, ook in gevallen waarin geen dwangbevel is uitgevaardigd en beslag is gelegd. Het zou voor de praktijk zeer nuttig zijn indien de Afdeling expliciet bevestigt dat ook enkel een tijdig herhaalde aanmaning stuitende werking heeft.   
  • In gevallen als hier beschreven wil de overheid blijkbaar niet invorderen voordat de last onder dwangsom en/of het invorderingsbesluit (zie artikel 5:39 voor de concentratie van bezwaar/beroep tegen beide besluiten) onherroepelijk is geworden. In zo’n geval kun je ook, voor de duur van de bezwaar-, beroeps- c.q. hogerberoepsprocedures uitstel van betaling als bedoeld in artikel 4:94, eerste lid verlenen. Met uitstel van betaling (de formulering daarvan luistert nauw) wordt de verjaring verlengd met dat uitstel. Voorbeeld: wanneer uitstel wordt verleend op een moment dat nog maar twee maanden resteerde van de verjaringstermijn, dan resteert na afloop van de uitsteltermijn ook nog slechts twee maanden. Zowel bij stuiting als bij verlenging blijft het dus zaak om de termijnen goed in de gaten te houden.

 Voor vragen of opmerkingen: Hans van Ophem